De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/6.1:6.1 Inleiding
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS387521:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het onderscheid tussen ‘beslissingsbevoegd’ en ‘besluit’ enerzijds en ‘constateringsbevoegd’ en ‘constatering’ anderzijds is hier van groot belang, nu een besluit op grond van artikel 2:14 respectievelijk artikel 2:15 BW nietig kan worden bevonden respectievelijk worden vernietigd, terwijl dat bij een constatering niet mogelijk is.
Zie o.a. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 325 en Schwarz, Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:107a BW, aant. 5, Deventer: Kluwer 2010.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij ontbinding van BV’s kunnen drie actoren in beeld komen: de algemene vergadering, de Kamer van Koophandel en de rechter.
In geval van een turboliquidatie als ontbindingsvorm van de BV, dient niet alleen een ontbindingsbesluit te worden genomen, maar dient ook geconstateerd te worden dat de BV op het tijdstip van ontbinding geen baten en mijns inziens ook geen schulden meer heeft. In de tweede volzin van artikel 2:19 lid 4 BW valt te lezen dat indien de BV op het tijdstip van ontbinding geen baten meer heeft, het bestuur daarvan opgaaf doet aan het handelsregister waar de BV is ingeschreven. In de wet ontbreekt een expliciete bevoegdheidsgrondslag voor de constatering dat de BV geen baten meer heeft ten tijde van ontbinding. Immers, het bestuur wordt wel aangewezen als het orgaan dat opgaaf doet van een dergelijk besluit, maar niet als het ‘beslissingsbevoegde’ (of beter gezegd: het ‘constateringsbevoegde’)1 orgaan. De vraag naar het constateringsbevoegde orgaan en de bevoegdheidsgrondslag kan vanuit twee perspectieven worden benaderd.
Allereerst kan ik me voorstellen dat men betoogt dat uit de tweede volzin van artikel 2:19 lid 4 BW impliciet volgt dat het bestuur het constateringsbevoegde orgaan is en dat onderhavig artikel dus ook de bevoegdheidsgrondslag is. Daar tegenover kan worden gesteld dat artikel 2:19 lid 1 sub a BW de algemene vergadering dwingend de bevoegdheid verleent het ontbindingsbesluit te nemen. Hieruit zou impliciet kunnen volgen dat de algemene vergadering ook het orgaan dient te zijn dat de daaropvolgende constatering – de constatering omtrent het al dan niet bestaan van baten ten tijde van ontbinding – doet. Hiervoor kan worden aangevoerd hetgeen is bepaald en geschreven in respectievelijk over artikel 2:107a lid 1 BW:
‘Aan de goedkeuring van de algemene vergadering zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of onderneming.’
Hoewel dit artikel geschreven is voor de NV en een soortgelijk artikel voor de BV ontbreekt, wordt algemeen aangenomen dat artikel 2:107a BW analoog van toepassing is op de BV.2 Hoewel het gaat om een constatering en niet om een besluit, is artikel 2:107a BW mijns inziens ook op deze situatie van toepassing, nu aan de constatering omtrent het al dan niet bestaan van baten een rechtsgevolg is gekoppeld: de ontbinding zonder vereffening.
Daarnaast kan de opvatting dat het aan de algemene vergadering is om de constatering omtrent het al dan niet bestaan van baten ten tijde van de ontbinding te doen, worden aangenomen op grond van het bepaalde in artikel 2:217 lid 1 BW:
‘Aan de algemene vergadering behoort, binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid, die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend.’
Zoals gezegd, bestaat geen wettelijke bevoegdheidsgrondslag inzake de constatering van het bestuur omtrent het ontbreken van baten ten tijde van ontbinding van een BV. Dit zou – aldus artikel 2:217 lid 1 BW – meebrengen dat deze bevoegdheid toekomt aan de algemene vergadering.
Hierna zal allereerst de vraag naar het constateringsbevoegde orgaan en de bevoegdheidsgrondslag worden beantwoord met behulp van een jurisprudentieonderzoek (paragraaf 6.2). Het antwoord op de vraag naar het constateringsbevoegde orgaan en de juridische juistheid daarvan is echter geen eenvoudige. Dit heeft te maken met het feit dat het antwoord op deze vraag in feite ziet op de verhouding tussen het bestuur en de algemene vergadering, welk onderwerp zeer interessante deelonderwerpen bevat. Teneinde inzicht te verkrijgen in het antwoord op de vraag of het in de jurisprudentie ontwikkelde standpunt betreffende het constateringsbevoegde orgaan een juist en juridisch verantwoord standpunt is, wordt vervolgens in paragraaf 6.3 ingegaan op de verhouding tussen het bestuur en de aandeelhouders. In paragraaf 6.4 zal de bescherming van de schuldeisers aan bod komen. Daarna wordt ingegaan op de rol van de Kamer van Koophandel en daarmee ook het handelsregister (paragraaf 6.5). In paragraaf 6.6 wordt ten slotte een aantal aanbevelingen gedaan.