HR, 21-01-2022, nr. 21/00733
ECLI:NL:HR:2022:50
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-01-2022
- Zaaknummer
21/00733
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:50, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:4060
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑04‑2021
- Vindplaatsen
V-N 2022/6.14 met annotatie van Redactie
NLF 2022/0263 met annotatie van Jacques Raaijmakers
BNB 2022/32 met annotatie van J.J. VETTER
FED 2022/42 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
NTFR 2022/424 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
Viditax (FutD) 2022012109
FutD 2022-0265
Uitspraak 21‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete; invorderingsrente; onschuldpresumptie; artikel 6 EVRM; artikel 28 Invorderingswet 1990; verzet het vermoeden van onschuld zich ertegen dat invorderingsrente in rekening wordt gebracht, berekend over een periode waarin de boete nog niet onherroepelijk vaststond?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00733
Datum 21 januari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 december 2020, nr. 20/001121., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 18/2480) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake invorderingsrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.J.M.E. de Bont en D.J.E. de Kruif, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door G.J.M.E. de Bont en D.J.E. de Kruif, advocaten te Amsterdam.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende zijn over een reeks van jaren navorderingsaanslagen en vergrijpboeten (hierna: de aanslagen en de boeten) opgelegd in verband met verzwegen buitenlandse bankrekeningen.In bezwaar, beroep, en hoger beroep heeft belanghebbende de aanslagen bestreden met (onder meer) de stelling dat de Inspecteur ten onrechte ervan uitging dat die buitenlandse bankrekeningen belanghebbende toebehoorden.Als gevolg van een op 6 december 2013 uitgesproken arrest van de Hoge Raad zijn de aanslagen en de (in hoger beroep verminderde) boeten onherroepelijk geworden.
2.2
Op 23 december 2013 heeft belanghebbende ter voldoening van de aanslagen en de boeten diverse bedragen betaald, in totaal € 2.438.324.Bij beschikking gedagtekend 4 maart 2014 heeft de Ontvanger belanghebbende € 633.519 invorderingsrente in rekening gebracht.
2.3
Bij het Hof was, voor zover voor beoordeling van de middelen van belang, in geschil of de invorderingsrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht. Met name was in geschil de periode waarover de invorderingsrente per belastingaanslag en boetebeschikking moet worden berekend. De Ontvanger stelde zich op het standpunt dat de renteperiode telkens is aangevangen op de vervaldag van de in artikel 9 Invorderingswet 1990 gestelde termijn. Belanghebbende heeft dit bestreden met de stelling dat de renteperiode aanvangt op het moment waarop de aanslagen en boeten onherroepelijk zijn komen vast te staan.
2.4
Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de wijze van berekening van invorderingsrente, voor zover die de boeten betreft, in dit geval inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, met name op het vermoeden van onschuld dat het tweede lid van deze bepaling beoogt te waarborgen. Daartoe voerde belanghebbende aan dat hij de aanslagen en de boeten in bezwaar, beroep en in hoger beroep heeft bestreden met de stelling dat de Inspecteur ten onrechte uitging van een verzwegen buitenlands vermogen. Aangezien ervan moest worden uitgegaan dat belanghebbende, afgezien van de door de Inspecteur veronderstelde buitenlandse bankrekeningen, niet over de middelen beschikte om de aanslagen en de boeten te betalen, zou voldoening van de aanslagen en de boeten zijn neergekomen op prijsgeven van deze stelling, zo betoogde belanghebbende.
2.5.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde onschuldpresumptie niet zo ver gaat dat de invordering van niet onherroepelijk vaststaande boeten niet mogelijk is.
2.5.2
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat ook de omstandigheid dat belanghebbende slechts door uitstel van betaling te vragen kon voorkomen dat hij zijn standpunten zou prijsgeven en dat betaling van de belastingschuld een bekentenis ten aanzien van het verzwegen vermogen zou impliceren, niet meebrengt dat het in rekening brengen van invorderingsrente tot schending van artikel 6, lid 2, EVRM heeft geleid.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Het eerste middel is gericht tegen het hiervoor in 2.5.1 weergegeven oordeel van het Hof, en het faalt. Dat oordeel vindt steun in het door het Hof aangehaalde arrest van de Hoge Raad en in een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.2.
