T&C Rv, commentaar op art. 809 Rv:Horen van minderjarigen
T&C Rv, commentaar op art. 809 Rv
Horen van minderjarigen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
R.Y. Nauta, actueel t/m 01-03-2026
Actueel t/m
01-03-2026
Tijdvak
01-01-2015 tot: -
Auteur
R.Y. Nauta
Vindplaats
T&C Rv, commentaar op art. 809 Rv
Vakgebied(en)
Corona (V)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
De oude bepalingen omtrent het horen van minderjarigen (art. 902b Rv (oud)) en hen wiens curatele, bewind of mentorschap het betreft (art. 885 lid 2, 895 lid 2 en 899b lid 2 Rv (oud)) zijn sterk vereenvoudigd en in het onderhavige artikel neergelegd. Alhoewel art. 809 algemener is geformuleerd en is geplaatst in een afdeling over alle zaken van personen- en familierecht, is geen wijziging van het karakter en de inhoud van art. 902b Rv (oud) beoogd (MvA, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 6, p. 16). Alleen het voorschrift met betrekking tot het horen van een minderjarige jonger dan zestien jaar in kinderalimentatiezaken is veranderd. Art. 809 strekt mede tot uitvoering van art. 12 lid 1 IVRK en art. 21 Brussel II-ter (PbEU 2019, L 178; MvT, Kamerstukken 2020/21, 35888, 3, p. 4). In kinderontvoeringszaken rust op de rechter eveneens de verplichting een minderjarige de mogelijkheid te bieden om zijn mening te geven over zijn eventuele terugkeer (zie EHRM 9 september 2025, ECLI:CE:ECHR:2025:0909JUD000206824, RFR 2026/1). Zie in dat verband ook art. 799a dat het hoorrecht van de minderjarige waarborgt.
Buiten Nederland
Anders dan art. 802, dat expliciet alleen betrekking heeft op in Nederland verblijvende personen (zie art. 802, aant. 2 onder d), is art. 809 niet beperkt tot de in Nederland verblijvende minderjarigen. Het wordt aan de rechter overgelaten te bepalen op welke wijze buiten Nederland verblijvende minderjarigen hem hun mening kenbaar kunnen maken (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 14; zie ook aant. 3 onder a voor wat betreft de reikwijdte van de zinsnede ‘op een door hem te bepalen wijze’).
2. Horen van minderjarigen (lid 1)
a. Hoofdregel
Al naar gelang de aard van de zaak en de leeftijd van de minderjarige is de rechter al dan niet verplicht de minderjarige in de gelegenheid te stellen hem zijn mening kenbaar te maken alvorens te beslissen. Het eerste lid van art. 809 kan als volgt worden geschematiseerd:
Aard van de zaak
Rechter moet minderjarige in de gelegenheid stellen
Rechter mag minderjarige in de gelegenheid stellen
Kinderalimentatie
16 jaar en ouder
Jonger dan 16 jaar
Andere zaken betreffende minderjarigen
12 jaar en ouder
Jonger dan 12 jaar
Voor het begrip ‘zaken betreffende minderjarigen’ zij verwezen naar art. 808. De leeftijdsgrenzen zijn niet strikt, maar vanaf twaalf jaar moet een minderjarige zeker worden gehoord. Onder die leeftijd is de rechter daartoe niet verplicht en behoeft hij zijn beslissing om hem niet te horen niet te motiveren, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in deze op art. 1:253t lid 5 BW gestoelde procedure geen sprake was (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0204, NJ 2003/198). In het WODC-onderzoek ‘Kind in proces: van communicatie naar effectieve participatie’ uit 2020, wordt overigens bepleit de ondergrens waarop het direct horen zou kunnen plaatsvinden van twaalf jaar naar acht jaar te verlagen. In de 15e versie van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven is aan dit pleidooi gehoor gegeven door art. 2.4.9 in die zin te wijzigen. Vanaf 1 januari 2026 worden kinderen van acht jaar en ouder daadwerkelijk voor het kindgesprek uitgenodigd. Per 1 juli 2025 is de leeftijdsgrens in de procesreglementen van de rechtbank eveneens naar beneden bijgesteld. Zie bijvoorbeeld art. 6 Procesreglement adoptie en overige (Boek 1)zaken. De grens van zestien jaar in kinderalimentatiezaken is gekozen in verband met art. 33 Wet op de Studiefinanciering (NV, Kamerstukken I 1993/94, 22487, 297b, p. 2). De minderjarige van zestien of zeventien jaar mag ingevolge art. 811 lid 1 ook de nodige gegevens inzien (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 13). Op bovenstaand schema zijn twee wettelijke uitzonderingen, te vinden in art. 809 lid 1 (zie hierna onder b) en lid 3 (zie aant. 5). Daarnaast is in de rechtspraak een drietal buitengerechtelijke uitzonderingen geformuleerd (zie aant. 3 onder b). Art. 827 lid 2 verklaart art. 809 lid 1 eveneens van toepassing op de nevenvoorzieningen die de minderjarige kinderen der echtgenoten betreffen.
