Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/2.7.1
2.7.1 Inleiding
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS499714:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Krans 2006, p. 147-151.
HvJ EG 16 december 1976, nr. 33/76, Jun 1976, p. 1989 (Rewe). Het doeltreffendheidsbeginsel houdt in dat procesregels de uitoefening van de EU-rechtelijke vorderingsrechten niet uiterst moeilijk of onmogelijk mogen maken. Vraag hierbij is, of er rechterlijke bescherming voorhanden is, inzake het door het EU-recht verleende recht. Volgens het gelijkwaardigheidsbeginsel mogen procesregels voor vorderingen naar EU-recht niet ongunstiger zijn dan die voor vorderingen naar nationaal recht.
Krans 2006, p. 148-149.
Krans 2006, p. 148.
Het doeltreffendheidsbeginsel zette in zowel de Cofidis- als de Mostaza Claro-uitspraak een nationale procesrechtelijke bepaling opzij. Het HvJ concludeerde in Cofidis dat de richtlijn zich verzette tegen een wettelijke vervaltermijn dat de rechter verbiedt om na het verstrijken van die termijn oneerlijke bedingen ambtshalve of op verzoek van de consument nietig te verklaren. In Mostaza Claro moest de wettelijke bepaling inhoudende dat een beroep op de nietigheid van de arbitrageovereenkomst moest worden gedaan op het moment van het indienen van de oorspronkelijke eis wijken om een in later stadium gedaan beroep op de oneerlijkheidsnorm te kunnen honoreren. Opvallend aan dit arrest is dat van maatwerk geen sprake is: daar waar in Cofidis het HvJ nog enig voorbehoud maakte voor wat betreft de strekking van zijn uitspraak (to. 47), wordt de contextgebondenheid van de opgemaakte balans tussen het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van procesautonomie in Mostaza Claro niet langer onderstreept: Pavillon 2007a, p. 153.
Dit laatste kan volgens Ancery en Wissink 2010, p. 312 worden verklaard doordat uit HvJ EG 7 juni 2007, nr. C-222/05-C-225/05, Jur. 2007, p. 1-4233(Van der Ween!) volgt dat niet de Rewe-beginselen doch het beginsel van effectieve rechtsbescherming aan het ingrijpen van het HvJ in de nationale procedurele autonomie ten grondslag ligt. In Asturcom maakt het HvJ, naar ik meen, pas op de plaats door het gelijkwaardigheidsbeginsel voorop te stellen.
60. Het HvJ waagt zich, zo blijkt uit de Hofstetter- en Pannon-arresten, niet langer aan een inhoudelijke beoordeling van algemene voorwaarden maar eist wel nadrukkelijk dat de nationale rechter dat ambtshalve doet. Het Hof laat zich in zijn rechtspraak zonder meer in met de nationale procesrechtelijke setting van de strijd tegen oneerlijke bedingen. De nationale rechter past het EU-recht toe met behulp en binnen de grenzen van het nationale procesrecht, met inachtneming van het beginsel van gemeenschapstrouw (art. 4 lid 3 VWEU, voorheen art. 10 EG-Verdrag). Hij zorgt ervoor dat het EU-recht tot gelding komt binnen de nationale rechtsorde.1 Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ beschikken lidstaten hierbij over een grote mate van procedurele autonomie. Hoewel het nationale procesrecht een aangelegenheid is van de interne rechtsorde van de lidstaten, waakt het HvJ op de naleving van de twee door de nationale rechter bij de toepassing van EU-recht in acht te nemen 'randvoorwaarden': het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.2 De Europese rechter verricht 'maatwerk' door in een bepaalde context de balans te zoeken tussen deze beginselen en de procedurele autonomie van de lidstaten.3 Deze balans vergt soms dat nationale procesrechtelijke bepalingen in het licht van die beginselen moeten wijken.
Met betrekking tot de randvoorwaarden waarbinnen de lidstaten hun nationale procesrecht aanwenden om toepassing te geven aan de Richtlijn OB, doet het HvJ soms meer dan alleen 'een vinger aan de pols'4 houden. Art. 6 lid 1 richtlijn is van een teleologische uitleg voorzien (waarin de beschermingsdoelstelling voorop werd gesteld), die verregaande procesrechtelijke implicaties heeft, zoals de opheffing van procesrechtelijke belemmeringen5 en de verplichting om ambtshalve aan de norm te toetsen.6 In onderstaande paragrafen zal achtereenvolgens worden ingegaan op de inhoud en mogelijke grenzen van de ambtshalve toetsingsverplichting, de twee stadia van de ambtshalve toetsing (het overgaan tot en het uitoefenen van de toets) en tot slot de mogelijke implicaties hiervan voor de in par. 2.4-2.6 behandelde kenmerken van de toets. De uitleg van de beschermingsdoelstelling van de richtlijn door het HvJ raakt op het eerste gezicht niet zozeer aan het nationale materiële doch aan het formele recht. Die tweedeling blijkt echter enigszins kunstmatig. In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wisselwerking tussen de ambtshalve toetsingsverplichting en de interpretatie en toepassing van de oneerlijkheidsnorm.