Gerechtshof Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2567.
HR, 13-06-2025, nr. 24/00997, nr. 24/00999
ECLI:NL:HR:2025:902
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-06-2025
- Zaaknummer
24/00997
24/00999
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:902, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑2025; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2567
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1404
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1405
ECLI:NL:PHR:2024:1404, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:902
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑03‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑03‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0050
JIN 2025/103 met annotatie van mr. I.W. van Osch
PFR-Updates.nl 2025-0024
Uitspraak 13‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Beschermingsbewind en mentorschap. Hybride zitting. Deelname door deel belanghebbenden, waaronder degene op wie verzochte maatregelen betrekking hebben, via videoverbinding. Bezwaar daartegen; motiveringsplicht.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00997 en 24/00999
Datum 13 juni 2025
BESCHIKKING
In zaak 24/00997 van:
1. [R] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [S] ,
wonende te [woonplaats] , België,
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna: R. en S.,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
1. [de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [V] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [J] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: de moeder, V. en J.,
advocaat: A.C. de Bakker,
en in zaak 24/00999 van:
1. [R] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [S] ,
wonende te [woonplaats] , België,
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna: R. en S.,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
1. [J] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: J.,
advocaat: A.C. de Bakker,
2. [de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: de moeder, en
3. [V] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: V.,
BELANGHEBBENDEN in cassatie,
niet verschenen, en
4. STICHTING PAMEIJER,
gevestigd te Rotterdam,
hierna: de Stichting,
INFORMANT in feitelijke instanties.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
in zaak 24/00997:
a. de beschikkingen in de zaken 9649737 \ GZ VERZ 22-868 en 9649738 \ GZ VERZ 22-869 van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2022, verbeterd bij beschikkingen van 31 maart 2022;
b. de rolbeslissing van 31 oktober 2023 en de beschikking van 20 december 2023 in de zaken 200.310.624/01 en 200.310.624/02 en 200.310.625/01 van het gerechtshof Den Haag.
R. en S. hebben tegen de rolbeslissing en de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De moeder, V. en J. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De advocaat van de moeder, V. en J. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
In zaak 24/00999:
a. de beschikking in de zaak 9762800 GZ VERZ 22-2063 van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2022;
b. de rolbeslissing van 31 oktober 2023 en de beschikking van 20 december 2023 in de zaak 200.314.794/01 van het gerechtshof Den Haag.
R. en S. hebben tegen de rolbeslissing en de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
J. heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De moeder en V. hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De advocaat van J. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
V., J., R. en S. zijn kinderen van de moeder.
In zaak 24/00997
2.2
R. en S. hebben verzoeken ingediend tot instelling van een bewind over de goederen van de moeder en tot instelling van een mentorschap ten behoeve van haar.
De kantonrechter heeft bij afzonderlijke beschikkingen alle goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder onder bewind gesteld en V. en S. tot bewindvoerders benoemd, respectievelijk een mentorschap ingesteld ten behoeve van de moeder en V. en R. tot mentoren benoemd.
Het hof1.heeft de beschikkingen van de kantonrechter vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, de inleidende verzoeken afgewezen.
In zaak 24/00999
2.3
R. en S. hebben een verzoek ingediend tot instelling van een bewind over de goederen van hun broer J.
De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. Het hof2.heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
In beide zaken
2.4
Het hof heeft de zaken ten aanzien van de moeder, respectievelijk J., ter zitting van 1 november 2023 gelijktijdig behandeld. Daarbij zijn R. en S. ter zitting verschenen; de moeder, V. en J. en hun advocaat hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Aan de zitting is het volgende voorafgegaan:
Bij bericht van 25 oktober 2023 heeft de advocaat van de moeder, V. en J., naar aanleiding van de afwijzing van een verzoek om uitstel, het hof verzocht toe te staan dat hij en zijn cliënten digitaal deelnemen aan de zitting. Daartoe heeft de advocaat aangevoerd dat gedurende de mondelinge behandeling in eerste aanleg is gebleken dat de verhoudingen nogal op scherp staan, dat hij geen oppas heeft voor zijn kinderen, dat digitale deelname een confrontatie tussen partijen voorkomt en dat het hem een hoop reistijd scheelt.
Bij bericht van dezelfde dag heeft de advocaat van R. het hof verzocht de mondelinge behandeling in fysieke aanwezigheid van alle betrokkenen te laten plaatsvinden. Dit verdient gelet op de familieverhoudingen de voorkeur, de communicatie tussen partijen verliep bij een eerdere zitting geheel normaal en er is voor de advocaat van de moeder, V. en J. meer dan voldoende tijd om diens praktische probleem op te lossen, aldus het bericht.
Bij bericht van dezelfde dag heeft de advocaat van S., onder verwijzing naar het bericht van de advocaat van R., het hof verzocht het verzoek tot digitale deelname aan de zitting van de moeder, V. en J., en hun advocaat, af te wijzen. In dit bericht wordt tevens erop gewezen dat digitale deelname het hof niet in de gelegenheid stelt het fysieke welzijn van de moeder en J. lijfelijk te beoordelen en dat het waarschijnlijk is dat zij zich in een kleine setting van digitale deelname niet zullen durven uitspreken en een eigen mening vormen, los van wat V. vindt.
Bij bericht van 31 oktober 2023 is namens het hof meegedeeld dat de voorzitter akkoord heeft gegeven op het verzoek de zitting digitaal bij te wonen.
3. Beoordeling van de middelen in beide zaken
3.1
Onderdeel 1 van de middelen klaagt over de toewijzing door het hof van het verzoek tot digitale deelname aan de zitting van de moeder, V. en J. en hun advocaat.
Gelet op de bezwaren van R. en S. tegen dat verzoek (zie hiervoor in 2.4) is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De wettelijke basis ontbreekt, omdat de zitting plaatsvond na 1 juni 2023 (toen art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid verviel) en partijen niet gezamenlijk met digitaal bijwonen hebben ingestemd. Daardoor heeft het hof de wet, de goede procesorde, de beginselen van hoor en wederhoor en/of het recht op een eerlijk proces geschonden, aldus de rechtsklacht van het onderdeel. Het onderdeel verwijst onder meer naar art. 6 EVRM.
Voor het geval er wel een wettelijke basis was voor het toestaan van deelname aan de mondelinge behandeling via een videoverbinding, klaagt het onderdeel dat het hof gemotiveerd had moeten ingaan op de aan het verzoek ten grondslag gelegde redenen, de bezwaren van R. en S. daartegen en de vraag of de aard van de zaak zich niet verzet tegen deelname aan de mondelinge behandeling via een videoverbinding. Het voorgaande klemt volgens het onderdeel te meer in een zaak als deze, waarin partijen strijden over de vraag of sprake is van beïnvloeding of afhankelijkheid en waarin van belang is dat partijen fysiek in een zittingszaal worden gehoord zodat partijen door alle betrokkenen goed kunnen worden geobserveerd en onderlinge beïnvloeding zoveel mogelijk kan worden voorkomen.
3.2.1
Het onderdeel stelt in de eerste plaats aan de orde of, na het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid3.(hierna: Tijdelijke wet COVID-19) op 1 juni 20234., de wettelijke regeling van de mondelinge behandeling of het recht op een eerlijk proces eraan in de weg staat dat een partij (daaronder begrepen een belanghebbende) op eigen verzoek via een videoverbinding aan de (overigens fysieke) zitting deelneemt (een zogenoemde ‘hybride zitting’), indien een andere partij daartegen bezwaar maakt.
3.2.2
Ingevolge art. 279 lid 1 Rv bepaalt de rechter, behoudens in uitzonderingsgevallen die hier niet aan de orde zijn, een mondelinge behandeling en beveelt hij de oproeping van de verzoeker en belanghebbenden. Art. 279 lid 3 Rv bepaalt dat de opgeroepene ter terechtzitting verschijnt in persoon of bij een gemachtigde en dat in zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, de opgeroepene in persoon of bij advocaat verschijnt. De rechter kan verschijning in persoon bevelen. Met de woorden ‘verschijnen ter terechtzitting’ heeft de wetgever destijds tot uitdrukking willen brengen dat het gaat om een daadwerkelijke, fysieke verschijning voor de rechter ter terechtzitting.5.De bepaling is tot stand gekomen toen deelname via een videoverbinding aan een zitting nog niet aan de orde was. Uit art. 279 lid 3 Rv valt daarom niet af te leiden dat de bepaling eraan in de weg staat dat een partij via een videoverbinding ter mondelinge behandeling ‘verschijnt’.
3.2.3
Art. 87 lid 5 Rv bevat voor de dagvaardingsprocedure een bepaling die overeenkomt met art. 279 lid 3 Rv. Art. 87 leden 2-7 Rv heeft dezelfde inhoud als art. 30k KEI-Rv (oud).6.In de memorie van toelichting bij die wet is – zijdelings – onder ogen gezien dat in sommige gevallen deelname aan de zitting via een videoverbinding aangewezen kan zijn. Volgens de toelichting staat de wet hieraan niet in de weg:
“Burgers hechten er voorts aan om de rechter in persoon te kunnen zien. Daartoe dient de mondelinge behandeling, die centraal komt te staan in de basisprocedure. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als het geschil een parkeerboete betreft, stelt een deel van de burgers prijs op digitale mogelijkheden om de rechter en de wederpartij te kunnen zien, zonder af te hoeven reizen naar de behandelende rechtbank. In zo’n geval kan een videoconferentie uitkomst bieden. De wet staat hieraan ook na de voorgestelde wijzigingen niet in de weg.”7.
Uit deze toelichting volgt niet dat voor een mondelinge behandeling waaraan een van partijen op eigen verzoek – en dus met haar instemming – via een videoverbinding deelneemt (een hybride zitting) steeds de instemming van alle partijen nodig is. Uit de wetsgeschiedenis van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 en de toelichting op het besluit tot het laten vervallen van die bepaling volgt dat evenmin. De bepaling diende ertoe een mondelinge behandeling mogelijk te maken in gevallen waarin het houden van een fysieke zitting niet mogelijk was, ook zonder de instemming van een of meer van partijen.8.De opmerking in de toelichting bij het besluit tot vervallenverklaring per 1 juni 2023 van bedoelde bepaling dat, zoals ook voor de invoering daarvan het geval was, met instemming van partijen gebruik kan worden gemaakt van videoconferentie, moet tegen die achtergrond worden bezien. De strekking van het daarbij genoemde instemmingsvereiste lijkt dan ook geen andere te zijn dan dat partijen niet tegen hun wil kunnen worden afgehouden van fysieke deelname aan een mondelinge behandeling.
3.2.4
De minister voor Rechtsbescherming heeft bij diverse gelegenheden aangekondigd dat wordt gewerkt aan een structurele regeling voor de inzet van videoconferentie in het civiele recht en het bestuursrecht. Daarbij heeft de minister opgemerkt dat ook zonder wettelijke regeling met instemming van procespartijen gebruik kan worden gemaakt van videoconferentie.9.Mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, kan daaruit niet worden afgeleid dat in het hier aan de orde zijnde geval, waarin een partij verzoekt om via een videoverbinding aan de mondeling behandeling te mogen deelnemen, dit in de optiek van de minister alleen mogelijk is als alle partijen daarmee instemmen.
3.2.5
Ook uit art. 6 EVRM volgt niet dat deelname van een partij aan een zitting via een videoverbinding slechts mogelijk is indien alle partijen daarmee instemmen. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat die wijze van deelnemen onder art. 6 EVRM geoorloofd is indien dat een legitiem doel dient en op zodanige wijze wordt georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd.10.
3.2.6
Het voorgaande neemt niet weg dat een mondelinge behandeling waarbij alle partijen fysiek aanwezig zijn steeds de voorkeur verdient en daarom uitgangspunt moet zijn.11.Aan een hybride zitting kunnen nadelen kleven. Zo kan deelneming op afstand van een partij ertoe leiden dat deze partij minder goed wordt gehoord, bijvoorbeeld bij technische onvolkomenheden in de beeld/geluidverbinding, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor en daarmee het processuele evenwicht tussen partijen in het geding komt. Ook kan het onderzoek ter zitting minder effectief blijken te zijn als partijen deels fysiek en deels op afstand aan die zitting deelnemen. Om deze redenen is ook het belang van een partij die wel fysiek aanwezig is bij de mondelinge behandeling gemoeid met de toe- of afwijzing van een verzoek van een partij om daaraan via een videoverbinding te mogen deelnemen.
Dit alles leidt ertoe dat de rechter die van een van partijen een verzoek ontvangt om via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling te mogen deelnemen, steeds dient na te gaan of dat verzoek een legitiem doel dient en of deelname op afstand van die partij op zodanige wijze kan worden georganiseerd dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Bij dat laatste kan ook de aard van de procedure en de hoedanigheid van de verzoekende partij van belang zijn. Voorts dient de rechter een eventueel bezwaar van (een van) de andere partij(en) tegen toewijzing van het verzoek in zijn beoordeling te betrekken en daarop gemotiveerd te beslissen.