b. Uitzondering: zaak van kennelijk ondergeschikt belang
De rechter hoeft de minderjarige niet te horen wanneer het naar zijn oordeel een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. Door opneming van het begrip ‘kennelijk ondergeschikt belang’ wordt de opsomming van het oude art. 902b lid 1 overbodig en past de gekozen opzet in het kader van uniformering en vereenvoudiging (MvA, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 6, p. 16-17). Niet beoogd is de aldaar geregelde uitzonderingsmogelijkheid te verruimen, zodat de in art. 902b (oud) genoemde gevallen als leidraad kunnen dienen. Van een oproep van een minderjarige kan derhalve worden afgezien, indien de zaak:
a.
strekt tot benoeming van een bijzonder curator ingevolge (de oude art. 1:199 en 1:226 BW, thans) art. 1:212 BW en 1:250 BW;
b.
strekt tot ontslag van de voogdij in de gevallen bedoeld in art. 1:322 lid 1 onderdeel a en b en lid 2 BW, alsmede in art. 1:324 BW;
c.
strekt tot ontslag van de voogdij op grond van art. 1:322 lid 1 onderdeel c BW;
d.
alleen het bewind van ouders en voogden betreft en niet strekt tot toepassing van de art. 1:345, 1:346, 1:348-351, 1:353, 1:356 en 1:370 BW.
3. Wat houdt het horen van art. 809 in? (leden 1 en 4)
a. In de gelegenheid stellen (lid 1)
In familiezaken betreffende minderjarigen moet in bepaalde gevallen (zie aant. 2) de minderjarige in beginsel in de gelegenheid gesteld worden zijn mening kenbaar te maken. Dit geldt ook indien het horen van de minderjarige naar het oordeel van de rechter niet tot een andere beslissing zal leiden (HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1084, NJ 2014/24). De rechter hoeft de minderjarige niet daadwerkelijk te horen (zie ook de gevolgde conclusie van de P-G op 28 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:80). Hij zal de jeugdige persoon op diens hoorrecht moeten attenderen, bijvoorbeeld door hem op te roepen. Volgens de procesreglementen wordt dit ook gedaan indien partijen het eens zijn, indien reeds een schriftelijke verklaring van de betreffende minderjarige(n) is overgelegd en in zaken waarin een bijzondere curator voor de minderjarige is benoemd (art. 6 Procesreglement adoptie en overige (Boek 1)zaken). Dit minderjarigenverhoor is niet altijd mondeling. Art. 6.1 Procesreglement alimentatie en bijstandsverhaal gaat uit van een schriftelijk verhoor, zij het dat een mondeling verhoor, het zogenaamde kindgesprek, niet is uitgesloten. De minderjarige wordt in beginsel afzonderlijk gehoord en van dit verhoor wordt geen proces-verbaal opgemaakt. Anders dan voorheen, blijft hetgeen tijdens dit gesprek aan de orde komt, niet langer binnenskamers, maar geeft de rechter tijdens de mondelinge behandeling kort en zakelijk weer wat de minderjarige mondeling dan wel schriftelijk heeft verklaard. Van de brieven van de minderjarige wordt geen kopie verstrekt. Het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven kent een gelijkluidende regeling (art. 2.4.9). Wanneer een minderjarige voor een mondeling verhoor is opgeroepen en niet ter terechtzitting verschijnt, bestaat de mogelijkheid hem tegen een nieuwe dag op te roepen. De zaak wordt aangehouden. Een verschijning ter zitting is niet per se vereist. Om het voor de minderjarige gemakkelijker te maken informatie te verschaffen is de rechter vrij in het bepalen van de wijze waarop en de plaats waar het kind gehoord moet worden. Volgens de letter van de wet zou de rechter alleen die vrijheid hebben bij het facultatief horen van een minderjarige. De bestaande praktijk en een redelijke wetsinterpretatie brengen evenwel mee dat deze bevoegdheid ook bestaat ten aanzien van het verplicht horen. Het komt regelmatig voor dat de jongere hetgeen hij ‘kwijt wil’ in een brief neerlegt en daarbij te kennen geeft niet op de zitting te zullen verschijnen. Voorts kan de rechter op deze manier een omgeving kiezen, die past bij de omstandigheden van het geval en de behoeften van de jongere.
