Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/0.2:0.2 Behandelwijze
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/0.2
0.2 Behandelwijze
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS577918:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als vertrekpunt van de studie zal in hoofdstuk I het begrip ‘uiterste wilsbeschikking’ en met name het element ‘eenzijdigheid’ belicht worden. Bovendien wordt in hoofdstuk II aandacht besteed aan het aan een uiterste wilsbeschikking dwingendrechtelijk gekoppelde gevolg dat deze rechtshandeling altijd eenzijdig te herroepen is. Vervolgens staat in hoofdstuk III centraal de ‘belemmering in de uitoefening van erfrechtelijke bevoegdheden’ en de ‘overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen’.
In hoofdstuk IV wordt aandacht geschonken aan overeenkomsten/eenzijdige rechtshandelingen die sterke gelijkenis vertonen met uiterste wilsbeschikkingen. Het betreft de ‘quasi-legaten’. Onder meer kan gedacht worden aan de giften met werking bij overlijden, het verblijvingsbeding, het toedelingsbeding en het overnemingsbeding werkend bij overlijden.
De overeenkomst van levensverzekering, als quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 2 onder b BW, blijft buiten beschouwing. Dit gelet op de eigen aard van de levensverzekeringsovereenkomst, die bovendien een eigen regeling kent. In hoofdstuk V is er aandacht voor het contractuele erfrecht ‘pur sang’.
De per 1 januari 2003 vervallen contractuele erfstellingen en legaten (art. 1:146 BW(oud) en art. 1:147 BW(oud)) komen daar aan bod, evenals het ‘gemeinschaftliches Testament’ en het ‘Erbvertrag’ uit het Duitse erfrecht.
Zijn de eenzijdigheid en de herroepelijkheid van het begrip ‘uiterste wilsbeschikking’ te star geformuleerd? Moeten de contractuele erfstellingen en legaten een comeback maken? Vragen die aan de orde zijn in hoofdstuk VI, alwaar enkele conclusies getrokken worden en waar bezien wordt of de Nederlandse wetgeving de erfrechtelijke praktijk voldoende ruimte biedt.
Er zal, zo bleek hiervoor al, ook een blik over de grens worden geworpen. Gezocht is naar een land waar het contractuele erfrecht sinds jaar en dag een vaste plek heeft gevonden, niet alleen in de wet, zoals in Nederland, maar ook in de praktijk. Ik stuit dan al snel op Duitsland. Het aldaar populaire gemeinschaftliches Testament, het Erbvertrag en het Erbverzichtsvertrag sluiten goed aan op de aan de orde zijnde (rechts)vragen.
Rechtsvergelijking is ook nodig omdat in Nederland het beginsel van de (absolute) herroepelijkheid nauwelijks ter discussie heeft gestaan en het contractuele erfrecht niet veel aandacht heeft gehad. Het betreft derhalve rechtsvergelijking ter relativering van onze Nederlandse standpunten. De beschrijving van het Duitse recht als zodanig is geen doel op zich, doch dient slechts ter ondersteuning van deze studie, in het bijzonder daar waar het de vraag betreft of contractueel erfrecht wenselijk is en hoe dit dan vorm zou kunnen worden gegeven. De beschrijving en bestudering geschieden derhalve teneinde inspiratie op te doen. Volstaan wordt dan ook met het beschrijven van de hoofdlijnen en het signaleren van de knelpunten. Hier en daar citeer ik uit Duitse literatuur en wetgeving, en beperk ik mij niet tot een verwijzing. Het aanhalen van bepaalde passages vergroot de toegankelijkheid en leesbaarheid van het werk.