3.2.7
In deze procedure gaat het om verzoeken tot het instellen van een bewind, respectievelijk een mentorschap, ten behoeve van een meerderjarige en om een verzoek tot deelname aan de mondelinge behandeling via een videoverbinding door degene ten aanzien van wie een beschermingsmaatregel wordt verzocht. Op het verloop van beide procedures zijn de art. 261-291 Rv van toepassing, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in de art. 798 e.v. Rv.
Om te kunnen beoordelen of de instelling van een bewind of mentorschap is aangewezen, dient de rechter zich een oordeel te vormen omtrent de (mentale) toestand van de betrokkene.12.Daartoe is de fysieke aanwezigheid van de betrokkene van bijzonder belang. Dat belang komt ook tot uitdrukking in de art. 802 en 809 Rv. Art. 809 lid 2, in verbinding met lid 1, Rv houdt in dat de rechter de persoon ten aanzien van wie om de instelling van curatele, bewind of mentorschap wordt verzocht, in de gelegenheid stelt zijn mening kenbaar te maken. Art. 802 Rv houdt in dat een verzoeker, een belanghebbende, of een ander wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn en die moet worden ondervraagd en buiten staat is zich naar het gerechtsgebouw te begeven, op diens verblijfplaats wordt ondervraagd, tenzij is gebleken dat de betrokkene niet in staat is zijn mening kenbaar te maken.13.In onderlinge samenhang bezien volgt hieruit dat de rechter de betrokkene in beginsel in fysieke aanwezigheid hoort. In een geval waarin ervan moet worden uitgegaan dat de betrokkene in staat is zijn mening kenbaar te maken, is dan ook slechts in bijzondere omstandigheden toelaatbaar dat deze via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelneemt. Dat is ook het geval als die wijze van deelname bij de andere partij(en) niet op bezwaren stuit. Indien zodanige bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, dient steeds het recht op een eerlijk proces van alle partijen te zijn gewaarborgd. Onderdeel daarvan is dat wordt voorkomen dat de betrokkene, zonder dat de rechter en de andere partij(en) dat kunnen waarnemen, door anderen wordt beïnvloed in zijn of haar communicatie ter zitting.
3.2.8
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3-3.2.5 is overwogen, faalt de rechtsklacht van het onderdeel, nu deze berust op de rechtsopvatting dat een verzoek van een partij om via een videoverbinding aan een mondelinge behandeling te mogen deelnemen, na het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 slechts kan worden gehonoreerd als alle partijen daarmee instemmen. Deze rechtsopvatting is onjuist.
3.2.9
De motiveringsklacht van het onderdeel slaagt evenwel. Het hof heeft zijn beslissing om toe te staan dat de moeder, V. en J. en hun advocaat via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelnemen niet gemotiveerd, noch in zijn bij e-mail van de griffier van 31 oktober 2023 gegeven beslissing, noch in zijn eindbeschikking, terwijl tegen dat verzoek bezwaren zijn aangevoerd (zie hiervoor in 2.4). De bestreden beschikkingen kunnen dan ook niet in stand blijven.
3.3
De overige klachten van de middelen behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in beide zaken:
- vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2023 en 20 december 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑06‑2025
Gerechtshof Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2552.
Wet van 22 april 2020, Stb. 2020, 124.
Besluit van 24 maart 2023, Stb. 2023, 101.
Wet 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht, Stb. 2016, 288; ingetrokken bij Wet van 25 januari 2023, Stb. 2023, 41.
Kamerstukken II 2019/20, 35434, nr. 3, p. 4; Besluit van 24 maart 2023 tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19, Stb. 2023, 101, p.2.
Brief van de minister voor Rechtsbescherming aan de Tweede Kamer van 11 april 2022, kenmerk 3911063, p.1-2, Besluit van 24 maart 2023 tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19, Stb. 2023, 101, p. 2-3. Zie ook de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer van 18 oktober 2024, Kamerstukken II 2024/25, 36600 VI, nr. 9, p.2.
Zie bijv. EHRM 2 december 2021, nr. 36516/19 (Jallow/Norway), punt 64.
Aldus voor het hoger beroep ook art. 1.4.7 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven.
Vgl. o.a. HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509.
Vgl. voor het laatste Kamerstukken II 1992/93, 22487, nr. 6, p. 12.
Conclusie 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Verzoek bewind en mentorschap meerderjarige; digitaal bijwonen mondelinge behandeling; instemming partijen vereist?; motiveringsplicht?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00997
Zitting 20 december 2024
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
1. [verzoeker 1] (hierna: [verzoeker 1] ),
2. [verzoeker 2] (hierna: [verzoeker 2]),
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn
tegen
1. [de moeder] (hierna: moeder),
2. [verweerster 1] (hierna: [verweerster 1]),
3. [verweerder 2] (hierna: [verweerder 2]),
verweerders in cassatie,
advocaat: mr. A.C. de Bakker
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak hebben de broers [verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken ingediend tot instelling van een bewind over de goederen van hun moeder en tot instelling van een mentorschap ten behoeve van haar. Anders dan de rechtbank, heeft het hof deze verzoeken afgewezen.
In cassatie klagen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in de eerste plaats dat het hof heeft toegestaan dat moeder, hun zuster [verweerster 1] en hun broer [verweerder 2] (en hun advocaat) via een videoverbinding hebben deelgenomen aan de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 1 november 2023 (onderdeel 1). Volgens het onderdeel is dit ten onrechte, nu art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 op dat moment reeds was vervallen en [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet met video-deelname hebben ingestemd, maar daartegen bezwaren hebben geuit. Voor het geval die klachten niet slagen, wordt bovendien geklaagd dat het hof bij zijn toets of het instellen van een bewind en/of mentorschap ten aanzien van moeder noodzakelijk is, onvoldoende acht heeft geslagen op stellingen van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] met betrekking tot de geestelijke toestand van moeder ten tijde van het opmaken van haar levenstestament en de ernstig verstoorde familieverhoudingen (onderdelen 2 en 3).
Mijns inziens slagen reeds enkele klachten uit het eerste onderdeel.
1.2
Deze zaak hangt samen met het cassatieberoep onder zaaknummer 24/00999. Die zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, heeft betrekking op het door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ingediende verzoek tot het instellen van een bewind over de goederen van hun broer [verweerder 2]
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan de beschikking van 20 december 2023 (hierna ook: de bestreden beschikking) van het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof)1.:
(i) [de moeder] is geboren te [geboorteplaats], Suriname op [geboortedatum] 1937.
(ii) Zij is de moeder van [verweerster 1] , [verweerder 2] , [verzoeker 1] en [verzoeker 2]
(iii) Tussen de kinderen is sprake van ernstig verstoorde onderlinge verhoudingen, waarbij de standpunten van partijen ter zake bewindvoering en mentorschap met betrekking tot moeder lijnrecht tegenover elkaar staan.
In eerste aanleg
2.2
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben bij verzoekschrift van 24 januari 2022 bij de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) een verzoek ingediend tot instelling van een bewind over de goederen van moeder en tot instelling van een mentorschap ten behoeve van haar.
2.3
Op 7 februari 2022 is een aanvulling op het verzoekschrift ingediend.
2.4
De kantonrechter heeft de zaak ter zitting van 2 maart 2022 behandeld en heeft [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verweerster 1] gehoord. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Bij beschikking van 9 maart 20222., verbeterd bij beschikking van 31 maart 20223., heeft de kantonrechter:
- alle goederen die (zullen) toebehoren aan moeder onder bewind gesteld wegens een geestelijke of lichamelijke toestand;
- [verweerster 1] en [verzoeker 2] tot bewindvoerders benoemd.
2.6
Bij beschikking van eveneens 9 maart 20224., verbeterd bij beschikking van 31 maart 20225., (hierna samen met de beschikkingen onder 2.5: de beschikkingen) heeft de kantonrechter:
- een mentorschap ingesteld over moeder als gevolg van een lichamelijke of geestelijke toestand;
- [verweerster 1] en [verzoeker 1] tot mentoren benoemd.
In hoger beroep
2.7
Bij beroepschrift van 4 mei 2022 zijn moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] in hoger beroep gekomen van de beschikkingen. Zij hebben het hof verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen inzake de onderbewindstelling en het mentorschap te vernietigen en subsidiair opnieuw rechtdoende de benoeming van [verweerster 1] als bewindvoerder en mentor in stand te laten en de benoeming van [verzoeker 2] en [verzoeker 1] als bewindvoerder respectievelijk mentor te vernietigen, althans een derde onafhankelijk en professioneel bewindvoerder te benoemen.
2.8
[verzoeker 1] heeft bij verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep tevens verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, ingediend op 22 juli 2022, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, verzocht:
- voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken het contact tussen moeder en haar (klein)kinderen te herstellen;
- in het principaal en incidenteel beroep ten aanzien van alle voorlopige maatregelen te bepalen dat deze zullen voortduren na de beëindiging van de gerechtelijke procedure;
- voor het overige in het principaal beroep de grieven af te wijzen met uitzondering van de verzoeken tot benoeming van een professionele mentor en bewindvoerder;
- voor het overige in het incidenteel beroep over te gaan tot integrale vernietiging van de beschikkingen, met benoeming van een professionele mentor en bewindvoerder, althans te beoordelen in hoeverre curatele een beter passende maatregel zou kunnen zijn, zo nodig met benoeming van een geriater als deskundige.
2.9
[verzoeker 2] heeft bij verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening betreffende vaststellen omgang meerderjarige voor de duur van het geding, ingediend op 5 augustus 2022, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat, verzocht:
- voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken het contact tussen moeder en haar (klein)kinderen te herstellen;
- in het principaal beroep de verzochte vernietiging en handhaving van [verweerster 1] als (enig) bewindvoerder en mentor af te wijzen;
- in het incidenteel beroep de beschikkingen integraal te vernietigen met benoeming van een derde onafhankelijk mentor en bewindvoerder, zo nodig met aanwijzing van een geriatrisch deskundige, dan wel dat het hof moeder alsnog onder curatele stelt en een professionele curator benoemt.
2.10
Bij verweerschrift incidenteel appel en voorlopige voorziening, ingediend op 7 september 2022, hebben moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] verweer gevoerd, strekkende tot afwijzing van de verzoeken in het incidenteel appel en van de verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
2.11
[verzoeker 2] en [verzoeker 1] hebben bij brief van 20 oktober 2023 resp. 21 oktober 2023 aan het hof ieder hun petitum geherformuleerd en uitgebreid.
2.12
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2023, gelijktijdig met die van de zaak bekend onder zaaknummer 200.314.794/01.6.Daarbij waren, voor zover in deze zaak relevant, aanwezig [verzoeker 1] en zijn advocaat mr. Sanders, [verzoeker 2] en zijn advocaat mr. Budhu Lall en, via een videoverbinding: moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] , en hun advocaat mr. Boiten. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. De advocaten van appellanten en van [verzoeker 2] hebben pleitnotities overgelegd.
2.13
Bij zijn thans bestreden beschikking van 20 december 2023 heeft het hof de beschikkingen van 9 maart 2022 vernietigd en opnieuw rechtdoende7.:
- in de zaak met zaaknummer 200.310.624/02 het verzoek afgewezen;
- in de zaken met zaaknummers 200.310.624/01 en 200.310.625/01 de verzoeken in het incidenteel appel afgewezen;
met compensatie van de kosten van het geding in hoger beroep.
2.14
Daartoe heeft het hof, zakelijk weergegeven, als volgt overwogen.
- Het hof dient te bezien of de instelling van een beschermingsbewind over de goederen van moeder en een mentorschap ten behoeve van haar noodzakelijk is. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de inhoud van het door moeder ondertekende levenstestament van 29 oktober 2019, dat zij heeft laten opstellen om te voorkomen dat zij onder curatele wordt gesteld, of dat over haar goederen beschermingsbewind of ten behoeve van haar een mentorschap wordt ingesteld. Daarin heeft zij [verweerster 1] een algemene volmacht gegeven. [verweerster 1] heeft sindsdien als gevolmachtigde opgetreden en wenst dat te blijven doen. Blijkens het levenstestament dient zij rekening en verantwoording af te leggen aan (de erfgenamen van) moeder. Moeder is door de kantonrechter niet gehoord en heeft ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk aangegeven dat zij wenst dat [verweerster 1] haar belangen behartigt (rov. 5.11).
- Ook al zou moeder thans niet in staat zijn haar (niet-)financiële belangen zelf behoorlijk waar te nemen – waarover partijen van mening verschillen – is de instelling van een beschermingsbewind en mentorschap, gelet op het levenstestament van moeder, niet noodzakelijk. Daarin heeft moeder middels volmacht voorzien in ondersteuning door [verweerster 1] op (niet-)financieel gebied. Verweerders hebben onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie zouden rechtvaardigen dat [verweerster 1] de volmacht (heeft) misbruikt. Verstoorde familieverhoudingen zijn weliswaar niet wenselijk maar maken het oordeel niet anders (rov. 5.12).