b. Buitenwettelijke uitzonderingen
Op het uitgangspunt dat een minderjarige in beginsel het recht heeft in de gelegenheid te worden gesteld om zijn mening kenbaar te maken, bestaan naast de uitzonderingen van lid 1 en lid 3, nog een drietal uitzonderingen, waarvoor in HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1084,NJ 2014/24 kaders zijn gegeven. De rechter kan op de voet van art. 809 lid 1 jo. art. 802 er ook van afzien een minderjarige te horen, indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat
a.
de minderjarige wegens een ernstige lichamelijke of geestelijke stoornis niet in staat is zich een mening te vormen;
b.
de minderjarige niet wil worden gehoord; of
c.
te vrezen valt dat het bieden van die gelegenheid de gezondheid van de minderjarige zal schaden.
4. Horen in geval van curatele, onderbewindstelling en mentorschap (lid 2)
a. Art. 809 lid 1 van overeenkomstige toepassing
In de hier genoemde gevallen is de eerste volzin van art. 809 lid 1 ook van toepassing als het gaat om het horen van een onder curatele gestelde of te stellen persoon, van degene wiens goederen de onderbewindstelling betreft of van degene wiens mentorschap is verzocht of ingesteld. Al is betrokkene zelf verzoeker, dan nog moet de kantonrechter rechthebbende in de gelegenheid stellen om op zijn onderbewindstellingsverzoek te worden gehoord: Hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9106. De rechter is derhalve verplicht deze personen op te roepen, tenzij het naar zijn oordeel gaat om een zaak van kennelijk ondergeschikt belang. Bewust is afgezien van een opsomming van dergelijke zaken. In de parlementaire geschiedenis ontbreekt een verwijzing naar een oude bepaling, zoals art. 902b lid 1 Rv (zie aant. 2 onder b), zodat de invulling aan de praktijk is overgelaten. Voor de in het tweede lid genoemde gevallen geldt eveneens dat degene die buiten staat is zich naar de plaats van de terechtzitting te begeven in het algemeen door de rechter wordt bezocht op zijn of haar verblijfplaats (zie art. 802). De rechter hoort in beginsel betrokkene in fysieke aanwezigheid. Slechts in bijzondere omstandigheden is het horen via een videoverbinding toelaatbaar. Zijn bijzondere omstandigheden aanwezig, dan dient steeds het recht op een eerlijk proces te zijn gewaarborgd. Onderdeel daarvan is ongeziene beïnvloeding van betrokkene door anderen te voorkomen (HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:902, RvdW 2025/766). Dat van horen kan worden afgezien indien dit uit medisch oogpunt zinloos of onverantwoord is, staat niet in lid 2, nu dat uit de gekozen formulering van art. 809 lid 1 blijkt. In de woorden ‘in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening kenbaar te maken’ ligt besloten dat de rechter aan deze eis heeft voldaan, indien hem duidelijk is dat de betrokkene niet in staat is zijn mening kenbaar te maken (zie NEV, Kamerstukken II 1993/94, 22487, 9, p. 5-6; art. 802, aant. 2).
b. Op welke rechter rust de hoorplicht?
