Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.7.3.2
III.7.3.2 Bange bestuurders in het bestuursrecht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460294:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit argument werd voor het eerst door de Hoge Raad genoemd in HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. Maeijer & Snijders (Willemsen/NOM), r.o. 5.3, en is herhaald in onder meer HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2. Dit argument is te herleiden tot de invloedrijke oratie van Kroeze, in Kroeze 2005. Zie voor verdere toelichting op dit argument par. IV.3.4, en voorts Bleeker 2020a en Bleeker 2020b.
Kroeze 2006, par. 5.
Van Bekkum 2013b, par. 4.4; Roth 2013, par. 6.
Par. IV.3.4.3.
Bijvoorbeeld Bröring & De Valk 2011 over bestuurdersaansprakelijkheid: “inderdaad loopt het op dit moment nog niet storm”; Van Bekkum erkent dat de door hem aangehaalde uitspraken geen onbevredigende uitkomst hebben, omdat in vrijwel alle bestudeerde gevallen de bestuurder een persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Van Bekkum maakt zich wel zorgen om de motivering in de aangehaalde zaken, Van Bekkum 2013b, par. 5.1-5.3; Zie ook de reactie van Daalder op Roth, waarin hij stelt dat de boetelingen voor wie Roth het opneemt geen lieverdjes zijn, ze zouden welbewust de grens opzoeken en overschrijden, Daalder 2013. Zie voorts het preadvies van Dusée & Overbeek 2019, par. 3.3 en par. 8, waarin zij tot de conclusie komen dat er in het economische bestuursrecht geen sprake is van risicoaansprakelijkheid is, en dat boos opzet – hoewel niet vereist – vaak wel aan de orde is.
Dit licht ik nader toe in par. II.7.3.
Zie daaromtrent par. IV.3.4.4-IV.3.4.5.
In het privaatrechtelijke hoofdstuk komt dit argument aan bod in par. IV.3.4.7.
Zie hieromtrent ook wat Scheltema schrijft over de ‘functies van bestuursrechtelijke aansprakelijkheid. Scheltema 2017, par. 3.
In vergelijkbare zin: Karapetian & Verstijlen 2020, p. 226.
Zie over de validiteit en betekenis van dit argument in het strafrecht en het privaatrecht respectievelijk par. II.7.3 en par. IV.3.4.
Het belangrijkste argument dat in het ondernemingsrechtelijke discours voor de aanvullende bescherming van bestuurders wordt gehanteerd, is het zogeheten ‘bange bestuurders’-argument.1 Het argument komt erop neer, dat (te) veel aansprakelijkheid ertoe leidt dat bonafide bestuurders zich onwenselijk risicomijdend zullen gedragen. In de woorden van Kroeze: “Bestuurders kunnen terugdeinzen voor risicovolle, maar potentieel zeer winstgevende beslissingen en kiezen voor de veiliger, maar minder winstgevende weg.”2 Al met al zou (te) vergaande aansprakelijkheid onwenselijke bijwerkingen hebben op het functioneren van bestuurders. Met de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf wordt beoogd bestuurders aanvullend te beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkheid en zo onwenselijk defensief gedrag te voorkomen. Het bange bestuurders-argument speelt ook een prominente rol in de argumentatie van degenen die pleiten voor de aanvullende bescherming van bestuurders in het bestuursrecht.3
In het privaatrechtelijke hoofdstuk komt het bange bestuurders-argument uitvoerig aan bod, en daar kom ik tot de conclusie dat dit specifieke argument leunt op een aantal empirisch onjuiste en logisch incorrecte aannames. Ik wijs er onder meer op dat bonafide bestuurders niet bang hoeven te zijn voor het ‘gewone’ aansprakelijkheidsregime van artikel 6:162 BW.4 Zoals hiervoor toegelicht in paragraaf III.7.2 ligt dit in het bestuursrecht iets anders, maar bij een correcte toepassing van het bestuursrechtelijke overtredersbegrip, hoeven bonafide bestuurders in het bestuursrecht niet te vrezen