Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.5.3.2
16.5.3.2 Bekendheid met de materie waarmee de (aan de desbetreffende vennootschap verbonden) ondernemingen zich bezighouden
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363687:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Cornelissen.
Zie bijvoorbeeld ARO 2003/177, ARO 2004/56, ARO 2004/59, ARO 2005/99, ARO 2008/9,ARO 2008/52, ARO 2008/175 en 176, ARO 2009/3, ARO 2009/106, ARO 2009/124 en ARO 2009/139. Daarnaast trad Cornelissen regelmatig op als tijdelijke beheerder en in mindere mate als tijdelijke commissaris. Daarvoor was Cornelissen raadsheer in het ondernemingskamer.
Volgens Croiset van Uchelen (2008, p. 208) acht dit ook wenselijk.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 20 december 2012, ARO 2013/23 (Rosenberg Van der Does) en 26 november 2015, JOR 2016/32 m.nt. Holtzer (ZED+).
Dat de bekendheid met de materie waarmee de (aan de desbetreffende vennootschappen verbonden) ondernemingen zich bezighouden het functioneren van tijdelijke bestuurders beïnvloedt, kan inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van de bijdrage van Cornelissen aan het liber amicorum voor Willems.1 Daarin schetst hij een beeld hoe hij opereerde als tijdelijk bestuurder, een functie die hij vaak vervulde.2 Hij stelt dat hij niet bekend was met de materie waarmee de (aan de desbetreffende vennootschappen verbonden) ondernemingen zich bezighielden. Dat loste hij op door gebruik te maken van de overige bestuurders, ook als deze geschorst of ontslagen zijn, of van bedrijfsleiders. Aan hen liet Cornelissen de leiding over alles wat met het dagelijks bedrijfsproces te maken heeft.3 Hij liet zich daarover geregeld informeren en eventuele controversiële punten dienden met hem te worden besproken.
Feitelijk heeft deze manier van opereren wel wat weg van een niet-uitvoerende bestuurder van een vennootschap met een zogeheten one-tier board, met als belangrijk verschil dat de uitvoerenden geen zeggenschap hebben. Deze praktijk komt vaker voor en wordt ook gesanctioneerd door de ondernemingskamer.4 Het is voorts moeilijk voorstelbaar hoe Cornelissen anders had moeten opereren. Als hij het heft meer in handen had genomen, zou dat de bedrijfsvoering waarschijnlijk niet te goede zijn gekomen.
Dat zou anders zijn geweest, indien Cornelissen eerder bestuurder was geweest van een vergelijkbare onderneming. In dat geval bestaan er geen praktische bezwaren tegen dat de tijdelijke bestuurder zich intensief bemoeit met de dagelijkse gang van zaken.