3.2
Het tweede middel is gericht tegen het hiervoor in 2.5.2 weergegeven oordeel van het Hof. Ook dit middel faalt. In de overwegingen van het Hof ligt besloten dat het recht van belanghebbende zichzelf niet te hoeven incrimineren voldoende was gewaarborgd door de mogelijkheid ter zake van de boeten uitstel van betaling te vragen totdat de boetebeschikkingen onherroepelijk zouden worden. Dat uitgangspunt is juist, waaraan niet afdoet dat over de met de boeten gemoeide bedragen invorderingsrente in rekening is gebracht, berekend vanaf het tijdstip waarop de boeten volgens de Invorderingswet 1990 invorderbaar waren. Toen die invorderingsrente in rekening werd gebracht stond onherroepelijk vast dat belanghebbende zich schuldig had gemaakt aan het feit ter zake waarvan de boeten zijn opgelegd. In zijn verweer tegen het in rekening brengen van die invorderingsrente kan belanghebbende zich reeds daarom niet met succes beroepen op de onschuldpresumptie.
3.3
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑01‑2022
HR 9 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2050 en EHRM 23 juli 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0723JUD003698597, overweging 118.
Beroepschrift 19‑04‑2021
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
De dato : 19 april 2021
MIDDELEN & CONCLUSIE
van:
[X] wonende [te Z], requirant
te dezen vertegenwoordigd door:
mr. mr. G.J.M.E. de Bont en D.J.E. de Kruif, advocaten en bepaaldelijk tot indiening van dit processtuk gevolmachtigd
ter zake van het beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch gedateerd 31 december 2020 en aan partijen verzonden op 12 januari 2021, met kenmerk BK-SHE 20/00112
Edelhoogachtbaar College,
Op 19 februari 2021 is namens requirant beroep in cassatie ingesteld. Bij brief van 8 maart 2021 heeft de griffier van uw Raad requirant uitgenodigd middelen van cassatie in te dienen tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch. Daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd, hebben wij de eer ter motivering van het ingestelde beroep in cassatie thans voor te stellen de navolgende middelen.
Middel I
Schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, meer in het bijzonder artikel 6, tweede lid, EVRM en de daarin neergelegde onschuldpresumptie, doordien het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in rekening brengen van invorderingsrente niet is aan te merken als onderdeel van de ‘criminal charge’ en de onschuldpresumptie niet zo ver gaat dat invordering van niet onherroepelijk vaststaande boeten niet mogelijk is, althans dat het beroep daarop is verworpen op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen.
1.0. Toelichting middel I
1.1.
In eerste aanleg bij de Rechtbank is namens requirant reeds gemotiveerd uiteengezet dat de invorderingsrente in het onderhavige geval in strijd is met artikel 6, tweede lid EVRM, hetgeen niet door de Rechtbank in het vonnis tot uitdrukking is gebracht, althans niet is gemotiveerd. In hoger beroep is dit verweer herhaald.
1.2.
De in geschil zijnde invorderingsrente ziet op de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 en de daarbij opgelegde vergrijpboeten ten name van requirant. Na daartegen aangetekend bewaar, beroep en hoger beroep hebben zowel requirant als de staatssecretaris van Financiën cassatieberoep ingesteld. Nadat de aanslagen en de vergrijpboeten onherroepelijk vast zijn komen te staan, heeft requirant de openstaande bedragen nog dezelfde maand voldaan, Vervolgens is de in geschil zijnde beschikking invorderingsrente opgelegd. Nu de invorderingsrente gedurende de procedures tegen de aanslagen en vergrijpboeten tien jaar lang heeft kunnen oplopen, is het te betalen bedrag door de Ontvanger met ruim een derde verhoogd. Namens requirant is gemotiveerd uiteengezet dat hij niet de keuze had om de verschuldigde bedragen (tijdig) te betalen, aangezien de verschuldigde bedragen slechts konden worden voldaan uit het niet aangegeven vermogen en een betaling vanaf de niet aangegeven rekening zowel een bekentenis zou betekenen alsmede zijn standpunten in de procedures tegen de aanslagen en vergrijpboeten volledig zou ondermijnen.
1.3.
Namens requirant is voorts gemotiveerd uiteengezet dat de invorderingsrentetermijn pas is aangevangen op het moment dat de boeten onherroepelijk zijn komen vast te staan.
De benadering waarbij invorderingsrente over een boete wordt berekend, alvorens deze onherroepelijk is komen vast te staan, leidt immers tot benadeling van de boeteling in strijd met het recht op fair trial zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, EVRM.
1.4.
Het Hof heeft het beroep op artikel 6 EVRM vervolgens ten onrechte, althans op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, verworpen. Voor de beoordeling van dit middel is de volgende overweging van het Hof van belang:
‘4.19.