In lid 2 staan verschillende zaken onder één noemer gebracht, die echter niet altijd door dezelfde rechter werden behandeld. Door de herschikking van de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en kantonrechter (zie de Inleidende opmerkingen bij de Zesde titel van het Derde boek, aant. 3) geschiedt voortaan ook de ondercuratelestelling door de kantonrechter (art. 1:378 BW). Deze rechter was al de door art. 1:431 BW aangewezen persoon voor de onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen. Op hem rust eveneens de plicht tot het horen van de betrokkene in geval van de instelling van een mentorschap (art. 1:450 BW).
5. De uitzondering van lid 3: in geval van onmiddellijk en ernstig gevaar
Oorspronkelijk kende art. 809, net als art. 800, slechts twee leden (zie art. 800, aant. 8). Het derde lid werd in de loop van de parlementaire behandeling toegevoegd en betrof alleen de voorlopige ondertoezichtstelling (NvW, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 7, p. 1). Van de verplichting de minderjarige vooraf te horen mag worden afgezien, indien onmiddellijk en ernstig gevaar voor hem dreigt. In crisissituaties kan aldus een spoedeisende maatregel genomen worden, op voorwaarde dat de minderjarige binnen twee weken na het geven van de beschikking alsnog in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening kenbaar te maken. Bij niet vervulling van de voorwaarde verliest de beschikking van rechtswege haar kracht. Het betreft beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling (art. 1:257 BW), tot machtiging van de gecertificeerde instelling om een minderjarige uit huis te plaatsen (al dan niet in combinatie met een voorlopige ondertoezichtstelling; art. 1:265b BW) en tot voorlopige voogdij (art. 1:268 en 1:331 BW door de rechtbank en art. 1:241 BW door de kinderrechter). Door invoering van de wet van 12 maart 2014 (Stb. 130) strekt de uitzondering van lid 3 zich mede uit tot de beschikking van art. 1:265i lid 2 BW. Vermoedt de gecertificeerde instelling dat nalaten van ingrijpen in de feitelijke opvoedingssituatie ernstig nadeel oplevert voor de ontwikkeling van de minderjarige, dan kan het tot overplaatsing willen overgaan. Het nieuwe art. 1:265i BW geeft de pleegouders de mogelijkheid dit te blokkeren, maar de gecertificeerde instelling kan zich tot de kinderrechter wenden, die aanstonds een beschikking tot wijziging van verblijf kan geven (zie art. 800 lid 3, aant. 8). Zie ook art. 2.7Procesreglement Civiel Jeugdrecht. Met uitzondering van de beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling, die ten hoogste drie maanden geldt (art. 1:257 BW), staat hoger beroep tegen genoemde beschikkingen open (zie art. 806 en 807). De uitzondering van art. 809 lid 3 leent zich niet voor analoge of extensieve interpretatie (HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1991, NJ 2004/637). De schorsingsmogelijkheid van art. 1:264 lid 1, laatste zin, BW is dan ook geen maatregel waarover de kinderrechter analoog aan de art. 800 lid 3 en 809 lid 3 een spoedbeslissing kan nemen (HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88).
6. Voorgeleiding (lid 4)
De minderjarige zal niet zonder meer kunnen afzien van de ondervraging. In de visie van de wetgever kan de rechter zijn voorgeleiding door het Openbaar Ministerie gelasten. De in art. 902b lid 4 (oud) opgenomen bepaling dat bij niet-verschijnen de minderjarige tegen een nieuwe dag kan worden opgeroepen vond de wetgever zo vanzelfsprekend, dat zij was weggelaten (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 14). Daardoor was het maar de vraag of de in art. 813 lid 1 onderdeel a bedoelde voorgeleiding wel een wettelijke basis had. Bij de Reparatiewet I van 28 januari 1999 (Stb. 30, i.w.tr. 17 februari 1999, Stb. 40) is daar alsnog in voorzien door een nieuw vierde lid. Volgens de slotzin van art. 809 lid 4 kan de zaak zonder de minderjarige worden behandeld, indien deze wederom niet verschijnt. Overigens is de rechter niet verplicht de minderjarige, van wie duidelijk blijkt dat hij niet gehoord wenst te worden, te laten voorgeleiden (zie ook aant. 3 onder b). Art. 6.1.10 Jeugdwet en art. 7.1Procesreglement Civiel Jeugdrecht bepalen dit expliciet voor zaken waarin een machtiging plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg wordt verzocht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C Rv, commentaar op art. 809 Rv