In cassatie
2.15
Bij procesinleiding, ingediend bij de Hoge Raad op 18 maart 2024 (hierna ook: p.i.), zijn [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van 20 december 2023, alsmede van een (als bijlage 4 bij de procesinleiding gevoegde) als ‘rolbeslissing’ aangeduide e-mail van 31 oktober 2023 van de griffie van het hof. Van het voorbehoud tot aanvulling is geen gebruik gemaakt. In hun verweerschrift hebben moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel valt uiteen in vier onderdelen (1 tot en met 4). Onderdeel 1 keert zich tegen het digitaal bijwonen van de mondelinge behandeling door appellanten. De onderdelen 2 en 3 richten klachten tegen de afwijzing van de verzoeken. Onderdeel 4 bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel 1: digitaal bijwonen mondelinge behandeling
3.2
Met onderdeel 1 klagen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , samengevat, dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] (en hun advocaat) tijdens de mondelinge behandeling te horen via een videoverbinding, althans dat het onbegrijpelijk is dat het hof dit heeft toegestaan, gelet op de bezwaren van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (p.i., nr. 4). Het onderdeel werkt die klachten als volgt uit.
3.3
Gelet op de bezwaren van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] op het verzoek namens moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] (bijlagen 1-3 bij p.i.) is het hof, door in zijn e-mail van 31 oktober 2023 akkoord te gaan met het digitaal bijwonen van de zitting door hen (bijlage 4 bij p.i.), uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De wettelijke basis daarvoor ontbreekt, omdat de zitting plaatsvond na 1 juni 2023 en betrokken partijen niet gezamenlijk met digitaal bijwonen hebben ingestemd. Daardoor heeft het hof de wet, de goede procesorde, de beginselen van hoor en wederhoor en/of het recht op een eerlijk proces (art. 21 Rv en 6 EVRM) geschonden (p.i., nrs. 5-7).
3.4
Voor het geval mocht worden geoordeeld dat er wel een wettelijke basis was voor het laten doorgaan van een videoconferentie, klaagt het onderdeel dat het hof gemotiveerd had moeten ingaan op de door moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] aangegeven redenen voor een videoconferentie, de bezwaren van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] daartegen en de vraag of de aard van de zaak zich niet verzet tegen behandeling via videoconferentie. Het voorgaande klemt volgens het onderdeel te meer in een zaak als deze, waarin partijen strijden over de vraag of sprake is van beïnvloeding of afhankelijkheid en van belang is dat partijen fysiek en van elkaar gescheiden in een zittingszaal worden gehoord zodat partijen door alle betrokkenen goed kunnen worden geobserveerd en onderlinge beïnvloeding zoveel mogelijk kan worden voorkomen (p.i., nr. 8).
Ontvankelijkheid klachten
3.5
Voor zover de klachten zijn gericht tegen de in p.i. nr. 1 als ‘rolbeslissing’ gekwalificeerde e-mail van 31 oktober 2023, waarin de voorzitter zijn akkoord geeft voor het digitaal bijwonen van de zitting door moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] (en hun advocaat), zou zich de vraag kunnen opdringen of [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in die klachten ontvankelijk zijn.
3.6
Zoals uit het onderstaande betoog zal blijken, is bij die beslissing sprake van méér dan een beslissing die slechts ‘strekt ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregelde loop der zaken’ en niet ingrijpt in de rechten van partijen, of anders gezegd, van méér dan het nemen van een administratieve maatregel van ondergeschikte betekenis die geen motivering behoeft.8.Naar zal blijken, heeft de rechter op dit punt geen volledige vrijheid en dient hij zijn toewijzende beslissing, als uitzondering op de geldende hoofdregel van een volledig fysieke mondelinge behandeling, te motiveren (zie m.n. onder 3.26). [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn daarom ontvankelijk in hun klachten.
Behandeling onderdeel 1
3.7
De klachten in onderdeel 1 stellen de vraag aan de orde of het de rechter binnen het geldende burgerlijk procesrecht is toegestaan om buiten het kader van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (hierna: Tijdelijke wet COVID-19)9., welk artikel per 1 juni 2023 is vervallen10., een mondelinge behandeling te houden waaraan door een deel van de partijen via videoverbinding wordt deelgenomen, zonder dat dit berust op de instemming van alle partijen. In dat verband zal eerst worden bezien wat de wet en de wetgeschiedenis vermelden over (de vorm van) de mondelinge behandeling in de procedures die hier aan de orde zijn.
3.8
In dit geval betreft het een verzoek tot het instellen van een bewind over goederen van een meerderjarige (Boek 1, Titel 19, BW), alsmede een verzoek tot het instellen van een mentorschap ten behoeve van een meerderjarige (Boek 1, Titel 20, BW). Op het verloop van beide procedures zijn de artikelen 261-291 Rv (Eerste Boek, Derde Titel, Rv, algemene bepalingen verzoekschriftprocedure) van toepassing, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in art. 798 e. v. Rv (Derde Boek, Zesde Titel, Eerste afdeling, Rv, rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht). Dit geldt ex art. 362 en 806 lid 2 Rv ook in hoger beroep.11.
3.9
In verzoekschriftprocedures geldt als hoofdregel, ook in hoger beroep, dat een zaak mondeling wordt behandeld.12.Art. 279 lid 3 Rv bepaalt daarbij dat de opgeroepene ter terechtzitting verschijnt in persoon of bij een gemachtigde en dat in zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, de opgeroepene in persoon of bij advocaat verschijnt. De rechter kan evenwel verschijning in persoon bevelen. De opgeroepene die in persoon verschijnt, mag zich laten bijstaan door zijn raadsman. In zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, is die raadsman dan een advocaat. Lid 6 van het artikel verklaart voorts de artikelen 87-90 Rv (die betrekking hebben op de mondelinge behandeling in dagvaardingsprocedures in eerste aanleg) van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de zaak of de procedure zich daartegen niet verzet.
3.10
In de parlementaire geschiedenis bij de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002, waarvan art. 279 leden1-3 Rv deel uitmaakten, is in algemene zin opgemerkt dat de term ‘verschijnen ter terechtzitting’ gereserveerd is voor de gevallen waarin een daadwerkelijke, fysieke verschijning voor de rechter ter terechtzitting beoogd is. De term dient ter onderscheiding van het verschijnen in de procedure, dat over het algemeen niet fysiek maar via het indienen van stukken gebeurt.13.
3.11
Art. 279 lid 6 Rv en de daarin genoemde artikelen 87-90 Rv zijn per 1 oktober 2019 ingevoerd bij de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (hierna: Spoedwet-KEI).14.Volgens de memorie van toelichting is in art. 87-90 Rv de inhoud van de uiteindelijk niet ingevoerde art. 30k-30n KEI-Rv15.(op enkele terminologische aanpassingen na) zo letterlijk mogelijk overgenomen. De idee is daarbij, aldus de toelichting, dat door het incorporeren van deze procesvernieuwingen rechters, partijen en hun advocaten profiteren van de versterkte regiefunctie van de rechter en de uitgebreidere mogelijkheden voor de mondelinge behandeling.16.Nu de artikelen een weerslag zijn van bepalingen over de mondelinge behandeling onder KEI-Rv, blijft ook de toelichting bij die wetgevingsoperatie van belang.
3.12
Die toelichting (bij KEI-Rv) bevat de opmerking dat de destijds voorgenomen digitalisering uitdrukkelijk niet leidt tot een vermindering van het contact tussen de rechter en de rechtzoekenden. De mondelinge behandeling vindt in beginsel plaats in fysieke aanwezigheid van alle betrokkenen, hoewel ‘de wet niet in de weg staat aan een zitting die via een videoconferentie plaatsvindt’, zo valt te lezen.17.In de toelichting treft men voorts nog de volgende passage:
“Burgers hechten er voorts aan om de rechter in persoon te kunnen zien. Daartoe dient de mondelinge behandeling, die centraal komt te staan in de basisprocedure. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als het geschil een parkeerboete betreft, stelt een deel van de burgers prijs op digitale mogelijkheden om de rechter en de wederpartij te kunnen zien, zonder af te hoeven reizen naar de behandelende rechtbank. In zo’n geval kan een videoconferentie uitkomst bieden. De wet staat hieraan ook na de voorgestelde wijzigingen niet in de weg.”18.
3.13
In afwijking van KEI-Rv beoogt de Spoedwet-KEI om de gerechten gebruik te laten maken van wijzigingen in het procesrecht die losstaan van het digitaliseringsonderdeel maar die de versterkte regiefunctie van de rechter en de uitgebreidere mogelijkheden op de mondelinge behandeling betreffen.19.
3.14
Van 16 maart 2020 tot 1 juni 2023 bevatte art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 een regeling voor het houden van een mondelinge behandeling door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel in burgerlijke en bestuursrechtelijke zaken.20.In de toelichting bij het artikel is opgemerkt dat het voor de voortgang van urgente zaken binnen die rechtsgebieden van belang was dat ‘buiten twijfel’ stond dat de mondelinge behandeling ook plaats zou kunnen vinden wanneer een fysieke zitting niet mogelijk was in verband met COVID-19. Daarbij merkte de wetgever op dat in de destijds bestaande praktijk ook reeds met enige regelmaat gebruik werd gemaakt van videoverbindingen tijdens mondelinge behandelingen, maar ‘doorgaans met instemming van alle betrokkenen’. Artikel 2 gaf volgens de toelichting een basis voor de toepassing van telefonie, videoverbindingen of andere audiovisuele transmissie voor alle betrokkenen bij de zitting, ‘ook zonder de instemming’ van een of meer van hen.21.
3.15
In de nota van toelichting bij het besluit dat strekte tot het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 valt te lezen22.:
“De consequentie daarvan is onder meer dat na verval van artikel 2 uit de Tijdelijke wet er geen basis meer wordt geboden voor de inzet van videoconferentie in het civiel recht en het bestuursrecht zonder instemming van partijen indien in verband met COVID-19 het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat, zoals ook vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet het geval was, ook zonder (Tijdelijke) wettelijke regeling met instemming van partijen gebruik kan worden gemaakt van videoconferentie. De inzet van videoconferentie blijft dus gewoon mogelijk, ook al ontbreekt een expliciete wettelijke regeling.”
3.16
De vraag is nu allereerst of uit het voorgaande kan worden afgeleid dat, zoals onderdeel 1 voorstaat, voor het houden van een mondelinge behandeling waaraan enkele partijen deelnemen via video-verbinding – een hybride zitting23.– steeds de instemming van alle partijen vereist is. Mijns inziens is dat niet het geval.
3.17
Allereerst blijkt uit de toelichting op het KEI-project dat de wetgever ervan uitgaat dat de mondelinge behandeling weliswaar bij wijze van hoofdregel fysiek wordt gehouden, maar ook dat de wet zich niet tegen het houden van een video-conferentie verzet. Daarbij valt niet de eis te lezen dat steeds alle partijen zouden moeten instemmen met het inzetten van video-conferentie, al helemaal niet waar die mondelinge behandeling op zich wel fysiek plaatsvindt, maar één van partijen via video-conferentie deelneemt. Daaraan doet mijns inziens niet af dat de digitaliseringspoot van KEI uiteindelijk niet (op verplichte basis) is doorgevoerd, omdat de wetgever tijdens het KEI-wetgevingsproces al aangaf daarmee niet te doelen op de mondelinge behandeling, en juist de bepalingen omtrent de mondelinge behandeling wel via de Spoedwet-KEI zijn ingevoerd met het oog op de vergrote regie van rechter en partijen.24.
3.18
Het voorgaande strookt ook met rechtspraak van het EHRM op grond van art. 6 lid 1 EVRM, welke bepaling tevens van toepassing is op procedures betreffende mentorschap en onderbewindstelling zoals hier aan de orde.25.In een zaak die het EHRM behandelde onder de noemer van de ‘civil rights and obligations’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM werd overwogen:
“Moreover, as the Court has held in different contexts, the appearances by video-link are as such not necessarily problematic, as long as this measure in any given case serves a legitimate aim and that the arrangements are compatible with the requirement for due process. (see, for example, mutatis mutandis, Dijkhuizen [verweerster 1] the Netherlands, no. 61591/16, § 53, 8 June 2021; Bivolaru [verweerster 1] Romania (no. 2), no. 66580/12, § 138, 2 October 2018); Ichetovkina and Others [verweerster 1] Russia, nos. 12584/05 and 5 others, § 37, 4 July 2017; Yevdokimov and Others [verweerster 1] Russia, nos. 27236/05 and 10 others, §§ 41-43, 16 February 2016; and Marcello Viola [verweerster 1] Italy, no. 45106/04, §§ 67 and 73-74, ECHR 2006‑XI (extracts)).”26.
3.19
Daaruit kan naar mijn mening worden afgeleid dat ook het EHRM een vereiste van eenieders instemming niet hanteert en in ieder geval een verschijning via video-conferentie op zichzelf niet problematisch acht, zolang in het betreffende geval sprake is van een legitiem doel en het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd.27.Uit die gestelde vereisten per geval wordt wel afgeleid dat het niet via video deelnemen ook volgens het EHRM het uitgangspunt is.28.
