Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.4.2
11.4.4.2 Goedkeurende regeling voor bepaalde achterblijvende fiscale aanspraken
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491485:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 11.3.11.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 4, nr. 5, p. 9 en Kamerstukken I 1997/98, 25 709, nr. 315b, p. 2. Zie ook de Brief van 1 april 1998, V-N 1998/18.15, onderdeel 9.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 9-11.
Het splitsingstijdstip wordt behandeld in onderdeel 11.4.3.
Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 5.1.
Zie de onderdelen 11.4.4.9, 11.4.4.11, 11.4.4.12 en 11.4.4.13.
Dit verzoek moet worden ingediend bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling vennootschapsbelasting van de splitsende rechtspersoon. De staatssecretaris heeft de inspecteur toestemming verleend om namens hem te beslissen op zo’n verzoek. Het Beleidsbesluit NLF 2021/1057 bevat hiervoor een modelgoedkeuring in bijlage 5.
Zie de onderdelen 11.3.3, 11.3.6, 11.3.8 en 11.3.9. Bij een ruisende zuivere splitsing kan de goedkeuring dus niet worden toegepast. Als de splitsingspartners het verloren gaan van de subjectgebonden fiscale aanspraken ongewenst vinden, dienen zij dus te opteren voor een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Dat is ook mogelijk zonder positieve splitsingswinst. Zie daarover de onderdelen 11.3.10 en 12.5.9.
Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 5.2.
Zie onderdeel 11.4.4.11.
De eerder in dit onderzoek geanalyseerde fiscale indeplaatstreding geldt ook als de doorschuifregeling op verzoek wordt toegepast, zij het voor zover daaraan geen voorwaarden zijn gesteld.1 Volgens de staatssecretaris (als wetsuitvoerder) vallen zogenoemde subjectgebonden fiscale aanspraken niet onder het bereik van de fiscale indeplaatstreding. In het geval van een afsplitsing blijven deze aanspraken achter bij de afsplitsende rechtspersoon die blijft voortbestaan. Of de fiscale aanspraken na het afsplitsingstijdstip kunnen worden verzilverd bij deze afsplitser, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Bij een zuivere splitsing houdt de splitsende rechtspersoon op te bestaan. Het standpunt van de bewindspersoon betekent voor die gevallen concreet dat eventueel aanwezige subjectgebonden fiscale aanspraken van dit belastingsubject zonder nadere voorziening verloren gaan. Voorafgaand aan de invoering van de fiscale splitsingsregels gaf de fiscale wetgever met betrekking tot verliesaanspraken als bedoeld in art. 20 Wet VPB 1969 al te kennen een dergelijk gevolg onwenselijk te vinden.2 Hij stelde destijds al een regeling in het vooruitzicht op basis waarvan dergelijke verliesaanspraken op verzoek zouden kunnen overgaan naar de verkrijger(s). Daarbij zou gewaakt worden voor effecten die vergelijkbaar zijn met handel in verliezen. Bovendien kondigde de wetgever een voorwaarde aan op grond waarvan de verliesaanspraken van de splitser bij de verkrijgers uitsluitend afgezet zouden kunnen worden tegen winsten die werden behaald met het van de splitser afkomstige vermogen.3
Het beleidsbesluit zuivere splitsing bevat een goedkeurende regeling op grond waarvan bepaalde, onmiddellijk vóór het splitsingstijdstip aanwezige fiscale aanspraken van de splitser (alsnog) kunnen overgaan naar de verkrijgers.4 Het gaat over de volgende vier aanspraken:5
Een aanspraak op voortwenteling van een saldo aan rente op de voet van de earningsstrippingmaatregel van art. 15b Wet VPB 1969.
Een aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen als bedoeld in art. 20 Wet VPB 1969.
Het saldo van onverrekende winstbelasting ter zake van een niet-kwalificerende beleggingsdeelneming in de zin van art. 23c, lid 7, Wet VPB 1969.
Het saldo van onverrekende buitenlandse ondernemingswinsten ter zake van een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming ex art. 23d, lid 5, Wet VPB 1969.
Fiscale aanspraken die op deze wijze overgaan, kunnen bij de betreffende verkrijgers slechts met inachtneming van standaardvoorwaarden worden verzilverd. Deze standaardvoorwaarden regelen kort gezegd dat de verkrijgers de verkregen fiscale aanspraken alleen in aanmerking kunnen nemen binnen de sfeer van het vermogen dat in het kader van de zuivere splitsing is verkregen.6
Aan deze goedkeurende regeling zijn vier voorwaarden verbonden:
Door alle bij de zuivere splitsing betrokken rechtspersonen wordt schriftelijk om de goedkeurende regeling verzocht.7
De goedkeurende regeling geldt slechts als de doorschuifregeling op verzoek ex art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969 of de goedkeurende regeling voor te laat ingediende verzoeken wordt toegepast. Deze voorwaarde volgt overigens al uit de wetssystematiek. De aanwezigheid van de hiervóór opgesomde aanspraken blokkeert immers de toepassing van de wettelijke doorschuifregeling.8
De goedkeurende regeling geldt met inachtneming van de door de inspecteur vastgestelde verdeling van de fiscale aanspraken over de verschillende verkrijgers. De staatssecretaris geeft aan dat deze noodzakelijke verdeling door de inspecteur wordt beoordeeld. Dit impliceert dat de splitsingspartners eerst een voorstel voor de verdeling opstellen. Het initiatief voor de verdeling ligt volgens mij dus bij de splitsingspartners. Hun voorstel is echter niet vrijblijvend. Bij de beoordeling ervan hanteert de inspecteur namelijk het uitgangspunt dat de fiscale aanspraken zoveel mogelijk meegaan met de vermogensbestanddelen die deze aanspraken hebben veroorzaakt, de zogenoemde causale allocatie. Onder omstandigheden kan een causale toerekening onmogelijk of praktisch onuitvoerbaar zijn. Zo kan het lastig zijn om te bepalen welke vermogensbestanddelen in het verleden precies welke verliezen ex art. 20 Wet VPB 1969 hebben veroorzaakt. Denkbaar is ook dat de verlies veroorzakende vermogensbestanddelen op het splitsingstijdstip niet langer aanwezig zijn. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de fiscale wetgever oog heeft voor deze praktische bezwaren.9 Als de belanghebbenden kunnen aantonen dat causale (verlies)allocatie onmogelijk of praktisch onuitvoerbaar is, kunnen zij naar eigen inzicht de verliezen toerekenen. Deze vrije keuze is ook mogelijk met betrekking tot verliezen die afkomstig zijn uit activiteiten die vóór de zuivere splitsing zijn beëindigd.10
De goedkeuring, de daarin opgenomen verdeling en de daarbij gestelde voorwaarden worden door alle bij de splitsing betrokken rechtspersonen binnen twee maanden na dagtekening van de goedkeuring schriftelijk aanvaard.
Het beleidsbesluit zuivere splitsing bevat hiernaast nog een goedkeuring op basis waarvan verliezen die de verkrijgers na de splitsing realiseren (nasplitsingsverliezen), onder voorwaarden kunnen worden verrekend met winsten van de splitsende rechtspersoon van vóór de splitsing (voorsplitsingswinsten).11 Bij de bespreking van de regels voor verliesverrekening over het splitsingstijdstip kom ik hierop terug.12