Horen van minderjarigen
R.Y. Nauta, actueel t/m 01-03-2026
01-03-2026
01-01-2015 tot: -
R.Y. Nauta
T&C Rv, commentaar op art. 809 Rv
Corona (V)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
corona
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 809
1. Algemeen
De oude bepalingen omtrent het horen van minderjarigen (art. 902b Rv (oud)) en hen wiens curatele, bewind of mentorschap het betreft (art. 885 lid 2, 895 lid 2 en 899b lid 2 Rv (oud)) zijn sterk vereenvoudigd en in het onderhavige artikel neergelegd. Alhoewel art. 809 algemener is geformuleerd en is geplaatst in een afdeling over alle zaken van personen- en familierecht, is geen wijziging van het karakter en de inhoud van art. 902b Rv (oud) beoogd (MvA, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 6, p. 16). Alleen het voorschrift met betrekking tot het horen van een minderjarige jonger dan zestien jaar in kinderalimentatiezaken is veranderd. Art. 809 strekt mede tot uitvoering van art. 12 lid 1 IVRK en art. 21 Brussel II-ter (PbEU 2019, L 178; MvT, Kamerstukken 2020/21, 35888, 3, p. 4). In kinderontvoeringszaken rust op de rechter eveneens de verplichting een minderjarige de mogelijkheid te bieden om zijn mening te geven over zijn eventuele terugkeer (zie EHRM 9 september 2025, ECLI:CE:ECHR:2025:0909JUD000206824, RFR 2026/1). Zie in dat verband ook art. 799a dat het hoorrecht van de minderjarige waarborgt.
Buiten Nederland
Anders dan art. 802, dat expliciet alleen betrekking heeft op in Nederland verblijvende personen (zie art. 802, aant. 2 onder d), is art. 809 niet beperkt tot de in Nederland verblijvende minderjarigen. Het wordt aan de rechter overgelaten te bepalen op welke wijze buiten Nederland verblijvende minderjarigen hem hun mening kenbaar kunnen maken (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 14; zie ook aant. 3 onder a voor wat betreft de reikwijdte van de zinsnede ‘op een door hem te bepalen wijze’).
2. Horen van minderjarigen (lid 1)
a. Hoofdregel
Al naar gelang de aard van de zaak en de leeftijd van de minderjarige is de rechter al dan niet verplicht de minderjarige in de gelegenheid te stellen hem zijn mening kenbaar te maken alvorens te beslissen. Het eerste lid van art. 809 kan als volgt worden geschematiseerd:
Aard van de zaak
Rechter moet minderjarige in de gelegenheid stellen
Rechter mag minderjarige in de gelegenheid stellen
Kinderalimentatie
16 jaar en ouder
Jonger dan 16 jaar
Andere zaken betreffende minderjarigen
12 jaar en ouder
Jonger dan 12 jaar
Voor het begrip ‘zaken betreffende minderjarigen’ zij verwezen naar art. 808. De leeftijdsgrenzen zijn niet strikt, maar vanaf twaalf jaar moet een minderjarige zeker worden gehoord. Onder die leeftijd is de rechter daartoe niet verplicht en behoeft hij zijn beslissing om hem niet te horen niet te motiveren, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in deze op art. 1:253t lid 5 BW gestoelde procedure geen sprake was (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0204, NJ 2003/198). In het WODC-onderzoek ‘Kind in proces: van communicatie naar effectieve participatie’ uit 2020, wordt overigens bepleit de ondergrens waarop het direct horen zou kunnen plaatsvinden van twaalf jaar naar acht jaar te verlagen. In de 15e versie van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven is aan dit pleidooi gehoor gegeven door art. 2.4.9 in die zin te wijzigen. Vanaf 1 januari 2026 worden kinderen van acht jaar en ouder daadwerkelijk voor het kindgesprek uitgenodigd. Per 1 juli 2025 is de leeftijdsgrens in de procesreglementen van de rechtbank eveneens naar beneden bijgesteld. Zie bijvoorbeeld art. 6 Procesreglement adoptie en overige (Boek 1)zaken. De grens van zestien jaar in kinderalimentatiezaken is gekozen in verband met art. 33 Wet op de Studiefinanciering (NV, Kamerstukken I 1993/94, 22487, 297b, p. 2). De minderjarige van zestien of zeventien jaar mag ingevolge art. 811 lid 1 ook de nodige gegevens inzien (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 13). Op bovenstaand schema zijn twee wettelijke uitzonderingen, te vinden in art. 809 lid 1 (zie hierna onder b) en lid 3 (zie aant. 5). Daarnaast is in de rechtspraak een drietal buitengerechtelijke uitzonderingen geformuleerd (zie aant. 3 onder b). Art. 827 lid 2 verklaart art. 809 lid 1 eveneens van toepassing op de nevenvoorzieningen die de minderjarige kinderen der echtgenoten betreffen.