Bovendien spitsen de door het EHRM genoemde gevallen zich in het algemeen toe op situaties waarin de niet fysiek aanwezige partij zich beklaagt over zijn deelname via video-verbinding zonder instemming. Het onderhavige geval wordt er echter door gekenmerkt dat juist de fysiek aanwezige partij zich beklaagt over fysieke afwezigheid van de andere. Daar waar (onder omstandigheden) deelname via video-verbinding mogelijk is van een partij zonder dat dat deze daarmee heeft ingestemd, valt niet in te zien waarom wel steeds instemming van de fysiek aanwezige partij benodigd zou zijn.
3.20
Dat de toelichting bij het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 op het eerste gezicht in een andere richting – van een instemmingsvereiste – lijkt te wijzen, maakt een en ander volgens mij niet anders.
3.21
In de eerste plaats omdat, in tegenstelling tot die toelichting, de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de Tijdelijke wet COVID-19 spreekt van het ‘buiten twijfel’ stellen dat de mondelinge behandeling ook plaats kan vinden wanneer een fysieke zitting niet mogelijk is in verband met COVID-19 (zie hiervoor onder 3.14). Daarbij verwijst die toelichting naar de Algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak, die was opgesteld in verband met de uitbraak van COVID-19. In de op dat moment geldende versie van die regeling werd aangegeven dat een zaak mondeling behandeld kon worden door middel van een telefonische (beeld)verbinding, in welk geval het de procespartijen en overige procesdeelnemers niet was toegestaan om naar het gerechtsgebouw te komen.29.Daaruit lijkt veeleer te volgen dat de wetgever de mogelijkheid van een reeds bestaande praktijk heeft willen bevestigen en dergelijke beslissingen in ieder geval in algemene zin toelaatbaar heeft geacht wanneer zij nodig waren in verband met de COVID-pandemie.30.
3.22
De wetgever onderkent daarbij dat in de bestaande praktijk ook al van video-verbindingen bij mondelinge behandelingen gebruik werd gemaakt, doch dat dit ‘doorgaans’ gebeurde met instemming van alle betrokkenen (zie hiervoor onder 3.14). Ook daaruit volgt dus niet dat volgens hem die instemming steeds nodig zou zijn geweest.31.De wetgever lijkt in de toelichting bovendien voornamelijk het oog te hebben op situaties waarin een fysieke zitting in het geheel niet mogelijk is (vanwege de uitbraak van COVID-19) en minder stil te staan bij situaties als de onderhavige, waarin in feite wel een fysieke mondelinge behandeling plaatsvindt, maar één van de partijen deelneemt via video-conferentie.32.
3.23
In dat licht lijkt mij minder gewicht toe te komen aan de ogenschijnlijk duidelijke opmerking in de toelichting bij het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19. Deze lijkt vooral aan te geven dat COVID-19 op zichzelf geen reden meer is voor het niet fysiek houden van de zitting, doch dat dit met instemming van alle partijen altijd mogelijk is.
3.24
Daarmee staat het wettelijk kader met betrekking tot burgerlijke rechtsvordering mijns inziens momenteel niet in de weg aan in ieder geval het deelnemen van één partij via videoverbinding aan een verder fysiek plaatsvindende mondelinge behandeling (een hybride zitting).33.In de literatuur treft men overigens wel auteurs die zich sterk maken voor een wettelijke basis. In hoeverre die auteurs menen dat zonder die basis een mondelinge behandeling in de vorm zoals hiervoor genoemd in het geheel niet mogelijk is, wordt uit hun bijdragen echter veelal niet goed duidelijk, nu zij het hierboven genoemde kader niet of slechts summier betrekken. Sommigen van hen gebruiken bovendien een uitzonderingsstructuur zoals reeds in de toelichting bij KEI-Rv is vermeld en een afwegingskader dat reeds kan worden gevonden in het door het EHRM toegestane kader (zie hiervoor onder 3.12 resp. 3.18).34.Daarmee is niet gezegd dat wetgeving op dit vlak niet wenselijk zou zijn ter versterking en verduidelijking van de positie van procesdeelnemers en/of niet nodig zou zijn ter eventuele uitbreiding van de rechterlijke bevoegdheden op dit punt. Momenteel lijkt mij het houden van een hybride zitting zonder dat dit op instemming van alle partijen berust echter niet in absolute zin onmogelijk, met dien verstande dat daarvoor alleen plaats is in een beperkt aantal uitzonderingsgevallen.35.
3.25
Het feit dat de wetgever in het strafrecht reeds per 1 januari 2007 koos voor een uitdrukkelijke regeling in (o.a.) art. 131a Sv en art. 78a Sr, die horen via video-conferentie als alternatief toestaan, maakt het voorgaande niet anders. In de toelichting bij die bepalingen gaf de wetgever aan dat de wetgeving op dat moment onvoldoende duidelijkheid bood over het toelaten van videoconferentie, en dat het wetsvoorstel die duidelijkheid beoogde te verschaffen. Aanleiding voor die gerezen onduidelijkheid was volgens de toelichting een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin televoorgeleiding in strijd werd geacht met art. 1 Sv. Uit dat artikel zou voortvloeien dat de interpretatieruimte op het gebied van het Wetboek van Strafvordering beperkter is dan bij andere rechtsgebieden.36.De gewenste uitdrukkelijke grondslag werd dus ingegeven door het specifieke strafrechtelijke kader.
Bovendien beoogde de wetgever met die bepalingen een meer algemeen alternatief voor rechters en andere horende instanties te creëren om (veelal) zonder instemming video-conferentie in te zetten, waarbij efficiency een belangrijk doel was.37.Uit de toelichting op KEI-Rv volgt daarentegen dat van een algemeen bedoeld alternatief geen sprake is, doch dat de mogelijkheid van video-deelname slechts als uitzondering is beoogd (zie hiervoor onder 3.12), waarvoor slechts plaats is in een beperkt aantal gevallen (zie hiervoor onder 3.24). Daarmee zijn beide trajecten mijns inziens niet te vergelijken.
3.26
Wordt deze gedachte gevolgd, dan dient naar de huidige stand van zaken dus tot stevig verankerd uitgangspunt dat een mondelinge behandeling betekent: een fysieke mondelinge behandeling in aanwezigheid van alle betrokkenen. Ook dat volgt immers duidelijk uit de toelichting op de KEI-wetgeving. Bovendien verlangen zowel het EHRM als uw Raad (zij het in de context van een Wvggz-zaak) voor een uitzondering op dit uitgangspunt een gevalsafhankelijke toetsing van het legitiem doel en het gewaarborgd zijn van een eerlijk proces, welke uitzondering volgens uw Raad ook dient te worden gemotiveerd (zie hiervoor onder 3.18 en voetnoot 27). Een motiveringsplicht past bij ook bij de constructie van uitzondering-op-hoofdregel. Daardoor is, anders dan het verweerschrift in cassatie meent, ook geen sprake van een processuele beslissing die geen motivering behoeft (zie verweerschrift onder 22).
3.27
Voor het aannemen van genoemde motiveringsplicht pleit voorts het volgende. Naar huidig procesrecht heeft de rechter reeds lange tijd ánder gereedschap om te kunnen omgaan met afwezigheidsperikelen bij een partij, namelijk via het al dan niet verlenen van uitstel van de volledig fysieke mondelinge behandeling. Het kader voor het beslissen op een dergelijk uitstelverzoek houdt globaal gezegd in dat wanneer dit verzoek te laat (over het algemeen buiten de daarvoor gegeven termijnen in het toepasselijke procesreglement) wordt gedaan, de rechter dient te bezien of sprake is van plotseling en onverwacht opgekomen omstandigheden die niet in de risicosfeer van de partij of haar rechtshulpverlener liggen. Is dat het geval dan kan, mede in verband met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, aanhouding zijn aangewezen. Ligt de grond wel in de risicosfeer van de partij, dan kan de mondelinge behandeling in beginsel doorgang vinden zonder schending van dat recht.38.Aan verwijtbare afwezigheid kan de rechter vervolgens de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. Dit beoogt een sanctie te zijn op weigerachtig procesgedrag en het al te gemakkelijk honoreren van (ongeloofwaardige) redenen voor afwezigheid.39.
Wanneer nu de rechter ervoor kiest om geen uitstel, maar wel een deelname via videoverbinding toe te staan, dient hij zich er mijns inziens van bewust te zijn dat daarmee geen volwaardig alternatief voor fysieke deelname wordt gecreëerd. Signalen van betrokkenen bij digitale zittingen tijdens de COVID-pandemie wijzen er namelijk op dat dergelijke zittingen tot informatieverlies leiden, een second best middel zijn en ten koste gaan van de non verbale communicatie.40.Door een partij geen uitstel toe te staan, maar wel een deelname via een videoverbinding, wordt dus mogelijk een initieel voor risico van die partij komende omstandigheid de facto ten laste gebracht van de wel fysiek aanwezige partij.
3.28
Ten slotte moet het al dan niet toestaan van video-deelname door een partij aan de mondelinge behandeling naar mijn mening ook worden bezien vanuit de rechterlijke taak tot het horen van partijen in relatie tot de hier aan de orde zijnde specifieke procedures.
3.29
Terwijl in het algemeen voor een partij geen garantie bestaat dat haar wederpartij in persoon op de mondelinge behandeling zal verschijnen (zie onder 3.9 hiervoor), noch dat de wederpartij in haar aanwezigheid wordt gehoord,41.zijn een dergelijke verschijning en een dergelijk horen sterker gewaarborgd in procedures als hier aan de orde. In het kader van de procedures tot het instellen van een bewind of mentorschap moet de rechter door middel van een actieve houding het nodige doen42.om zich een beeld te vormen van de geestelijke en/of lichamelijke toestand van de meerderjarige (zie art. 1:431 lid 1 sub a BW en 1:450 lid 1 BW). Volgens de standaard in de rechterlijke praktijk is voor de beoordeling van de noodzaak en omvang van een bewind of mentorschap het persoonlijk horen van verzoekers, belanghebbenden en betrokkene noodzakelijk, zo nodig op de verblijfplaats van betrokkene.43.Dit wijst op onderkenning van het belang van die aanwezigheid ter vervulling van de actieve taak van de rechter. Dat belang is overigens ook niet moeilijk voor te stellen wanneer de kern van het materiële geschil zich toespitst op de lichamelijke of geestelijke toestand van betrokkene.44.
3.30
Dat belang wordt ook onderkend in de artikelen 802 jo. 809 Rv, die mede van toepassing zijn op de hier aan de orde zijnde specifieke verzoeken. Art. 809 lid 2 Rv bevat de verplichting om (o.a.) de persoon ten aanzien van wie een mentorschap en/of bewind wordt verzocht in de gelegenheid te stellen zijn mening kenbaar te maken. Art. 802 Rv houdt in dat een ondervraging in het algemeen op de verblijfplaats geschiedt, indien een verzoeker, een belanghebbende, of een ander wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn en die moet worden ondervraagd, buiten staat is zich naar het gerechtsgebouw te begeven.45.
3.31
Weliswaar is tevens opgemerkt dat die verplichting om naar de betreffende partij af te reizen niet absoluut is, maar uit de toelichting volgt naar mijn mening dat men daarbij vooral het oog heeft op gevallen waarin die partij niet in staat is haar mening kenbaar te maken of daarvan afziet. Laatstgenoemd geval laat volgens de toelichting overigens onverlet dat het voor een goede oordeelsvorming voor de rechter van belang kan zijn om aan te dringen op medewerking.46.Ook daarin wordt dus het belang van een actieve en ‘face-to-face’ beoordeling door de rechter teruggevonden.
3.32
Ook die specifieke uitgangspunten voor de rechterlijke oordeelsvorming bij de verzoeken die hier aan de orde zijn, onderstrepen mijns inziens dat de rechter dient te motiveren waarom wordt afgeweken van de hoofdregel van fysieke aanwezigheid en het gangbare middel van uitstel niet volstaat. Ook kan in dergelijke procedures niet worden gezegd dat de wel fysiek aanwezige partij niet in zijn belang kan zijn geschaad als de wederpartij weliswaar niet geheel afwezig is, maar – ondanks dat een persoonlijke verschijning tot uitgangspunt strekt – via een videoverbinding deelneemt.47.
3.33
Met inachtneming van het voorgaande kom ik toe aan behandeling van de klachten van onderdeel 1.
3.34
De rechtsklachten in onderdeel 1 (p.i., nrs. 5-7) falen. Deze nemen immers tot uitgangspunt dat het hof niet tot de beslissing kon komen dat moeder, [verweerster 1] , [verweerder 2] (en hun advocaat) via videoverbinding aan de mondelinge behandeling zouden deelnemen, zulks op de grond dat daarvoor zonder instemming van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] een wettelijke basis ontbreekt. Uit het voorgaande volgt dat die klachten berusten op een onjuiste rechtsopvatting.
