Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.6.4
3.3.6.4 De begunstigde
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717425:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik ben het met De Boer eens dat, wanneer de trustee tevens één van de begunstigden is, er sprake is van een verhoogd gevaar voor tegenstrijdig belang ex artikel 3:139 lid 3 jo. 3:137 lid 3, tweede zin BWC. Zie: J. de Boer, ‘De trust naar Curaçaos recht’, WPNR 2012/6926, p. 289 en MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 12. Zie ook: art. 3:46 lid 1 sub g BWC.
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 12. Er wordt in casu überhaupt niet een toelichting op de genoemde problematiek gegeven.
Vgl. in dit kader onder andere: C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Kluwer 2018, nr. 570; C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Kluwer 2021, nr. 316.
Zie voor een mogelijke oplossing hiervoor paragraaf 4.3.15.6.
Naast de benoeming van de trustee kan de insteller een persoon aanwijzen als begunstigde van het trustfonds. Zolang zijn aanstelling niet als een paulianeuze handeling wordt beschouwd, is de insteller bevoegd om zichzelf als begunstigde aan te wijzen.1
Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen kunnen als begunstigde fungeren.2 Ook is het mogelijk om nog niet bestaande natuurlijke personen of rechtspersonen, mits voldoende bepaalbaar, als begunstigde aan te merken.3 Indien er nog geen begunstigde bestaat, stuit men op het probleem dat de Curaçaose wetgever niet bij wet heeft geregeld welke personen bevoegd zijn om ten behoeve van de nog niet bestaande begunstigde het recht van de begunstigde uit te oefenen op het moment dat de trustee zijn trustrechtelijke verplichtingen schendt.
Een aanwijzing van de begunstigde die onherroepelijk en jegens de begunstigde om niet is, geldt krachtens art. 3:153 lid 3 BWC als aanvaard, indien zij ter kennis van de begunstigde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen.4 De memorie van toelichting verduidelijkt echter niet in welke situaties een begunstiging anders dan om niet kan geschieden en in hoeverre en op welke wijze deze regel dient te worden toegepast op potentiële begunstigden van een ‘discretionary’ trust die wel een bundel van rechten, bevoegdheden en remedies verwerven, doch (nog) geen economisch belang hebben in de trust.5 Hoewel over de achterliggende redenen voor het opnemen van het voornoemde geen uitlatingen in de memorie van toelichting zijn gedaan, lijkt het dat de Curaçaose wetgever in dit geval dezelfde systematiek heeft gevolgd bij onder andere de aanvaarding van het aanbod tot omzetting van een natuurlijke verbintenis (art. 6:5 lid 2 BWC), aanvaarding van het aanbod tot afstand om niet (art. 6:160 lid 2 BWC) en de aanvaarding van een onherroepelijk derdenbeding om niet (art. 6:253 lid 4 BWC).67
Uit art. 3:153 lid 3 BWC kan worden afgeleid dat aanvaarding vereist is voor de verwerving van de bundel van trustrechtelijke rechten, bevoegdheden en remedies door de begunstigde en het ontstaan van de trustrechtelijke rechtsverhouding tussen trustee en begunstigde.8 Deze wetsbepaling staat evenwel volledig haaks op de goederenrechtelijke werking van het trustverband en derhalve de werking van de trust. Aanvaarding veronderstelt een bepaalde inspanning. Van inspanning is naar mijn mening eveneens sprake wanneer de begunstigde kennis heeft genomen van zijn aanwijzing als begunstigde en hij deze niet onverwijld heeft afgewezen. Bij de instelling van de Curaçaose trust ontstaat ten gevolge van de creatie van het trustverband – anders dan bij aanvaarding het geval is – niet alleen van rechtswege een trustrechtelijke rechtsverhouding tussen de trustee en de begunstigde of de potentiële begunstigde, doch verwerft de (potentiële) begunstigde tevens van rechtswege een bundel van trustrechtelijke rechten, bevoegdheden en remedies. Een aanvaarding in dat kader is niet een conditio sine qua non voor het ontstaan van het voornoemde. Het vastleggen van art. 3:153 lid 3 BWC laat derhalve wederom zien dat de Curaçaose wetgever op dit punt wellicht een onjuist beeld van de trustfiguur voor ogen had.9