b. Uitzondering: zaak van kennelijk ondergeschikt belang
De rechter hoeft de minderjarige niet te horen wanneer het naar zijn oordeel een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. Door opneming van het begrip ‘kennelijk ondergeschikt belang’ wordt de opsomming van het oude art. 902b lid 1 overbodig en past de gekozen opzet in het kader van uniformering en vereenvoudiging (MvA, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 6, p. 16-17). Niet beoogd is de aldaar geregelde uitzonderingsmogelijkheid te verruimen, zodat de in art. 902b (oud) genoemde gevallen als leidraad kunnen dienen. Van een oproep van een minderjarige kan derhalve worden afgezien, indien de zaak:
strekt tot benoeming van een bijzonder curator ingevolge (de oude art. 1:199 en 1:226 BW, thans) art. 1:212 BW en 1:250 BW;
strekt tot ontslag van de voogdij in de gevallen bedoeld in art. 1:322 lid 1 onderdeel a en b en lid 2 BW, alsmede in art. 1:324 BW;
strekt tot ontslag van de voogdij op grond van art. 1:322 lid 1 onderdeel c BW;
alleen het bewind van ouders en voogden betreft en niet strekt tot toepassing van de art. 1:345, 1:346, 1:348-351, 1:353, 1:356 en 1:370 BW.
3. Wat houdt het horen van art. 809 in? (leden 1 en 4)
a. In de gelegenheid stellen (lid 1)
In familiezaken betreffende minderjarigen moet in bepaalde gevallen (zie aant. 2) de minderjarige in beginsel in de gelegenheid gesteld worden zijn mening kenbaar te maken. Dit geldt ook indien het horen van de minderjarige naar het oordeel van de rechter niet tot een andere beslissing zal leiden (HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1084, NJ 2014/24). De rechter hoeft de minderjarige niet daadwerkelijk te horen (zie ook de gevolgde conclusie van de P-G op 28 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:80). Hij zal de jeugdige persoon op diens hoorrecht moeten attenderen, bijvoorbeeld door hem op te roepen. Volgens de procesreglementen wordt dit ook gedaan indien partijen het eens zijn, indien reeds een schriftelijke verklaring van de betreffende minderjarige(n) is overgelegd en in zaken waarin een bijzondere curator voor de minderjarige is benoemd (art. 6 Procesreglement adoptie en overige (Boek 1)zaken). Dit minderjarigenverhoor is niet altijd mondeling. Art. 6.1 Procesreglement alimentatie en bijstandsverhaal gaat uit van een schriftelijk verhoor, zij het dat een mondeling verhoor, het zogenaamde kindgesprek, niet is uitgesloten. De minderjarige wordt in beginsel afzonderlijk gehoord en van dit verhoor wordt geen proces-verbaal opgemaakt. Anders dan voorheen, blijft hetgeen tijdens dit gesprek aan de orde komt, niet langer binnenskamers, maar geeft de rechter tijdens de mondelinge behandeling kort en zakelijk weer wat de minderjarige mondeling dan wel schriftelijk heeft verklaard. Van de brieven van de minderjarige wordt geen kopie verstrekt. Het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven kent een gelijkluidende regeling (art. 2.4.9). Wanneer een minderjarige voor een mondeling verhoor is opgeroepen en niet ter terechtzitting verschijnt, bestaat de mogelijkheid hem tegen een nieuwe dag op te roepen. De zaak wordt aangehouden. Een verschijning ter zitting is niet per se vereist. Om het voor de minderjarige gemakkelijker te maken informatie te verschaffen is de rechter vrij in het bepalen van de wijze waarop en de plaats waar het kind gehoord moet worden. Volgens de letter van de wet zou de rechter alleen die vrijheid hebben bij het facultatief horen van een minderjarige. De bestaande praktijk en een redelijke wetsinterpretatie brengen evenwel mee dat deze bevoegdheid ook bestaat ten aanzien van het verplicht horen. Het komt regelmatig voor dat de jongere hetgeen hij ‘kwijt wil’ in een brief neerlegt en daarbij te kennen geeft niet op de zitting te zullen verschijnen. Voorts kan de rechter op deze manier een omgeving kiezen, die past bij de omstandigheden van het geval en de behoeften van de jongere.