3.35
De motiveringsklacht in onderdeel 1 (p.i., nr. 8) slaagt naar mijn mening wel. Door zowel [verzoeker 1] als [verzoeker 2] zijn tegen video-deelname door moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] bezwaren geuit. Deze zagen op de familieverhoudingen en het belang van fysieke aanwezigheid van moeder, zowel in verband met de beoordeling van haar gesteldheid als met het oog op de in een digitale setting te verwachten beïnvloeding van moeder door [verweerster 1] Door het hof is daarop bij e-mail slechts meegedeeld dat de voorzitter akkoord heeft gegeven op het verzoek tot het digitaal bijwonen van de zitting. Ambtshalve navraag bij de griffie van het hof heeft geen motivering van die beslissing opgeleverd. Uit de bestreden beschikking valt evenmin af te leiden op welke gronden het hof de video-deelname toelaatbaar heeft geacht. Daarbij is mijns inziens ook van belang dat uit het verzoek namens moeder, [verweerster 1] en [verweerder 2] (bijlage 1 bij p.i.), waarop het hof respondeert, blijkt dat de aanleiding voor dat verzoek was dat een eerder gedaan verzoek om uitstel kort daarvoor juist niet was toegewezen.48.
3.36
Bij deze stand van zaken kan de bestreden beschikking geen stand houden en zal de zaak na vernietiging en verwijzing opnieuw inhoudelijk behandeld moeten worden.
Onderdelen 2 tot en met 4
3.37
De onderdelen 2 en 3 zijn ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 faalt. Nu die voorwaarde niet in vervulling is gegaan, behoeven deze onderdelen geen bespreking.
3.38
Onderdeel 4 bevat slechts een voortbouwklacht, die geen zelfstandige behandeling behoeft.
Slotsom
3.39
Het slagen van een deel van de klachten van onderdeel 1 (zie hiervoor onder 3.35) brengt mee dat de conclusie zal strekken tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑12‑2024
Hof Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2567, rov. 3.1 en 5.11.
Rb. Rotterdam 9 maart 2022, zaaknummer: 9649737 \ GZ VERZ 22-868 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Rotterdam 31 maart 2022, zaaknummer: 9649737 \ GZ VERZ 22-868 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Rotterdam 9 maart 2022, zaaknummer: 9649738 \ GZ VERZ 22-869 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Rb. Rotterdam 31 maart 2022, zaaknummer: 9649738 \ GZ VERZ 22-869 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Tegen de eindbeschikking in die zaak is het cassatieberoep ingesteld, bekend onder nummer 24/00999, waarin ik thans eveneens concludeer.
Het hof spreekt in rov. 5.13 en het dictum kennelijk abusievelijk van een bestreden ‘beschikking’ (in enkelvoud). Vgl. rov. 1, waarin het hof uitdrukkelijk vermeldt dat het hoger beroep de twee bestreden beschikkingen van de kantonrechter betreft.
Zie over de rolbeschikking uitgebreid: A-G de Bock, conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:809) voor HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1908, NJ 2021/241 m.nt. G. van Solinge, nr. 7.11-7.13, met rechtspraakoverzicht. Zie voorts HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:416, NJ 2020/222 m.nt. F.M. [verweerder 2] Verstijlen, rov. 3.3.3. Zie ook A-G Wissink, conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1049) voor HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1801 (art. 81 RO), nr. 2.18.1 e. [verweerster 1]
Stb. 2020, 124.
Stb. 2023, 101.
Art. 806 lid 2 Rv vermeldt weliswaar niet het hier relevante art. 809 Rv, maar algemeen wordt aangenomen dat ook die bepaling in hoger beroep van toepassing is. Zie bijv. B.E. [verzoeker 2] Chin-A-Fat, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 806 Rv, aant. 5 (actueel t/m 22 augustus 2023); A. [verweerster 1] T. de Bie, Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 805/807 Rv, aant. 3 (actueel t/m 1 september 2023); [verzoeker 1] Y. Nauta, T&C Rv, art. 806 Rv, aant. 6b (actueel t/m 11 oktober 2024).
Zie ook reeds HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.2. [verzoeker 2] F.M. Wortmann & [verweerder 2] Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 380 spreekt van het uitgangspunt.
Stb. 2019, 241 en Stb. 2019, 247.
Stb. 2016, 288.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 31. Op p. 62 wordt het aldus verwoord: “Met digitaal procederen wordt bedoeld digitale stukkenwisseling. Het is niet de doelstelling van dit wetsvoorstel om ook de mondelinge behandeling van een zaak uitsluitend digitaal, via een online zitting, af te handelen, hoewel de wet zich niet tegen een zitting door middel van een videoconferentie verzet. Buiten de mondelinge behandeling en andere zittingen zal ieder contact digitaal kunnen geschieden”.
Het artikel is met terugwerkende kracht op eerstgenoemde datum in werking getreden (Stb. 2020, 126) en op laatstgenoemde datum vervallen (Stb. 2023, 101).
Stb. 2023, 101, p. 1.
De brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 11 april 2022, referentie: 3911063 (www.rijksoverheid.nl), p. 1, onderscheidt (volledig) online zittingen van hybride zittingen, waarbij sprake is van een combinatie van fysieke en online aanwezigheid.
Vgl. [verzoeker 2] Heeroma, ‘U staat nog op mute. Over (digitale) zittingen in het civiele recht tijdens de corona-pandemie’, TvPP 2021, afl. 3, p. 101; [verzoeker 1] Jansen, ‘Aandachtspunten bij het gebruik van de videoconferentie in civiele procedures, NJB 2020/2301, noot 6; [verweerder 2] P.C. Interfurth & D. [verweerder 2] Beenders, annotatie bij: Rb. Amsterdam 8 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:690, JBPr 2023/83 die ook de KEI-wetgeving reeds als basis zien voor de mogelijkheid om video-conferentie in te zetten. Ook A. Sikkema-Lenaerts, Particuliere beleggingsgeschillen bij Kifid, bezien vanuit de fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 341, noot 184 lijkt zich daarbij aan te sluiten. [de moeder] M. Coenraad & P. Ingelse, ‘Afscheid van de klassieke civiele procedure?’ in: [de moeder] M. Coenraad e.a., Afscheid van de klassieke procedure?, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. I.6.3 onderkennen dat KEI-Rv de mogelijkheid bood om een mondelinge behandeling niet fysiek te houden, maar benadrukken het (historische) belang en uitgangspunt van een fysieke mondelinge behandeling. H. [verweerder 2] Snijders, ‘Online zitting, redding voor de arbitrage in coronatijd en daarna?’, TvA 2021, afl. 1, onder 2, begrijpt mede gezien de geschiedenis het begrip ‘mondeling’ reeds zo dat dit anno 2021 ook elektronische behandelingen omvat, doch dat niet elke behandeling aan de vereisten van art. 6 EVRM zal voldoen. M.K.G. Tjepkema & B. [verweerder 2] van Ettekoven, in: B. Aarrass, C. [de moeder] G.F.H. Albers & [verzoeker 1] Ortlep (red.), Digitalisering in de rechtsverhouding tussen burger en overheid. Zoeken naar een balans tussen instrumentaliteit en waarborg, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 8.4.1, nemen voor wat betreft het bestuursrecht eveneens aan dat een videozitting inmiddels reeds als een volwaardige ‘zitting’ ex art. 8:56 BW moet worden gezien en art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 in zoverre dus overbodig was. Mogelijk anders m.b.t. het bestuursrecht: T.A. Cramwinckel & [verzoeker 1] A. de Boer, ‘De ‘online’ zitting in belastingzaken’, WFR 2023/173, die wijzen op het vrijwillige kader van art. 8:40a lid 3 Awb.
Zie met betrekking tot het instellen van een mentorschap uitdrukkelijk HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:533, NJ 2018/292, m.nt. [verzoeker 2] F.M. Wortmann, rov. 3.3.2. Ten aanzien van een verzoek tot onderbewindstelling geldt m.i. niet iets anders, nu ook die onderbewindstelling de betrokkene de bevoegdheid ontneemt om bepaalde rechtshandelingen, betreffende zijn vermogen, te verrichten. Zo ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/698.
EHRM 2 december 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1202JUD003651619, § 64 Het betrof daar een zaak aangaande ‘parental responsibilities’ waarin een partij door het weigeren van een visum niet fysiek aanwezig kon zijn bij de zitting, doch zijn advocaat wel. De door het EHRM genoemde overige rechtspraak betrof steeds de strafrechtelijke pendant van art. 6 EVRM. In deze uitspraak wordt die lijn dus doorgetrokken.
Zie ook HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1509, NJ 2020/402, m.nt. [verweerder 2] Legemaate, rov. 3.2.4-3.2.5, waarin dit kader, in ieder geval onder vigeur van de Tijdelijke wet COVID-19, reeds op het horen van een betrokkene in een Wvggz-procedure van toepassing werd geacht. Uw Raad legde de (strafrechtelijke) jurisprudentie van het EHRM in rov. 3.2.4 aldus uit: “Deelname van een verdachte aan het strafproces op een andere wijze dan door fysieke aanwezigheid moet een legitiem doel dienen, bijvoorbeeld het waarborgen van de veiligheid van anderen, en dient – blijkens de door de rechter te geven motivering – gerechtvaardigd te worden door de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Steeds dient te worden gewaarborgd dat wordt voldaan aan de eisen van art. 6 EVRM (eerlijk proces). Zo mogen technische problemen niet in de weg staan aan een effectieve deelname aan de zitting. Voorts is van belang of de rechtsbijstand van de betrokkene is gewaarborgd.”
Bijv. [de moeder] [verzoeker 1] Glas, K.E. Geertsema & M. [verzoeker 1] Bruning, ‘Rechtspraak tijdens corona. Over kwetsbare rechtszoekenden en hun grondrechten’, NTM/NJCM Bull 2022/21, onder 3.3 en M. [verweerder 2] ter Voert e.a., Gevolgen van COVID-19 voor de rechtspraak en kwetsbare rechtszoekenden: een onderzoek naar maatregelen en de positie van rechtzoekenden binnen het straf-, civiele jeugdbeschermings-, en vreemdelingenrecht, Nijmegen-Leiden-Utrecht: Radboud Universiteit-Universiteit Leiden-Universiteit Utrecht 2022, p. 287. In het kader van de toets naar een eerlijk proces vindt een belangenafweging en proportionaliteitstoets plaats, zie M. [verzoeker 1] Bruning & K. Geertsema, annotatie bij: EHRM 2 december 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1202JUD003651619, EHRC Updates 19 april 2022, onder 4.
Art. 1.1.2 Algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak, versie 4 april 2020.
Vgl. P.W. [verzoeker 2] Boer e.a., ‘De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid’, AA 2020/0598, onder 3.1 waarin bij het wetgevingsproces betrokken juristen opmerken dat rechters verschillend omgingen met de vraag of een partij in geval van videoverbinding (die volgens hen voorheen steeds met instemming plaatsvond) op de zitting aanwezig was geweest of de zitting slechts had gevolgd op afstand en dat in dat kader buiten twijfel werd gesteld dat de mogelijkheid van niet-fysieke zittingen in verband met COVID-19 bestond. [verweerder 2] H. van Breda, A.M.L Jansen & M. [verweerder 2] H.M. Verhoeven, ‘De coronazaaksbehandeling (CZB)’, NJB 2020/1809, onder 6.2, analyseert weliswaar de zaaksbehandeling binnen het bestuursrecht, maar begrijpt de toelichting op art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 ook zo dat deze de praktijk bevestigt.
Vgl. Kamerstukken II 2019/20, 35434, nr. 3, p. 6, waar de toelichting ingaat op de positie van betrokkenen in Wvggz- zaken en deze contrasteert met het regime onder Rv door op te merken: “De Wvggz kent ten opzichte van Rv een eigen regime voor het horen van betrokkene om de rechtspositie van betrokkene te versterken. Dit regime houdt in dat betrokkene fysiek/face to face moet worden gehoord, ofwel op de rechtbank ofwel op zijn woon- of verblijfplaats. Dit regime is zo vormgegeven vanwege de kwetsbare positie waarin betrokkene zich vanwege zijn aandoening al bevindt, en ten aanzien van wie daarbij verplichte zorg wordt overwogen.”
Zo ook A. [verweerder 2] H. van Suilen, annotatie bij: HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:505, BNB 2021/101, onder 6 en T.A. Cramwinckel & [verzoeker 1] A. de Boer, ‘De ‘online’ zitting in belastingzaken’, WFR 2023/173, onder 5.
Daarbij spelen immers ook niet de complicaties die volledig digitale zittingen meebrengen in het kader van de openbaarheid van de mondelinge behandeling. Er is immers een fysieke zitting, waar pers en publiek aanwezig kunnen zijn, zie reeds Kamerstukken II, 2004/05, 29 828, nr. 3, p. 7. Ik laat dan nog daar dat bij verzoeken als de onderhavige die openbaarheid reeds in een ander daglicht staat, omdat zittingen daarin over het algemeen al achter gesloten deuren plaatsvinden (art. 803 Rv).
