V-N 2022/6.14
Ook invorderingsrente over periode dat vergrijpboeten nog niet onherroepelijk vaststonden
HR 21-01-2022, ECLI:NL:HR:2022:50, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21 januari 2022
- Magistraten
Koopman, Wortel, Beukers-van Dooren, Boerlage, Cools
- Zaaknummer
21/00733
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS631871:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Invorderingsrente en betalingskorting
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal procesrecht / Procesorde
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2022:50, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑04‑2021
- Wetingang
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat het recht van X zichzelf niet te hoeven incrimineren voldoende is gewaarborgd door de mogelijkheid om voor de boeten uitstel van betaling te vragen. X kan zich achteraf niet beroepen op de onschuldpresumpie omdat de boeten inmiddels onherroepelijk vast staan.
Samenvatting
Aan X zijn in het verleden diverse navorderingsaanslagen met vergrijpboeten opgelegd in verband met verzwegen buitenlandse bankrekeningen. Inmiddels staan deze aanslagen, de heffingsrente en boeten onherroepelijk vast (zie HR 6 december 2013, 12/00442, V-N 2013/61.4) en eind 2013 voldoet X alle openstaande bedragen. In geschil is de beschikking invorderingsrente ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.