b. Buitenwettelijke uitzonderingen
Op het uitgangspunt dat een minderjarige in beginsel het recht heeft in de gelegenheid te worden gesteld om zijn mening kenbaar te maken, bestaan naast de uitzonderingen van lid 1 en lid 3, nog een drietal uitzonderingen, waarvoor in HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1084,NJ 2014/24 kaders zijn gegeven. De rechter kan op de voet van art. 809 lid 1 jo. art. 802 er ook van afzien een minderjarige te horen, indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat
de minderjarige wegens een ernstige lichamelijke of geestelijke stoornis niet in staat is zich een mening te vormen;
de minderjarige niet wil worden gehoord; of
te vrezen valt dat het bieden van die gelegenheid de gezondheid van de minderjarige zal schaden.
Zie voor een toetsing van die laatste grond HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1217, RvdW 2023/884.
4. Horen in geval van curatele, onderbewindstelling en mentorschap (lid 2)
a. Art. 809 lid 1 van overeenkomstige toepassing
In de hier genoemde gevallen is de eerste volzin van art. 809 lid 1 ook van toepassing als het gaat om het horen van een onder curatele gestelde of te stellen persoon, van degene wiens goederen de onderbewindstelling betreft of van degene wiens mentorschap is verzocht of ingesteld. Al is betrokkene zelf verzoeker, dan nog moet de kantonrechter rechthebbende in de gelegenheid stellen om op zijn onderbewindstellingsverzoek te worden gehoord: Hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9106. De rechter is derhalve verplicht deze personen op te roepen, tenzij het naar zijn oordeel gaat om een zaak van kennelijk ondergeschikt belang. Bewust is afgezien van een opsomming van dergelijke zaken. In de parlementaire geschiedenis ontbreekt een verwijzing naar een oude bepaling, zoals art. 902b lid 1 Rv (zie aant. 2 onder b), zodat de invulling aan de praktijk is overgelaten. Voor de in het tweede lid genoemde gevallen geldt eveneens dat degene die buiten staat is zich naar de plaats van de terechtzitting te begeven in het algemeen door de rechter wordt bezocht op zijn of haar verblijfplaats (zie art. 802). De rechter hoort in beginsel betrokkene in fysieke aanwezigheid. Slechts in bijzondere omstandigheden is het horen via een videoverbinding toelaatbaar. Zijn bijzondere omstandigheden aanwezig, dan dient steeds het recht op een eerlijk proces te zijn gewaarborgd. Onderdeel daarvan is ongeziene beïnvloeding van betrokkene door anderen te voorkomen (HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:902, RvdW 2025/766). Dat van horen kan worden afgezien indien dit uit medisch oogpunt zinloos of onverantwoord is, staat niet in lid 2, nu dat uit de gekozen formulering van art. 809 lid 1 blijkt. In de woorden ‘in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening kenbaar te maken’ ligt besloten dat de rechter aan deze eis heeft voldaan, indien hem duidelijk is dat de betrokkene niet in staat is zijn mening kenbaar te maken (zie NEV, Kamerstukken II 1993/94, 22487, 9, p. 5-6; art. 802, aant. 2).
b. Op welke rechter rust de hoorplicht?
In lid 2 staan verschillende zaken onder één noemer gebracht, die echter niet altijd door dezelfde rechter werden behandeld. Door de herschikking van de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en kantonrechter (zie de Inleidende opmerkingen bij de Zesde titel van het Derde boek, aant. 3) geschiedt voortaan ook de ondercuratelestelling door de kantonrechter (art. 1:378 BW). Deze rechter was al de door art. 1:431 BW aangewezen persoon voor de onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen. Op hem rust eveneens de plicht tot het horen van de betrokkene in geval van de instelling van een mentorschap (art. 1:450 BW).