Bijv. M. Beukers & C.M. Ridderbos-Hovingh, ‘Digitale rechtszittingen; van crisiswetgeving naar een permanente regeling?’, FJR 2023/21, onder 4, die op basis van onderzoek met gesprekspartners de wenselijkheid van een permanente regeling benadrukken, maar niet ingaan op de huidige stand van zaken, en opmerken dat deze regeling algemeen moet zijn, omdat de beoordeling door de rechter zaaksafhankelijk zal zijn; [verzoeker 2] [de moeder] Boersen, ‘Digitale zittingen, een blijvertje?’, TvPP 2020, afl. 6, p. 232 acht duurzame en gedetailleerdere wetgeving nodig, maar betrekt dit specifiek op de technische aspecten en de levering van bewijs via videoverbinding, niet op de absolute (on)mogelijkheid daarvan; [verweerder 2] E. [verweerder 2] Prins, ‘Politiek, samenleving en rechtspraak: vertrouwen in digitale zittingen’, NJB 2023/1863, spreekt van een beperkte aanpassing van rechtsvordering en een overzichtelijke inhoud, te weten “zittingen zijn ‘fysiek, tenzij…’ en de rechter bepaalt of een zitting online i.p. [verweerster 1] fysiek plaatsvindt, ook als een of meer van de partijen daarmee niet akkoord is. De rechter komt tot diens keuze met inachtneming van artikel 6 EVRM, gebruik makend van een afwegingskader.” C. [verweerder 2] M. Klaassen, ‘Digitalisering en civielrechtelijke geschilbeslechting’ in: C. [verweerder 2] H. Jansen, B.A. Schuijling & I. [verweerster 1] Aronstein, Onderneming en digitalisering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 68 meldt dat anders dan geldt voor de procedure voor de overheidsrechter, de wetgeving wat betreft de arbitrageprocedure reeds verregaand in de mogelijkheid voorziet om digitaal ofwel elektronisch te procederen. H. Frankema, ‘Standpunt NVvR over online zitten: ‘Denk eerst goed na’, TREMA 2023, afl. 6, onder d. acht van belang “dat voor deze mogelijkheid een definitieve wettelijke basis komt waarmee de hiervoor genoemde rechtsbeginselen en uitgangspunten worden gewaarborgd” waarmee dus evenwel niet duidelijk is of die basis volgens de NVvR dient om een verschijnen via videoverbinding überhaupt mogelijk te maken, of om de benadrukte door de rechter te waarborgen beginselen vast te leggen. Uit het jaarplan 2024 van de Raad voor de Rechtspraak, par. 2.4.4 volgt dat deze zelf al stappen heeft ondernomen om online zittingen volgens een afwegingskader mogelijk te maken, maar ook dat bij de wetgever wordt aangedrongen op wetgeving die het voeren van online zittingen ‘faciliteert’ (te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/jaarplan-van-de-Rechtspraak-2024.pdf). In de Brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 18 oktober 2024, referentie: 5817415 (www.rijksoverheid.nl), p. 2 merkt deze op: “Ook werk ik aan een regeling om het gebruik van videoconferentie in civiele procedures van een structurele wettelijke grondslag te voorzien.” Ook de wens van zo’n structurele regeling staat m.i. niet in de weg aan het reeds op uitzonderlijke, incidentele basis, conform de toelichting bij KEI-Rv en EHRM-rechtspraak toestaan van een video-verschijning van een partij.
De civiele feitenrechtspraak van na het vervallen van art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 laat meerdere gevallen zien waarin een partij na 1 juni 2023 nog aan een mondelinge behandeling heeft deelgenomen via videoverbinding. De betreffende uitspraken vermelden veelal niet of daarbij sprake was van instemming van alle partijen, zoals in bijv. Hof Amsterdam 2 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1839. In meerdere gevallen is de video-deelname mogelijk ingegeven doordat een partij woonachtig was in het buitenland. Zie bijv. Rb. Amsterdam 10 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6304; Hof Den Haag 26 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2114 en Hof Den Haag 18 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2675. Ook uit Rb. Limburg 25 juni 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:5790 valt niet op te maken of alle partijen instemden met het verzoek tot video-deelname door de moeder. In ieder geval motiveert de rechtbank in rov. 6.4 dat zij dat verzoek afwijst. Volgens de rechtbank was zelfs onder de Tijdelijke wet COVID-19 een fysieke zitting het uitgangspunt, was moeders fysieke aanwezigheid van belang en zag de rechtbank niet in waarom de moeder niet fysiek aanwezig kon zijn.
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3, p. 8 en nr. 7, p. 5.
Bijv. HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350, rov. 3.10-3.11, waarover ook G. de Groot, ‘Rechtsregels met betrekking tot de mondelinge behandeling’, in: G. de Groot e.a. (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 158-159; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/70 en Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/320 i.h.b. noot 14.
C. Ridderbos-Hovingh e.a., Ervaringen met elementen uit de tijdelijke COVID-19-wetgeving Justitie en Veiligheid, Groningen: Pro Facto 2022, par. 2.4. Vgl. H. Frankema, ‘Standpunt NVvR over online zitten: ‘Denk eerst goed na’, TREMA 2023, afl. 6, p. 10-11 i.h.b. onder a. Zie in voornoemde uitgave op p. 16 en 17 ook nog ‘Ervaringen uit de praktijk’ namens verschillende betrokkenen bij digitale zittingen.
P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2008, par. 3.4.1. Zie verder E. [verweerder 2] Dommering, 'Het grondrecht op behoorlijke rechtspraak in het Nederlandse civiele recht', in: E.M.H. Hirsch Ballin & E. [verweerder 2] Dommering, Handelingen 1983 der Nederlandse Juristen- Vereniging deel 1, tweede stuk, Zwolle: W.E. [verweerder 2] Tjeenk Willink 1983, p. 197; A.W. Jongbloed & A. [de moeder] H. Ernes (red.), Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, par. 1.2.2; Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/320, noot 16; [verweerder 2] B.M. Vranken, annotatie bij: HR 3 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8464, NJ 1989/5. Anders: E.M. Wesseling-van Gent, Het civiele geding in de toekomst (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint B. [verweerster 1] 1987, p. 112, die opmerkt dat geen onderdelen van het onderzoek worden afgewikkeld waarbij de ene partij wel en de andere niet is vertegenwoordigd.
Zie bijv. reeds bij de invoering van de bepalingen over meerderjarigenbewind, Kamerstukken II 1978/79, 15 350, nr. 3, p. 12: “De in artikel 431 gekozen bewoordingen brengen tot uitdrukking dat het gaat om gebreken van dien aard dat zij de meerderjarige beletten zijn eigen belangen behoorlijk waar te nemen. Of dit het geval is, staat ter beoordeling van de rechter. Het antwoord op deze vraag zal niet steeds zonder meer duidelijk zijn. Soms zal de rechter goed doen zich medisch te laten voorlichten. Het wetsontwerp biedt de rechter de mogelijkheid zijn beslissing met de gewenste zorgvuldigheid voor te bereiden. Hij kan alle door hem gewenste personen horen en zo nodig ook een deskundigenonderzoek bevelen; men zie het onder artikel III van het onderhavige wetsontwerp voorgestelde artikel 895 Rv. en deze memorie bij dat artikel.”
Zie Aanbevelingen meerderjarigenbewind, vastgesteld door het LOVT op 31 januari 2023, A.1, en Aanbevelingen Mentorschap, vastgesteld door het LOVCK&T op 2 december 2019, A.2. Voor de gerechtshoven is in art. 1.1.2 jo. 1.4.7 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, versie 1 juli 2024, als hoofdregel opgenomen dat de aanwezigheid in persoon wordt bevolen, tenzij na een gemotiveerd verzoek anders wordt bepaald.
Vgl. rechtspraak van het EHRM, waarin tot uitgangspunt wordt genomen dat tussen de rechter en betrokkene persoonlijk contact moet plaatsvinden in zaken waarin beslissingen genomen worden die serieuze consequenties hebben voor diens private life (in die gevallen: zaken aangaande handelingsbekwaamheid). Doordat de betrokkene ook het onderwerp van onderzoek was, was zijn deelname volgens het EHRM niet alleen voor hemzelf noodzakelijk, maar ook opdat de rechter persoonlijk een mening over zijn mentale gesteldheid kon vormen, zie EHRM 3 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1103JUD000519309, § 83-84 met verdere verwijzingen. Hoewel het EHRM in de eerste plaats dus het oog lijkt te hebben op de belangen van de betrokkene zelf, wordt ook het belang van persoonlijk contact in het kader van de rechterlijke oordeelsvorming onderstreept.
Vgl. Ridderbos-Hovingh e.a. 2022, p. 45, 50, waar wordt opgemerkt dat de aard van personen- en familierechtelijke kwesties, het emotionele gehalte van een zaak en de betrokkenheid van kwetsbare partijen over het algemeen een groter belang doen toekomen aan fysieke aanwezigheid van procespartijen.
Overigens wordt in het verweerschrift in cassatie nog gesteld dat het hof vrij was om een deelname via video-conferentie toe te staan, reeds omdat een verplichting tot persoonlijke verschijning niet volgt uit de uitnodiging voor de mondelinge behandeling (bijlage 1 bij verweerschrift). Die stelling gaat m.i. niet op. Uit de oproepingen volgt duidelijk dat het hof juist de aanwezigheid van de partijen zelf van belang heeft geacht, bijvoorbeeld waar geschreven staat “Het hof wil partijen horen in deze zaak” en “De mondelinge behandeling dient vooral voor vragen aan de partijen zelf. De advocaten hebben een korte spreektijd van maximaal 10 minuten”.
Beroepschrift 18‑03‑2024
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKPROCEDURE
Geeft eerbiedig te kennen:
- 1.
de heer [verzoeker 1] wonende te [woonplaats]
- 2.
de heer [verzoeker 2] wonende te [woonplaats], België (hierna te noemen: ‘verzoekers’), te dezer zake woonplaats kiezende aan de Rijnsburgerweg nr. 141, 2334 BM Leiden (postadres: Postbus 788 2300 AT Leiden) ten kantore van Groenendijk & Kloppenburg Advocaten van wie de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. N.C. van Steijn hen ten deze vertegenwoordigt en deze procesinleiding ondertekent.
Verweerder in cassatie is:
- 3.
heer [verweerder 2] wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan het [adres] (hierna te noemen: ‘[verweerder 2]’);
in laatste feitelijke instantie bijgestaan door de advocaat mr. P.M. Boiten kantoorhoudende te (3341 LE) Hendrik-Ido-Ambacht aan de Kerkstraat 36;
Belanghebbenden zijn:
- 4.
mevrouw [de moeder] wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], (hierna te noemen: ‘moeder’);
- 5.
mevrouw [verweerster 1] wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres] (hierna te noemen: ‘[verweerster 1]’);
Als informant is aangemerkt:
6. de Stichting Pameijer, gevestigd te (3034CJ) Rotterdam aan de Crooswijksesingel 66.
Inleiding
1.
Deze zaak ziet toe op de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2023 met zaaknummer: 200.314.794/01. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met deze beschikking. Datzelfde geldt voor de beslissing van het hof van 31 oktober 2023 waarin toestemming is gegeven aan verweerder voor het digitaal bijwonen van de mondelinge behandeling (hierna: ‘de Rolbeslissing’, bijlage 4).
2.
Deze zaak hangt samen met de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2023 met zaaknummers: 200.310.624/01, 200.310.624/02 en 200.310.625/01. De zaken zijn gezamenlijk behandeld op de mondelinge behandeling van 1 november 2023.1. In beide zaken wordt (separaat) cassatieberoep ingesteld.
3.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 november 2023 was ten tijde van het opstellen van dit verzoekschrift nog niet in het dossier aanwezig en is opgevraagd. In dit verband wordt een voorbehoud gemaakt om het middel te mogen aanvullen indien het proces-verbaal daar aanleiding toe mocht geven.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof in zijn ten deze bestreden beschikking en de Rolbeslissing op de daarin vermelde gronden recht heeft gedaan als daarin is aangegeven, zulks om de navolgende — mede in onderling verband te beschouwen — redenen.
Onderdeel 1
4.
Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door verweerder (en zijn advocaat) tijdens de mondelinge behandeling te horen via een videoverbinding2., althans het is onbegrijpelijk dat het hof het horen via een videoverbinding heeft toegestaan gelet op de bezwaren van verzoekers.
5.
De mogelijkheid tot videoconferentie in civiele zaken is geïntroduceerd in de tijdelijke wetgeving rond COVID. Per besluit van 24 maart 2023 is deze mogelijkheid echter (per 1 juni 2023) vervallen.3. In de toelichting bij dit besluit wordt ingegaan op de consequentie daarvan:
‘De consequentie daarvan is onder meer dat na verval van artikel 2 uit de Tijdelijke wet er geen basis meer wordt geboden voor de inzet van videoconferentie in het civiel recht en het bestuursrecht zonder instemming van partijen indien in verband met COVID-19 het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat, zoals ook vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet het geval was, ook zonder (Tijdelijke) wettelijke regeling met instemming van partijen gebruik kan worden gemaakt van videoconferentie. De inzet van videoconferentie blijft dus gewoon mogelijk, ook al ontbreekt een expliciete wettelijke regeling. Daarnaast wordt er op dit moment gewerkt aan een structurele regeling voor de technische- en procedurele waarborgen voor de inzet van videoconferentie in het civiel recht en het bestuursrecht. Het opstellen, behandelen in de Tweede en Eerste Kamer, en invoeren van structurele wetgeving voor de inzet van videoconferentie zal echter geruime tijd in beslag nemen.’
