Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/8.1.2:8.1.2 Onderzoeksvragen en hoofdstukindeling: Deel B (Onderzoek en analyse)
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/8.1.2
8.1.2 Onderzoeksvragen en hoofdstukindeling: Deel B (Onderzoek en analyse)
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940792:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na dit hoofdstuk volgt de thematische behandeling van het bewijsrecht zoals dat geldt voor de fiscale bestuurlijke boete. Deze thematische behandeling is opgenomen in de hoofdstukken 9 tot en met 16, die tezamen Deel B (Onderzoek en analyse) van dit onderzoek vormen. In deze kernhoofdstukken behandel ik de bewijsregels in fiscale bestuurlijke boetezaken steeds per deelgebied van het bewijsrecht, waarbij elk deelgebied in een afzonderlijk hoofdstuk wordt uitgewerkt. Het algemene fiscale bewijsrecht zoals dat in hoofdstuk 7 is beschreven, dient daarbij als uitgangspunt. Voor een compleet beeld kunnen de volgende paragrafen en hoofdstukken in samenhang worden gelezen:
Deelgebied van het bewijsrecht:
Algemene fiscale bewijsrecht:
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken:
Bewijslastverdeling
Paragraaf 7.3.4
Hoofdstuk 9
Bewijsmiddelen
Paragraaf 7.3.5
Hoofdstuk 10
Bewijsgaring
Paragraaf 7.3.6
Hoofdstuk 11
Bewijsvoering
Paragraaf 7.3.7
Hoofdstuk 12
Gradaties van bewijskracht
Paragraaf 7.3.8
Hoofdstuk 13
Keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen
Paragraaf 7.3.9
Hoofdstuk 14
Procesrechtelijke aspecten
Paragraaf 7.3.10
Hoofdstuk 15
Omkering van de bewijslast
Paragraaf 7.4
Hoofdstuk 16
De kernvraag in de hoofdstukken 9 tot en met 16 is allereerst:
Welke specifieke rechtsregels gelden er voor het bewijs ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete, en in hoeverre wijken deze af van het algemene fiscale bewijsrecht?
Deze kernvraag komt overeen met de tweede en de derde onderzoeksvraag (zie paragraaf 2.2.2.3):
2. Hoe ziet het Nederlandse bewijsrecht ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete eruit op de diverse deelgebieden?
3. Welke overeenkomsten en verschillen bestaan er naar nationaalrechtelijke maatstaven tussen het algemene fiscale bewijsrecht en het bewijsrecht ten aanzien van de fiscale bestuurlijke boete op de diverse deelgebieden?
Daarnaast staan in de hoofdstukken 9 tot en met 16 de vierde en de vijfde onderzoeksvraag centraal (zie paragraaf 2.2.2.3):
4. In welke opzichten is het bewijsrecht zoals dat naar nationaalrechtelijke maatstaven op de diverse deelgebieden voor de fiscale bestuurlijke boete geldt, niet in overeenstemming met de eisen die daaraan op grond van de door art. 6 EVRM gegarandeerde waarborgen worden gesteld?
5. Welke verbeteringen zijn noodzakelijk om het bewijsrecht zoals dat naar nationaalrechtelijke maatstaven op de diverse deelgebieden voor de fiscale bestuurlijke boete geldt, in overeenstemming te brengen met de eisen van art. 6 EVRM?
Deze onderzoeksvragen worden bij de uitwerking opnieuw onderverdeeld in de deelvragen zoals ik die in paragraaf 7.1 heb onderscheiden, welke deelvragen corresponderen met de verschillende deelgebieden van het bewijsrecht. Ik behandel deze onderzoeksvragen dus per deelgebied van het bewijsrecht, volgens de hierboven weergegeven hoofdstukindeling.
In elk van de hoofdstukken komt zo doende aan de orde welke specifieke rechtsregels er op het betreffende deelgebied gelden voor het bewijs van de fiscale bestuurlijke boete en in hoeverre deze regels afwijken van het algemene fiscale bewijsrecht. Daarnaast ga ik telkens na of en in hoeverre het bewijsrecht op het betreffende deelgebied in lijn is met hetgeen op grond van de waarborgen gegarandeerd door art. 6 EVRM mag worden verwacht. Daarbij maak ik in het bijzonder duidelijk in welke opzichten dat niet het geval is. Voor zover er lacunes aan het licht komen, doe ik suggesties voor verbetering.
In dit hoofdstuk sta ik in paragraaf 8.2 eerst nog kort stil bij de rechtsbronnen die ik bij de beantwoording van deze onderzoeksvragen heb geraadpleegd. Ten slotte maak ik in paragraaf 8.3 omwille van de leesbaarheid nog een opmerking vooraf over gradaties van bewijskracht.