Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/
Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382179:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De uittredingsnorm van art. 2:251 BWNA luidt identiek, zie lid 1: 'De houder van aandelen op naam, die door gedragingen van de vennootschap dan wel van één of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan tegen de vennootschap een vordering tot uittreding instellen, inhoudende dat deze aandelen tegen contante betaling overneemt.' Zie over de invulling van deze norm (die dus niet afwijkt van hetgeen geldt voor art. 2:343 lid 1 BW): Frielink (2006), p. 160. Frielink voorzag dat criminele activiteiten die de reputatie van een betrokken aandeelhouder op het spel zetten, een grond voor uittreding vormen. Een ander voorbeeld van zijn hand betrof de 'principieel pacifistische aandeelhouder' die door een beleidswijziging van de vennootschap opeens betrokken raakte bij productie of verspreiding van militair strategische goederen.
Zie over de redelijkheid ook Losbl. Rp. (Roest), art. 343, aant. 2.
De uittredingsnorm is een andere norm dan die voor uitstoting. Het gaat bij uittreding niet om de schending van het vennootschappelijk belang, maar om die van de eigen rechten en belangen van de aandeelhouder. Art. 2:343 lid 1 BW behelst deze norm: indien een aandeelhouder zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad door het gedrag van de andere aandeelhouder(s) dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd nog langer aandeelhouder te blijven, mag hij zijn eigen uittreding vorderen.1 Waar de uitstotingsnorm restrictief uitgelegd wordt, is bij de uittreding juist sprake van een extensieve interpretatie. Dit ziet niet alleen op het gedrag van de aandeelhouder, maar ook op de te schenden rechten of belangen van de uittreder. De schadelijke gedragingen moeten 'zodanig' zijn dat het langer blijven van aandeelhouder in redelijkheid niet meer gevraagd kan worden.2 Deze twee elementen van de uittredingsnorm zijn gelijk aan die bij de uitstoting. De rechter toetst of de belangen van de overnemende aandeelhouder niet zwaarwegender zijn dan de belangen van de uittreder. Deze laatste heeft niet enigszins last van de gedragingen van de ander, maar er is sprake van een zodanige of zware schending van zijn rechten en belangen, dat het ondoenlijk zou zijn hem zijn aandelen nog langer te laten houden. Toch is er een groot verschil tussen de norm voor aandeelhoudersgedrag bij uitstoting en bij uittreding. Het vereiste van 'in hoedanigheid van aandeelhouder' speelt bij de laatste vordering niet. Ik bespreek thans (onder meer) dit aspect van de soort gedraging, waarna ik in ga op de te schenden belangen.