Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.3.2
4.3.3.2 De inquisitoire adviesopdracht
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702083:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tenzij de verzoeker uitdrukkelijk aangeeft het verzoek te beperken tot bepaalde schadeposten: ABRvS 25 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO4344 (Planschade Hummelo & Keppel).
Stb. 2008, 145, p. 65.
Uitgebreid: § 5.4.4.
De aanvraag zal moeten voldoen aan de (summiere) eisen van art. 6.4 lid 3 Wro en art. 6.1.2.2 Bro.
ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1397. Vanaf het moment dat kan worden gereageerd op het conceptrapport, is het maken van deskundigen (en rechtsbijstandskosten) redelijk: ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:609.
Schlössels & S.E. Zijlstra 2017 (1), nr. 255.
Van Zundert, BR 2018/14.
Hoogendijk-Deutsch & Samkalden 1978, p. 38.
Net als de onteigeningsdeskundige, heeft ook de planschade- en nadeelcompensatieadviseur een inquisitoire adviestaak. Dit houdt in dat de adviseur naar aanleiding van het verzoek zelfstandig onderzoek doet naar de schadeoorzaak, de relevante schadeposten en de omvang van de schade. De deskundige mag zich in zijn onderzoek dus niet beperken tot de door de verzoeker gestelde en gespecificeerde schadeposten.1 Indien de verzoeker in diens aanvraag bijvoorbeeld vermogensschade claimt ten gevolge van een beperking van het vrije uitzicht (bij indirecte planschade), kan de adviseur goed en wel tot de conclusie komen dat zich ook nog vermogensschade voordoet in de vorm van vermindering van de privacy.
Zoals bij de onteigeningsdeskundige de inquisitoire adviestaak voortvloeit uit de taak van de onteigeningsrechter (uitgebreid § 4.2.3.2), zo vloeit die bij de planschade- en nadeelcompensatieadviseur voort uit de taak van het bestuursorgaan.2 In dit kader bepaalt art. 6.1.2.2 lid 1 onder a t/m c Bro dat de (plan)schadeaanvraag een ‘aanduiding’ van de schadeoorzaak en van de schade moet bevatten. In de Nota van Toelichting bij het Bro wordt daarover het volgende opgemerkt.
“De term «aanduiding» beoogt te verhelderen dat niet van de aanvrager kan worden gevergd dat hij alle mogelijke schadecomponenten in ogenschouw moet nemen en die moet voorzien van een uitvoerig beargumenteerde onderbouwing. Het impliceert tevens dat het beslissend bestuursorgaan moet nagaan of ook andere schade-elementen aanwezig zijn die bij de beslissing op de aanvraag redelijkerwijs moeten worden betrokken.”3
Het inquisitoire deskundigenonderzoek kenmerkt planschade- en nadeelcompensatieprocedures als ‘gebruikersvriendelijk’.4 Van aanvragers wordt immers betrekkelijk weinig verwacht.5 De gedachte is nu juist dat de adviseur zelfstandig onderzoek doet naar de feiten en omstandigheden en beziet of die feiten en omstandigheden ook juridisch relevant zijn. Daartoe staan hem allerlei ‘onderzoeksbevoegdheden’ ter beschikking (zoals het houden van een hoorzitting of een bezichtiging ter plaatse). Het inquisitoire karakter van het onderzoek is tevens de reden dat eventuele deskundigenkosten die de aanvrager maakt voorafgaand aan het conceptrapport, niet voor vergoeding in aanmerking komen.6
De inquisitoire adviestaak keert, voor zover ik kan overzien, niet terug in andere delen van het bestuursrecht. Het is een algemene regel in het bestuursrecht dat de aanvraag leidend is voor de daaropvolgende beslissing.7 Het bevoegd gezag kan weliswaar van de aanvrager verlangen dat deze diens aanvraag aanvult (art. 4:5 lid 1 Awb), maar het is niet de bedoeling dat het bevoegd gezag zelf, ambtshalve dus, de aanvraag gaat aanvullen of daarvan gaat afwijken.8 Zo mag het bevoegd gezag bijvoorbeeld niet een andere of ruimere vergunning verlenen dan is aangevraagd omdat het meent dat die andere vergunning meer recht zou doen aan de situatie van de aanvrager. In het verlengde daarvan is het ook niet de bedoeling dat de deskundige buiten de aanvraag treedt. De (wettelijke) adviesopdracht bevat zowel de criteria waarover moet worden geadviseerd als de grenzen van de adviestaak.9