Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.9:28.9 Gebruik door de grondeigenaar
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.9
28.9 Gebruik door de grondeigenaar
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482452:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 december 1978, NJ 1979, 353.
Rb. Amsterdam 24 juni 1929, NJ 1930, 282; Hof ’s-Gravenhage 22 februari 1932, NJ 1932, 824.
Davids 1988, p. 98; Asser/Beekhuis 1977 (3-II), p. 174.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stel de situatie zoals hiervoor onder 28.4 omschreven doet zich voor. Eigenaar van de grond is derhalve A. De buurweg bestaat ten behoeve van A en B. Welke bevoegdheden komen dan nog aan A toe? Een aantal mogelijkheden dient zich aan:
de grondeigenaar mag alles doen, mits het gebruik van de buurweg maar tot de mogelijkheden blijft behoren;
de grondeigenaar mag slechts een zodanig gebruik van zijn eigendom maken, dat daardoor het optimale gebruik van de buurweg niet in de weg wordt gestaan;
het gebruik door de eigenaar van zijn kant en het gebruik door de geburen die de buurweg gebruiken van hun kant, moeten zich zodanig verhouden, dat bij botsende belangen afgewogen wordt welke van beiden – eigenaar of geburen – in redelijkheid kan verwachten dat de andere de inbreuk op zijn positie tolereert, mede gezien de verhouding tussen het belang van de één bij het gebruik en het belang van de ander bij de inbreuk opzijn positie.
De Hoge Raad1 overweegt:
‘De geburen die geen mede-eigenaren zijn van een buurweg als bedoeld in art. 719 BW, kunnen tegenover de eigenaren van de weg aan dit artikel geen verdergaande rechten ontlenen, dan dat de buurweg niet buiten hun toestemming vernietigd of verlegd mag worden en dat zij ook anderszins niet in het gebruik waarvoor de buurweg bestemd is, mogen worden belemmerd. Meer mag, voor wat betreft de rechten van anderen dan de eigenaren van de weg niet worden gelezen in de woorden van art. 719 dat buurwegen “niet tot een ander gebruik (mogen worden) gebezigd”. Er bestaat geen reden aan te nemen dat de wetgever de eigenaren tegenover de geburen die geen eigenaren zijn, zwaarder heeft willen belasten, dan wanneer hun erf belast zou zijn geweest met een erfdienstbaarheid van weg.’
De wet bevat geen bepaling omtrent het onderhoud van een buurweg. Gemeenschappelijk onderhoud vormt geen vereiste voor het bestaan van de buurweg.2
Uitgangspunt is dat het onderhoud van de weg voor rekening van de gebruikers komt.
Dit is anders indien bij de vestiging van de buurweg anders is bepaald. Eindigt het gebruik voor een van de gebruikers dan behoeft deze niet meer aan de kosten van onderhoud mee te betalen.3