5. De uitzondering van lid 3: in geval van onmiddellijk en ernstig gevaar
Oorspronkelijk kende art. 809, net als art. 800, slechts twee leden (zie art. 800, aant. 8). Het derde lid werd in de loop van de parlementaire behandeling toegevoegd en betrof alleen de voorlopige ondertoezichtstelling (NvW, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 7, p. 1). Van de verplichting de minderjarige vooraf te horen mag worden afgezien, indien onmiddellijk en ernstig gevaar voor hem dreigt. In crisissituaties kan aldus een spoedeisende maatregel genomen worden, op voorwaarde dat de minderjarige binnen twee weken na het geven van de beschikking alsnog in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening kenbaar te maken. Bij niet vervulling van de voorwaarde verliest de beschikking van rechtswege haar kracht. Het betreft beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling (art. 1:257 BW), tot machtiging van de gecertificeerde instelling om een minderjarige uit huis te plaatsen (al dan niet in combinatie met een voorlopige ondertoezichtstelling; art. 1:265b BW) en tot voorlopige voogdij (art. 1:268 en 1:331 BW door de rechtbank en art. 1:241 BW door de kinderrechter). Door invoering van de wet van 12 maart 2014 (Stb. 130) strekt de uitzondering van lid 3 zich mede uit tot de beschikking van art. 1:265i lid 2 BW. Vermoedt de gecertificeerde instelling dat nalaten van ingrijpen in de feitelijke opvoedingssituatie ernstig nadeel oplevert voor de ontwikkeling van de minderjarige, dan kan het tot overplaatsing willen overgaan. Het nieuwe art. 1:265i BW geeft de pleegouders de mogelijkheid dit te blokkeren, maar de gecertificeerde instelling kan zich tot de kinderrechter wenden, die aanstonds een beschikking tot wijziging van verblijf kan geven (zie art. 800 lid 3, aant. 8). Zie ook art. 2.7Procesreglement Civiel Jeugdrecht. Met uitzondering van de beschikking tot voorlopige ondertoezichtstelling, die ten hoogste drie maanden geldt (art. 1:257 BW), staat hoger beroep tegen genoemde beschikkingen open (zie art. 806 en 807). De uitzondering van art. 809 lid 3 leent zich niet voor analoge of extensieve interpretatie (HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1991, NJ 2004/637). De schorsingsmogelijkheid van art. 1:264 lid 1, laatste zin, BW is dan ook geen maatregel waarover de kinderrechter analoog aan de art. 800 lid 3 en 809 lid 3 een spoedbeslissing kan nemen (HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321, NJ 2019/88).
6. Voorgeleiding (lid 4)
De minderjarige zal niet zonder meer kunnen afzien van de ondervraging. In de visie van de wetgever kan de rechter zijn voorgeleiding door het Openbaar Ministerie gelasten. De in art. 902b lid 4 (oud) opgenomen bepaling dat bij niet-verschijnen de minderjarige tegen een nieuwe dag kan worden opgeroepen vond de wetgever zo vanzelfsprekend, dat zij was weggelaten (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 14). Daardoor was het maar de vraag of de in art. 813 lid 1 onderdeel a bedoelde voorgeleiding wel een wettelijke basis had. Bij de Reparatiewet I van 28 januari 1999 (Stb. 30, i.w.tr. 17 februari 1999, Stb. 40) is daar alsnog in voorzien door een nieuw vierde lid. Volgens de slotzin van art. 809 lid 4 kan de zaak zonder de minderjarige worden behandeld, indien deze wederom niet verschijnt. Overigens is de rechter niet verplicht de minderjarige, van wie duidelijk blijkt dat hij niet gehoord wenst te worden, te laten voorgeleiden (zie ook aant. 3 onder b). Art. 6.1.10 Jeugdwet en art. 7.1Procesreglement Civiel Jeugdrecht bepalen dit expliciet voor zaken waarin een machtiging plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg wordt verzocht.