6.
De advocaat van verweerder had het hof per e-mail van 25 oktober 2023 verzocht om een digitale zitting.4. De advocaat gaf als reden dat hij geen oppas had voor zijn twee kinderen, dat hij een confrontatie tussen partijen wenste te voorkomen en dat dit hem een hoop reistijd scheelt (bijlage 1). De advocaat van verzoeker sub 1 heeft hier per e-mail van dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt (bijlage 2). Datzelfde geldt voor de advocaat van verzoeker sub 2 (bijlage 3). Het hof (de voorzitter) heeft per e-mail van 31 oktober 2023 (zonder nadere motivering) akkoord aan verweerder gegeven voor het digitaal bijwonen van de zitting (bijlage 4).
7.
Door toestemming te geven aan verweerder voor het digitaal bijwonen van de zitting (hierna: ‘videoconferentie’) is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat de wettelijke basis daarvoor ontbreekt nu betrokken partijen daar niet gezamenlijk mee hadden ingestemd.5. Gelet op het bezwaar van beide verzoekers had het hof het verzoek om een videoconferentie van verweerder moeten weigeren. Door zonder wettelijke basis een videoconferentie toe te staan heeft het hof de wet6., de goede procesorde, de beginselen van hoor en wederhoor en/ of recht op een eerlijk proces (zoals vastgelegd in art. 21 Rv. en 6 EVRM) geschonden.7. De wet, de goede procesorde en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden doordat het hof gebruik heeft gemaakt van videoconferentie zonder dat daarvoor een wettelijke basis was.8. Daarnaast heeft hoor en wederhoor onvoldoende plaatsgevonden nu verweerder is gehoord via een videoconferentie waarvoor de wettelijke basis ontbrak en die (per definitie) minder waarborgen vormt dan de voorgeschreven fysieke zitting.9.
8.
Mocht worden geoordeeld dat er toch een wettelijke basis was voor het laten doorgaan van een videoconferentie dan had het hof gemotiveerd moeten aangeven op welke gronden de videoconferentie werd toegestaan en gemotiveerd moeten ingaan op de bezwaren van verzoekers. In dit verband had de advocaat van verzoeker sub 1 bezwaar gemaakt tegen videoconferentie gelet op de familieverhoudingen, dat er bij een eerdere zitting geen problemen waren voorgevallen in de communicatie tussen partijen en dat er voldoende tijd was om het praktisch probleem van de advocaat van verweerder (geen oppas) op te lossen.10. De advocaat van verzoeker sub 2 sloot zich daarbij aan en wees erop dat een digitale deelname het hof niet in de gelegenheid stelt het fysieke welzijn van moeder en [verweerder 2] lijfelijk te beoordelen en dat het waarschijnlijk is dat in een kleine setting van digitale deelname zij zich niet zullen durven uit te spreken en een eigen mening vormen los van wat zus [verweerster 1] vindt.11. Het hof (of de voorzitter/rolraadsheer) had gemotiveerd moeten ingaan op de door verweerder aangegeven redenen voor een videoconferentie, de bezwaren van verzoekers daartegen en de vraag of de aard van de zaak zich niet verzet tegen behandeling via videoconferentie.12. Dat klemt temeer in een zaak als deze waar partijen strijden over de vraag of sprake is van beïnvloeding of afhankelijkheid13. en van belang is dat partijen fysiek en van elkaar gescheiden in een zittingszaal worden gehoord zodat partijen door alle betrokkenen goed kunnen worden geobserveerd en onderlinge beïnvloeding zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Het hof heeft dat miskend nu enige motivering ontbreekt in de Rolbeslissing waarbij de videoconferentie is toegestaan en in de beschikking.14.
9.
Bij het slagen van dit onderdeel kan de bestreden beschikking niet in stand blijven nu deze is gebaseerd of voortbouwt op een mondelinge behandeling waarbij gebruik is gemaakt van de bestreden videoconferentie.
Onderdeel 2
10.
Dit onderdeel wordt ingesteld voor het geval onderdeel 1 niet slaagt. In het geval onderdeel 1 slaagt en de zaak wordt verwezen voor een volledig nieuwe mondelinge behandeling behoeft dit onderdeel geen behandeling.
11.
Het hof heeft in r.o. 5.4 onvoldoende gemotiveerd gereageerd op de essentiële en gemotiveerde stellingen van verweerders dat het van groot belang is dat een bewindvoerder wordt aangesteld die de vermogensrechtelijke belangen van [verweerder 2] waarneemt ook met betrekking tot zijn vermogen in Nederland en Suriname. Daarbij is gewezen op het aandeel van [verweerder 2] in de onverdeelde nalatenschap van zijn vader. Deze omvat een woning in [a-plaats] en een woning in Suriname die is ondergebracht in een stichting. [verweerder 2] is samen met zijn moeder als enige erfgenamen aangewezen. Het gaat om substantiële bedragen van ingeschat € 100.000 respectievelijk € 400.000.15. Verweerders hebben er daarnaast nog op gewezen dat zus [verweerster 1] [verweerder 2] en moeder uit het bestuur van de stichting heeft gezet en/ of ontransparant handelt.16. Deze stellingen zijn essentieel omdat deze een bewind ex art. 1:431 lid 1 BW kunnen rechtvaardigen indien [verweerder 2] niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen ten aanzien van deze goederen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De overwegingen van het hof dat hij al vele jaren zonder financiële problemen begeleid woont, dat hij wordt ondersteund door de Stichting Pameijer en zijn zus en dat het hof uit genoemde verklaringen afgeleid dat hij in staat is om zijn financiën zelf behoorlijk waar te nemen zijn onvoldoende dragend. Het gaat immers om een aanzienlijk vermogen waarbij er bovendien een belangenverstrengeling is met zijn zus [verweerster 1] (die als bestuurder van de stichting, als gevolmachtigde van moeder die mede erfgenaam isen als ondersteuner van [verweerder 2] optreedt).17. Verzoekers hebben op deze onwenselijke situatie gewezen18. en er ook op gewezen dat de ondersteuning van de Stichting Pameijer nog wel door een medewerker daarvan kan worden gedaan maar dat dit niet geldt voor het beheer van genoemde goederen waarmee substantiële bedragen zijn gemoeid.19. Het hof had daar specifiek op moeten reageren en moeten motiveren waarom het desondanks tot het oordeel komt dat [verweerder 2] in staat is om zijn financiële, althans zijn vermogensrechtelijke belangen, ten aanzien van deze specifieke (en bepaalde niet alledaagse) goederen behoorlijk waar te nemen. Daar komt bij dat vaststaat dat [verweerder 2] begeleid woont en begeleiding bij het beheer van zijn eigen financieren nodig heeft zodat — zonder verdere motivering die ontbreekt — niet valt in te zien dat hij deze (meer) complexe materie waarbij het gaat om substantiële bedragen behoorlijk kan waarnemen.20.
12.
Het hof lijkt in zijn oordeelsvorming vooral oog te hebben gehad op de dagelijkse financiën maar voorbij te zijn gegaan aan deze (meer) complexe materie waarbij aanzienlijke belangen spelen en ook nog eens een belangenverstrengeling met zus [verweerster 1] of afhankelijkheid op de loer ligt. Het hof had de mogelijkheid om specifiek ten aanzien van de desbetreffende goederen (de vorderingen van [verweerder 2] uit hoofde van de onverdeelde nalatenschap) een bewind uit te spreken.21.
13.
In dit verband wordt gewezen op artikel 1:441 lid 2 sub d BW dat de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter nodig heeft bij het overeenkomen dat een boedel waartoe de rechthebbende gerechtigd is voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten. Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever het niet verantwoord vindt dat een boedel, waaronder de nalatenschap in de onderhavige casus, onverdeeld wordt gelaten.22. Zonder nadere motivering is daarom onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat de rechthebbende zelf in staat is om zijn financiën, althans zijn vermogensrechtelijke belangen, op dit punt behoorlijk waar te nemen nu de onverdeelde nalatenschap van vader nog altijd niet is afgewikkeld en gelet op de belangenverstrengeling/ afhankelijkheid van zus [verweerster 1].23. Bovendien motiveert het hof niet waarom de ondersteuning van Stichting Pameijer in dit verband toereikend zou zijn nu deze beperkt is tot ‘twee keer per week een uur begeleiding om zaken af te stemmen en het leven te bespreken’.24.
Onderdeel 3
14.
Bij het slagen van één of meer van voorgaande onderdelen kunnen de eindbeslissing van het hof in r.o. 5.5, 5.6 en 6 en alle samenhangende of voortbouwende overwegingen in de beschikking niet in stand blijven.
Weshalve
Verzoekers zich wenden tot de Hoge Raad met het eerbiedige verzoek de bestreden beschikking en Rolbeslissing te vernietigen met zodanige verdere beschikking als uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Leiden, 18 maart 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑03‑2024
r.o. 2.6
zie r.o. 2.4 van de bestreden beschikking
Besluit van 24 maart 2023 tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19, Staatsblad 2023, 101; genoemde nieuwe wetgeving is nog niet in werking getreden
ook in de zaken 200.310.624/01, 200.310.624/02 en 200.310.625/01; de zaken zijn gezamenlijk behandeld zie r.o. 2.4
en de mondelinge behandeling plaatsvond na 1 juni 2023; zie voornoemd Besluit
zie art. 19 lid 2 Rv. en 6 EVRM zie verder: EHRM 5 oktober 2006, Marcello Viola t. Italië,ECLI:NL:XX:2006:AZ1541, waarin in r.o. 65 en 66 voorop wordt gesteld dat videoconferentie in overeenstemming moet zijn met het lokale recht en ook een ‘legal aim’ moet dienen; in deze zaak ontbreken beide
nu toestemming van alle betrokken partijen ontbrak
zie de e-mail van mr Sanders in bijlage 2;
zie de e-mail van mr. Budhu Lall in bijlage 3
HR 15-12-2020 .ECLI:NL:HR:2020:2037, r.o. 5.3.6
zie onderdeel 3 en hiervoor geciteerde e-mail van mr. Budhu Lall in bijlage 3
de vraag is bovendien of de door de advocaat van verzoekers opgegeven redenen überhaupt voldoende grond of bijzondere omstandigheden zouden opleveren voor het houden van een videoconferentie
zie de samenvatting van deze stellingen in r.o. 5.1 de vindplaatsen en het beroepsschrift nrs. 12, 15, 23, 25 en 29
beroepsschrift nrs. 12, 23 en 24
zie beroepsschrift nrs. 19, 21, 23, 26; zie voor het levenstestament van moeder de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2023 met zaaknummers: 200.310.624/01, 200.310.624/02 en 200.310.625/01
zie de samenvatting van deze stellingen in r.o. 5.1 en verder het beroepschrift van verzoekers: nrs. 25, 26, 27 en 29
zie beschikking kantonrechter p. 2 en r.o. 5.4 bestreden beschikking; uit het verweerschrift in hoger beroep blijkt dat de begeleiding beperkt is tot 2x per week 1u om zaken af te stemmen en het leven te bespreken
voor de aanvaarding van een nalatenschap is de bewindvoerder zelfs met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd lid 5
zie r.o. 5.1 en eerder genoemde stellingen
Beroepschrift 18‑03‑2024
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKPROCEDURE
Geeft eerbiedig te kennen:
- 1.
de heer [verzoeker 1] wonende te [woonplaats]
- 2.
de heer [verzoeker 2] wonende te [woonplaats], België (hierna te noemen: ‘verzoekers’), te dezer zake woonplaats kiezende aan de Rijnsburgerweg nr. 141, 2334 BM Leiden (postadres: Postbus 788 2300 AT Leiden) ten kantore van Groenendijk & Kloppenburg Advocaten van wie de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. N.C. van Steijn hen ten deze vertegenwoordigt en deze procesinleiding ondertekent.
Verweerders in cassatie zijn:
- 3.
mevrouw [de moeder] wonende te [woonplaats], (hierna te noemen: ‘moeder’);
- 4.
mevrouw [verweerster 1] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: ‘[verweerster 1]’);
- 4.
de heer [verweerder 2] wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: ‘[verweerder 2]’);
Verweerders 1 t/m 3 (hierna gezamenlijk te noemen: ‘verweerders’) in laatste feitelijke instantie bijgestaan door de advocaat mr. P.M. Boiten kantoorhoudende te (3341 LE) Hendrik-Ido-Ambacht aan de Kerkstraat 36;
Inleiding
1.
Deze zaak ziet toe op de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2023 met zaaknummers: 200.310.624/01, 200.310.624/02 en 200.310.625/01. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met deze beschikking. Datzelfde geldt voor de beslissing van het hof van 31 oktober 2023 waarin toestemming is gegeven aan verweerders voor het digitaal bijwonen van de mondelinge behandeling (hierna: ‘de Rolbeslissing’, bijlage 4).
2.
Deze zaak hangt samen met de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2023 met zaaknummer 200.314.794/01. De zaken zijn gezamenlijk behandeld op de mondelinge behandeling van 1 november 2023.1. In beide zaken wordt (separaat) cassatieberoep ingesteld.
