Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.8:4.8 Samenvatting en tussenconclusie
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.8
4.8 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950310:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Of tussen een vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen is een redelijkheids- en billijkheidstoets, waarvan de beoordeling afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het geval. In artikel 6:52 lid 2 BW is bepaald dat een zodanige samenhang onder meer kan worden aangenomen als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.
Voor het antwoord op de vraag of de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval te worden beoordeeld of deze verbintenissen voldoende nauw met elkaar samenhangen. Deze nauwe samenhang zal doorgaans bestaan als de wederzijdse verbintenissen dezelfde juridische grondslag hebben. Verbintenissen die zijn ontstaan uit dezelfde overeenkomst hebben dezelfde juridische grondslag en vloeien voort uit dezelfde rechtsverhouding. Dat geldt ook voor verbintenissen over en weer tot ongedaanmaking van hetgeen is geschied ter uitvoering van dezelfde nietige, vernietigde of ontbonden overeenkomst. Ook verbintenissen die niet dezelfde grondslag hebben, maar wel hun oorsprong hebben in dezelfde oorzaak, kunnen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding. Voorts kan tussen verbintenissen die niet dezelfde juridische grondslag hebben niettemin de vereiste nauwe samenhang bestaan, als deze voortvloeien uit een door partijen als eenheid bedoelde of uit een als eenheid te beschouwen rechtsverhouding. Een dergelijke rechtsverhouding dient te worden vastgesteld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij de omstandigheid dat de verbintenissen zijn erkend in hetzelfde document reeds een aanwijzing kan zijn voor de vereiste samenhang. Wanneer die omstandigheid zich niet voordoet, kan worden gelet op de inhoud van de verschillende rechtshandelingen die ten grondslag liggen aan de betreffende verbintenissen, de onderlinge afhankelijkheid of afstemming daarvan, die mede kan blijken uit formuleringen in akten, en de wijze en het tijdstip van de totstandkoming van deze rechtshandelingen. Tijdsverloop tussen deze rechtshandelingen behoeft niet te leiden tot de conclusie dat zij niet een dergelijke eenheid vormen, als uit de oorzaak van dit tijdsverloop niet zonder meer volgt dat partijen bedoeld hebben van elkaar afzonderlijk te houden rechtshandelingen te verrichten of dat deze als zodanig dienen te worden beschouwd.
Van zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW is sprake als uit de omstandigheden van het geval een zekere continuïteit van de onderlinge verhouding tussen de partijen blijkt. Enkel regelmatig zaken met elkaar doen is voor het aannemen van deze continuïteit niet voldoende. Voorts is het aantal keren dat partijen zaken hebben gedaan niet zo relevant, omdat twee keren voldoende kan zijn. Van belang voor het aannemen van de vereiste continuïteit is het bestaan van afzonderlijke overeenkomsten die naar hun aard en inhoud soortgelijk of vergelijkbaar zijn. Dit betreft een belangrijke, zo niet de belangrijkste, omstandigheid, maar niet de enige omstandigheid, omdat het oordeel over de continuïteit van de onderlinge verhouding uiteindelijk de beoordeling betreft van de vraag of tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen, en dat oordeel is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Andere omstandigheden waarop onder andere kan worden gelet zijn de inhoud en het doel van de afzonderlijke overeenkomsten en de partijbedoelingen.
De in artikel 6:52 lid 2 BW genoemde omstandigheden zijn enuntiatief of illustratief bedoeld. Naar de Hoge Raad heeft overwogen is de aanwezigheid van ‘dezelfde rechtsverhouding’ of van ‘zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan’ in de regel voldoende voor het bestaan van voldoende samenhang tussen de vordering en verbintenis om opschorting te rechtvaardigen. Beslissend zijn die omstandigheden evenwel niet. Overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat toch niet aan het samenhangcriterium is voldaan. Zo hebben de in artikel 6:52 lid 2 BW gecodificeerde omstandigheden in de rechtspraak van de Hoge Raad een meer indicatief karakter gekregen.
Uit de feitenrechtspraak ontstaat de indruk dat, bij afwezigheid van overige omstandigheden, aan het samenhangcriterium is voldaan als een van de in artikel 6:52 lid 2 BW geregelde omstandigheden zich voordoet of zij beide zich voordoen. Dat is op zichzelf niet in strijd met de wet, omdat in die gevallen aan het samenhangcriterium kán zijn voldaan. De soms summiere of vanzelfsprekende motivering van een dergelijk oordeel kan aan deze omstandigheden echter ten onrechte het illustratieve of meer indicatieve karakter ontnemen. De feitenrechter zou dit karakter in zijn motivering meer kenbaar kunnen en mogen maken door in zijn formulering aan te sluiten bij het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt: aangezien de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan en geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, bestaat in beginsel voldoende samenhang tussen deze verbintenissen om opschorting te rechtvaardigen.
Artikel 6:52 lid 2 is voorts niet-limitatief en niet-uitputtend bedoeld. Ook in gevallen waarin zich andere omstandigheden dan de in dit artikellid genoemde voordoen, kan aan het samenhangcriterium zijn voldaan, zoals de omstandigheid dat daarover tussen partijen overeenstemming bestaat of wanneer de verbintenissen over en weer betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Ook is een aantal overige omstandigheden aan de orde gekomen waaronder niet aan het samenhangcriterium is of kan zijn voldaan. Veelal hebben de verbintenissen over en weer dan hun oorsprong in een verschillende juridische grondslag, vloeien zij niet voort uit dezelfde rechtsverhouding of zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan en hebben zij geen betrekking op hetzelfde onderwerp.
Ofschoon de beoordeling van het samenhangcriterium een redelijkheids- en billijkheidstoets is, die afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden van het geval, heb ik op basis van omstandigheden waaronder in beginsel aan het samenhangcriterium is voldaan of waaronder aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan een aantal gevaltypen bij het samenhangcriterium geformuleerd. Tevens heb ik op basis van omstandigheden waaronder niet aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan een gevaltype bij het samenhangcriterium geformuleerd. Deze gevaltypen zijn opgenomen in § 4.7.