Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.7:9.3.7 De wilsrechttheorie voorkomt niet dat er alsnog twee vorderingsrechten ontstaan
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.7
9.3.7 De wilsrechttheorie voorkomt niet dat er alsnog twee vorderingsrechten ontstaan
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648972:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wilsrechttheorie sec leidt er niet toe dat het de voornaamste oorzaak van 403-problemen volledig oplost wanneer wordt vastgehouden aan de opvatting dat een 403-verklaring leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid. Wanneer ervan uit wordt gegaan dat een 403-verklaring leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid wanneer het wilsrecht wordt uitgeoefend, dan ontstaat er alsnog een tweede zelfstandig vorderingsrecht. Daarmee speelt een groot deel van de 403-problemen alsnog op.1 Deze problemen zouden zich niet voordoen wanneer de wilsrechttheorie wordt gecombineerd met de opvatting dat de aanspraak die voortvloeit uit een 403-verklaring op één lijn kan worden gesteld met borgtocht. Bij borgtocht is het probleem van twee zelfstandige vorderingsrechten uitgesloten.
Een belangrijk probleem dat wordt veroorzaakt door het bestaan van twee zelfstandige vorderingsrechten, is het probleem dat deze in verschillende handen terechtkomen. Wibier stelt dat daarvoor een oplossing mogelijk is binnen het wettelijke systeem:2
“In het vervolg van deze bijdrage zal blijken dat het goederenrecht voldoende instrumenten biedt om te voorkomen dat de vorderingen uit hoofde van de 403-verklaring en de vordering op de 403-vennootschap in verschillende handen terechtkomen, ook zonder de rechten jegens Holding N.V. aan te merken als rechten die afhankelijk zijn van de vordering op Werkmaatschappij B.V. Met andere woorden: het wenselijke resultaat kan worden bereikt binnen het bestaande wettelijke systeem. In het vervolg van deze bijdrage zal worden aangetoond hoe.”
Hierna zal bekeken worden of deze stelling van Wibier houdbaar is. Allereerst dient te worden geconstateerd dat ook met de wilsrechttheorie van Wibier een tweede vorderingsrecht ontstaat:
“Het is van belang om te onderscheiden tussen de rechten die schuldeisers van Werkmaatschappij B.V. (mits hun vordering voortvloeit uit rechtshandelingen) jegens Holding N.V. kunnen ontlenen aan de 403-verklaring en de vorderingen die deze schuldeisers jegens Holding N.V. kunnen instellen. Zoals bleek is het deponeren van een 403-verklaring te beschouwen als een eenzijdige rechtshandeling waaruit rechtstreeks aansprakelijkheid van Holding N.V. ontstaat. Dat betekent echter nog niet dat met het enkele deponeren van de verklaring (en het ontstaan van een door de verklaring gedekte schuld van Werkmaatschappij B.V.) reeds een vorderingsrecht jegens Holding N.V. in het leven wordt geroepen voor de schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. Daarvoor moet de eenzijdige aansprakelijkheidsverklaring van Holding N.V. eerst nog worden geaccepteerd door de schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. Dat vloeit voort uit de contractvrijheid. Anders dan voor het ontstaan van een vordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad, ontstaat de vordering op Holding N.V. pas nadat de aansprakelijkheid wordt geaccepteerd. Het is niet mogelijk een schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. tegen zijn zin een dergelijke vordering toe te kennen. Het verschil met de schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad is dat die laatste vordering rechtstreeks uit de wet voortvloeit terwijl de vordering uit hoofde van een 403-verklaring een contractuele grondslag heeft.”
Een en ander wordt niet anders doordat de additionele aanspraak jegens Holding N.V. in beginsel louter voordelen voor de relevante schuldeiser zal meebrengen. Ook een voordeel kan niet aan een (beoogde) wederpartij worden opgedrongen. Dat de vordering op Holding N.V. niet onmiddellijk met de vordering op Werkmaatschappij B.V. ontstaat volgt overigens ook uit het feit dat niet ondenkbaar is dat de schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. niet eens op de hoogte is van het bestaan van een 403-verklaring. Voor gebondenheid van Holding N.V. jegens een schuldeiser van de dochter lijkt mij een conditio sine qua non dat de betreffende schuldeiser ten minste op de hoogte is van de inhoud van de gedeponeerde 403-verklaring. Dat de vordering op de consoliderende rechtspersoon pas na acceptatie van de aansprakelijkstelling ontstaat, volgt uit het voor het contractenrecht en de contractvrijheid belangrijke autonomiebeginsel. Partijen kunnen desgewenst een contractuele relatie aangaan, maar zij kunnen er ook voor kiezen met een bepaalde partij juist geen contractuele relatie aan te gaan. Het beginsel komt op diverse plaatsen terug in ons vermogensrecht. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan (zie art. 6:217 lid 1 BW). Ook indien de overeenkomst voor de aanvaardende partij zeer voordelig is of louter rechten en geen verplichtingen in het leven roept, blijft de aanvaarding een constitutief vereiste. Een derdenbeding leidt, ook indien het voor de derde louter voordelen met zich meebrengt, pas tot een vordering van de derde jegens de stipulant nadat het is aanvaard (art. 6:253 lid 1 BW).”
De visie van Wibier is helder. Voor het ontstaan van een vorderingsrecht is vereist dat het aanbod dat door een consoliderende rechtspersoon wordt gedaan met een 403-verklaring dient te worden geaccepteerd alvorens een 403-vordering ontstaat. Maar eenmaal aanvaard, is het tweede zelfstandige vorderingsrecht alsnog ontstaan met alle problemen van dien.