3.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 november 2023 was ten tijde van het opstellen van dit verzoekschrift nog niet in het dossier aanwezig en is opgevraagd. In dit verband wordt een voorbehoud gemaakt om het middel te mogen aanvullen indien het proces-verbaal daar aanleiding toe mocht geven.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof in zijn ten deze bestreden beschikking en de Rolbeslissing op de daarin vermelde gronden recht heeft gedaan als daarin is aangegeven, zulks om de navolgende — mede in onderling verband te beschouwen — redenen.
Onderdeel 1
4.
Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door verweerders (en hun advocaat) tijdens de mondelinge behandeling te horen via een videoverbinding2., althans het is onbegrijpelijk dat het hof het horen via een videoverbinding heeft toegestaan gelet op de bezwaren van verzoekers.
5.
De mogelijkheid tot videoconferentie in civiele zaken is geïntroduceerd in de tijdelijke wetgeving rond COVID. Per besluit van 24 maart 2023 is deze mogelijkheid echter (per 1 juni 2023) vervallen.3. In de toelichting bij dit besluit wordt ingegaan op de consequentie daarvan:
‘De consequentie daarvan is onder meer dat na verval van artikel 2 uit de Tijdelijke wet er geen basis meer wordt geboden voor de inzet van videoconferentie in het civiel recht en het bestuursrecht zonder instemming van partijen indien in verband met COVID-19 het houden van een fysieke zitting niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat, zoals ook vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet het geval was, ook zonder (Tijdelijke) wettelijke regeling met instemming van partijen gebruik kan worden gemaakt van videoconferentie. De inzet van videoconferentie blijft dus gewoon mogelijk, ook al ontbreekt een expliciete wettelijke regeling. Daarnaast wordt er op dit moment gewerkt aan een structurele regeling voor de technische- en procedurele waarborgen voor de inzet van videoconferentie in het civiel recht en het bestuursrecht. Het opstellen, behandelen in de Tweede en Eerste Kamer, en invoeren van structurele wetgeving voor de inzet van videoconferentie zal echter geruime tijd in beslag nemen.’
6.
De advocaat van verweerders had het hof per e-mail van 25 oktober 2023 verzocht om een digitale zitting.4. De advocaat gaf als reden dat hij geen oppas had voor zijn twee kinderen, dat hij een confrontatie tussen partijen wenste te voorkomen en dat dit hem een hoop reistijd scheelt (bijlage 1). De advocaat van verzoeker sub 1 heeft hier per e-mail van dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt (bijlage 2). Datzelfde geldt voor de advocaat van verzoeker sub 2 (bijlage 3). Het hof (de voorzitter) heeft per e-mail van 31 oktober 2023 (zonder nadere motivering) akkoord aan verweerders gegeven voor het digitaal bijwonen van de zitting (bijlage 4).
7.
Door toestemming te geven aan verweerders voor het digitaal bijwonen van de zitting (hierna: ‘videoconferentie’) is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat de wettelijke basis daarvoor ontbreekt nu betrokken partijen daar niet gezamenlijk mee hadden ingestemd.5. Gelet op het bezwaar van beide verzoekers had het hof het verzoek om een videoconferentie van verweerders moeten weigeren. Door zonder wettelijke basis een videoconferentie toe te staan heeft het hof de wet6., de goede procesorde, de beginselen van hoor en wederhoor en/of recht op een eerlijk proces (zoals vastgelegd in art. 21 Rv. en 6 EVRM) geschonden.7. De wet, de goede procesorde en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden doordat het hof gebruik heeft gemaakt van videoconferentie zonder dat daarvoor een wettelijke basis was.8. Daarnaast heeft hoor en wederhoor onvoldoende plaatsgevonden nu verweerders zijn gehoord via een videoconferentie waarvoor de wettelijke basis ontbrak en die (per definitie) minder waarborgen vormt dan de voorgeschreven fysieke zitting.9.
8.
Mocht worden geoordeeld dat er toch een wettelijke basis was voor het laten doorgaan van een videoconferentie dan had het hof gemotiveerd moeten aangeven op welke gronden de videoconferentie werd toegestaan en gemotiveerd moeten ingaan op de bezwaren van verzoekers. In dit verband had de advocaat van verzoeker sub 1 bezwaar gemaakt tegen videoconferentie gelet op de familieverhoudingen, dat er bij een eerdere zitting geen problemen waren voorgevallen in de communicatie tussen partijen en dat er voldoende tijd was om het praktisch probleem van de advocaat van verweerders (geen oppas) op te lossen.10. De advocaat van verzoeker sub 2 sloot zich daarbij aan en wees erop dat een digitale deelname het hof niet in de gelegenheid stelt het fysieke welzijn van moeder en [verweerder 2] lijfelijk te beoordelen en dat het waarschijnlijk is dat in een kleine setting van digitale deelname zij zich niet zullen durven uit te spreken en een eigen mening vormen los van wat zus [verweerster 1] vindt.11. Het hof (of de voorzitter/rolraadsheer) had gemotiveerd moeten ingaan op de door verweerders aangegeven redenen voor een videoconferentie, de bezwaren van verzoekers daartegen en de vraag of de aard van de zaak zich niet verzet tegen behandeling via videoconferentie.12. Dat klemt temeer in een zaak als deze waar partijen strijden over de vraag of sprake is van beïnvloeding of afhankelijkheid13. en van belang is dat partijen fysiek en van elkaar gescheiden in een zittingszaal worden gehoord zodat partijen door alle betrokkenen goed kunnen worden geobserveerd en onderlinge beïnvloeding zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Het hof heeft dat miskend nu enige motivering ontbreekt in de Rolbeslissing waarbij de videoconferentie is toegestaan en in de beschikking.14.
9.
Bij het slagen van dit onderdeel kan de bestreden beschikking niet in stand blijven nu deze is gebaseerd of voortbouwt op een mondelinge behandeling waarbij gebruik is gemaakt van de bestreden videoconferentie.
Onderdeel 2
10.
Dit onderdeel wordt ingesteld voor het geval onderdeel 1 niet slaagt. In het geval onderdeel 1 slaagt en de zaak wordt verwezen voor een volledig nieuwe mondelinge behandeling behoeft dit onderdeel geen behandeling.
11.
Het hof heeft in r.o. 5.11 en 5.12 onvoldoende gemotiveerd gereageerd op de essentiële en gemotiveerde stelling van verweerders dat het levenstestament in 2019 is opgesteld terwijl daarvoor (in 2014) al dementie bij moeder was gediagnosticeerd.15.16. Deze stelling is essentieel omdat — dit wegens een wilsgebrek — de geldigheid van het levenstestament kan aantasten en daarmee de aan [verweerster 1] verstrekte volmacht. 17.
12.
Bovendien is deze stelling en de stelling dat moeder ook thans niet wilsbekwaam of afhankelijk van [verweerster 1] is18. van belang bij beoordeling of moeder wel conform haar wil tijdens de videoconferentie (waarbij zij thuis naast [verweerster 1] zat) heeft aangegeven dat zij wenst dat [verweerster 1] haar belangen behartigt.
Onderdeel 3
13.
Dit onderdeel wordt ingesteld voor het geval onderdeel 1 niet slaagt. In het geval onderdeel 1 slaagt en de zaak wordt verwezen voor een volledig nieuwe mondelinge behandeling behoeft dit onderdeel geen behandeling.
14.
Het hof heeft in r.o. 5.11 en 5.12 onvoldoende gemotiveerd gereageerd op de essentiële en gemotiveerde stellingen van verweerders — kort samengevat inhoudende — dat sprake is van het isoleren van moeder doordat zij wordt weggehouden bij de rest van de familie, waaronder verweerders.19.20. Deze stellingen zijn essentieel omdat gegronde redenen om af te wijken van de voorkeur van de rechthebbende (neergelegd in een levenstestament) ook gelegen kunnen zijn in omstandigheden die zich met het oog op de belangen van de rechthebbende ertegen verzetten dat de voorkeur van de rechthebbende wordt gevolgd.21. Zo kunnen de omstandigheden dat de betrokkene klem komt te zitten in een familieruzie of goede vrienden en familie uit het oog zou verliezen grond zijn voor de rechter om voorbij te gaan aan de door de betrokkene verleende volmacht in een levenstestament en een bewindvoerder of mentor te benoemen.22. Het hof reageert hier in het geheel niet op. Mocht het hof van oordeel zijn dat voornoemde stellingen niet relevant zijn dan is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en anders is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.
15.
Voorzover het hof met de slotoverweging in r.o. 5.12 — dat verstoorde familieverhoudingen niet wenselijk zijn maar het oordeel niet anders maken — van oordeel was dat verstoorde familieverhoudingen (althans niet-financiële omstandigheden) niet relevant zijn bij de vraag of het levenstestament kan worden gepasseerd is het hof gelet op het voorafgaande uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Voorzover het hof met deze slotoverweging heeft bedoeld te reageren op voornoemde stellingen is de motivering van het hof onvoldoende. Het hof motiveert immers onvoldoende waarom het gestelde isoleren van moeder van de rest van de familie geen afwijking van het levenstestament rechtvaardigt
16.
Het voorgaande geldt zowel voor wat betreft het beschermingsbewind als het mentorschap.23.
Onderdeel 4
17.
Bij het slagen van één of meer van voorgaande onderdelen kunnen de eindbeslissing van het hof in r.o. 5.13, 5.14 en 6 en alle samenhangende of voortbouwende overwegingen in de beschikking niet in stand blijven.
Weshalve
Verzoekers zich wenden tot de Hoge Raad met het eerbiedige verzoek de bestreden beschikking en Rolbeslissing te vernietigen met zodanige verdere beschikking als uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Leiden, 18 maart 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑03‑2024
r.o. 2.6
zie r.o. 2.6 van de bestreden beschikking
Besluit van 24 maart 2023 tot wijziging van enkele vervaldata van wettelijke voorzieningen die zijn getroffen in verband met de uitbraak van COVID-19, Staatsblad 2023, 101; genoemde nieuwe wetgeving is nog niet in werking getreden
ook in de zaak 200.314.794/01; de zaken zijn gezamenlijk behandeld zie r.o. 2.6
en de mondelinge behandeling plaatsvond na 1 juni 2023; zie voornoemd Besluit
zie art. 19 lid 2 Rv. en 6 EVRM zie verder: EHRM 5 oktober 2006, Marcello Viola t. Italië,ECLI:NL:XX:2006:AZ1541, waarin in r.o. 65 en 66 voorop wordt gesteld dat videoconferentie in overeenstemming moet zijn met het lokale recht en ook een ‘legal aim’ moet dienen; in deze zaak ontbreken beide
nu toestemming van alle betrokken partijen ontbrak
zie de e-mail van mr Sanders in bijlage 2;
zie de e-mail van mr. Budhu Lall in bijlage 3
HR 15-12-2020 .ECLI:NL:HR:2020:2037, r.o. 5.3.6
zie onderdeel 3 en hiervoor geciteerde e-mail van mr. Budhu Lall in bijlage 3
de vraag is bovendien of de door de advocaat van verzoekers opgegeven redenen überhaupt voldoende grond of bijzondere omstandigheden zouden opleveren voor het houden van een videoconferentie
Verweerschrift in appel, tevens incidenteel hoger beroep van [verzoeker 1] nr. 5 (onder verwijzing naar de verwijsbrief voor verwijs afspraken Consult of ZorgDomein behandeling Ergotherapie eerstelijns in bijlage 4 bij het beroepschrift van verweerders in cassatie), nrs. 12, 43, 50; zie ook de brief van de advocaat van [verzoeker 1] aan het hof van 21 oktober 2023 p. 1 onder Productie H-4 e.v.
Verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel van [verzoeker 2] nrs. 4, 6, 16
Verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel van [verzoeker 2] nr. 16
zie r.o. 5.12 waarin het hof in het midden laat of moeder thans niet in staat is haar financiële en niet financiële belangen zelf behoorlijk waar te nemen en waarover partijen van mening verschillen; zie verder: Verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel van [verzoeker 2] nrs. 13 en de e-mail van mr. Budhu Lall in bijlage 3
Verweerschrift in appel, tevens incidenteel hoger beroep van [verzoeker 1] nrs. 8, 10, 12, 23, 24, 26, 35 t/m 36, 41, 59, zie ook de daarop gerichte voorlopige voorziening samengevat in r.o. 4.4 en 4.7
Verweerschrift tevens beroepschrift in incidenteel appel van [verzoeker 2] nrs. 9, 12, 14 zie ook de daarop gerichte voorlopige voorziening samengevat in r.o. 4.5
HR 17-06-2022, ECLI:NL:HR:2022:870, zie ook voornoemd verweerschrift nr 52
ECLI:NL:PHR:2023:120, nr. 2.30
1:435 lid 3 BW en 1: 452 lid 3 BW; in beide bepalingen volgt de rechter immers de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten, zie ook ECLI:NL:PHR:2023:120, nr. 2.7 en 2.9.2 en 2.30 (hiervoor ook aangehaald), in elk geval ziet het mentorschap toe op niet vermogensrechtelijke belangen