voor excessieve aansprakelijkheid. Overigens wordt ook bij de huidige stand van zaken de soep niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend: ook voorstanders van de invoering van een hogere aansprakelijkheidsdrempel voor bestuurders erkennen dat het “nog niet stormloopt”5 met de bestuursrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheid. Maar ook als dit anders zou zijn, is de (te) ruime invulling van het bestuursrechtelijke overtredersbegrip geen reden om een apart, restrictief aansprakelijkheidsregime voor bestuurders van rechtspersonen op te tuigen: de door de wetgever beoogde aansluiting van het overtredersbegrip bij de strafrechtelijke daderschapsvormen zal ook voor bestuurders van rechtspersonen een passende aansprakelijkheidsdrempel opleveren.6
Daarnaast wijs ik er in het privaatrechtelijke hoofdstuk op dat eventuele angst van bestuurders voor persoonlijke aansprakelijkheid niet correspondeert met de werkelijke aansprakelijkheidsrisico’s, en dat er geen bewijs is dat bestuurders zich daadwerkelijk anders gedragen vanwege angst voor persoonlijke aansprakelijkheid.7 Dit doet vermoeden dat het verhogen van de bestuursrechtelijke aansprakelijkheidsdrempel niet het beoogde gedragsveranderende effect zal hebben bij bestuurders van rechtspersonen.8 Ook daarom ligt het niet voor de hand om de ernstig verwijtdrempel toe te passen in het bestuursrecht.
Maar zelfs als (de dreiging van) bestuursrechtelijke aansprakelijkheid wegens het schenden van milieuvoorschriften wél ertoe zou leiden dat bestuurders van rechtspersonen defensiever gaan handelen, dan is dit alsnog niet altijd problematisch.9 Als het gaat om het aannemen van nieuwe opdrachten of het doen van investeringen is best te verdedigen dat bestuurders in een aansprakelijkheidsluwe omgeving mogen opereren zodat zij “niet terugdeinzen voor risicovolle, maar potentieel zeer winstgevende beslissingen”. Maar als het gaat om het milieubeleid en het toezien op de milieuimpact van de onderneming, lijkt het me helemaal geen gek idee als bestuurders voorzichtiger te werk gaan. Zoals ik ook elders opmerk: het vinden van een verantwoorde omgang met het milieu is één van de centrale uitdagingen van deze tijd. Ondernemingen kunnen enorme, soms onomkeerbare schade aanrichten aan het milieu. Dus voor wat betreft de naleving van milieuvoorschriften is het niet onwenselijk als bestuurders “kiezen voor de veiliger, maar minder winstgevende weg”.
In het verlengde van het vorige punt, kan tegen aanvullende bescherming van bestuurders in het milieurecht in stelling worden gebracht dat de handhaving van het milieurecht effectief moet zijn. De naleving van de milieunormen is een randvoorwaarde voor een adequate omgang met het milieu. Als de normen niet nageleefd worden, moet er een stok zijn om mee te slaan, en een verantwoordelijke om te slaan. In het milieurecht zijn, ingevolge het brede drijversbegrip, naast de rechtspersoon ook natuurlijke personen met zeggenschap over de bedrijfsvoering verplicht tot de naleving van die normen. Als er een milieuovertreding wordt vastgesteld, dan zijn leidinggevenden mijns inziens bij uitstek geschikte geadresseerden voor een bestuurlijke sanctie, omdat een rechtspersoon niet zijn eigen milieubeleid kan schrijven: het zijn uiteindelijk natuurlijke personen die de overtreding kunnen voorkomen en eventueel beëindigen.10 Het verhogen van de aansprakelijkheidsdrempel kan de effectiviteit van het milieubestuursrecht daarom in de weg staan.
Al met al kan het bange bestuurders-argument (ook11) in het bestuursrecht niet rechtvaardigen dat bestuurders van rechtspersonen aanvullend worden beschermd tegen aansprakelijkheid, laat staan dat de ernstig verwijt-maatstaf wordt toegepast.