Het in rekening brengen van invorderingsrente is niet aan te merken als het instellen van een strafvervolging. Bovendien gaat de onschuldpresumptie niet zo ver dat invordering van niet onherroepelijk vaststaande boetes niet mogelijk is. Het hof is dus van oordeel dat in het onderhavige geval met het in rekening brengen van invorderingsrente artikel 6, lid 2, EVRM niet is geschonden. Daar doet dus niet aan af dat belanghebbende slechts door het vragen van uitstel van betaling kon voorkomen dat hij standpunten zou prijsgeven en dat betaling van de belastingschuld een bekentenis ten aanzien van het verzwegen vermogen zou impliceren. Dat belanghebbende in het onderhavige geval wordt geconfronteerd met invorderingsrente leidt dus niet tot een schending van de onschuldpresumptie.’
1.5.
In dat kader verwijst het Hof naar het arrest van uw Raad van 9 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2050. Anders dan het Hof kennelijk meent, kan aan het desbetreffende arrest echter geenszins worden ontleend dat het in rekening brengen van invorderingsrente ‘niet [is] aan te merken als het instellen van een strafvervolging’. Daarentegen, uit de door het Hof aangehaalde passage van het arrest ligt juist besloten dat het in rekening brengen van invorderingsrente in desbetreffende procedure is getoetst aan het EVRM (r.o. 3.4). Deze invorderingsrente zag op een bij een naheffingsaanslag opgelegde verhoging. In het arrest wordt door uw Raad expliciet uiteengezet dat het opleggen van een verhoging ‘moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM.’ De invordering ten aanzien van deze verhoging valt daarmee onder het bestek van artikel 6 EVRM. Dientengevolge is ook rechtens juist dat uw Raad is overgegaan tot de toetsing aan het EVRM van de invordering van de nog niet onherroepelijk vaststaande verhoging.
1.6.
Het oordeel dat het in rekening brengen van invorderingsrente niet is aan te merken als onderdeel van een ‘criminal charge’ kan dientengevolge niet op het desbetreffende arrest worden gestoeld en is verder niet met redenen omkleed.
Het Hof miskent dat de invorderingsrente in het onderhavige geval betrekking heeft op opgelegde vergrijpboeten, zodat de invordering daarvan wel degelijk onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM valt. Mitsdien is het arrest van het Hof op dit punt rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd.
1.7.
Het Hof oordeelt voorts dat de onschuldpresumptie niet zo ver gaat dat invordering van niet onherroepelijk vaststaande boetes niet mogelijk is. Dit leidt het Hof af uit het de volgende overweging uit het bovengenoemde arrest van 9 oktober 1996, die het Hof tot de zijne heeft gemaakt:
‘dat toetsing aan het EVRM tot de conclusie leidt dat invordering van een niet onherroepelijk vaststaande verhoging mogelijk is; dat artikel 6 EVRM geen regel bevat die tot een andersluidend oordeel dwingt; dat ook de zogenoemde onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6, lid 2, niet zover gaat dat invordering niet mogelijk is; dat toetsing van de verschuldigdheid van invorderingsrente ter zake. van een verhoging aan het EVRM tot de conclusie leidt dat het EVRM het belopen van invorderingsrente gedurende de periode dat de verhoging nóg niet onherroepelijk vaststaat, niet verhindert;’
1.8.
In de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten per 1 januari 2008 was voorzien in een wijziging van artikel 28 Invorderingswet 1990 in die zin dat geen invorderingsrente berekend zou worden over een bestuurlijke (vergrijp)boete die nog niet onherroepelijk vaststaat.1. In een laat stadium van de parlementaire behandeling is die wijziging vervallen.2. Verwijzend naar het bovengenoemde arrest werd het renteloos uitstel van betaling voor vergrijpboeten die nog niet onherroepelijk vaststaan, achterhaald geacht.
1.9.
De discussie is nadien wederom opgelaaid. In de literatuur is kritiek geuit op het verschil in rechtsbescherming ten aanzien van de bestuurlijke boeteprocedure ten opzichte van het strafrecht. De rechtsbescherming in de boeteprocedure is beperkter dan in het strafrecht, zeker als het aankomt op het gebied van invordering van bestuurlijke boeten. De Afdeling advisering van de Raad van State gaf hieromtrent een advies.3.
Daarin werd aandacht gevraagd voor het ontbreken van schorsende werking van rechtsmiddelen in de bestuurlijke boeteprocedure. Immers, waar in het strafrecht een rechtsmiddel in beginsel executie van een straf in beginsel opschort, wordt in het bestuursrecht door het aanwenden van een rechtsmiddel de invordering van een bestuurlijke boete en het daarmee belopen van rente in beginsel niet opgeschort.
1.10.
Het advies van de Raad van State luidt onder meer dat afstemming van het strafrecht en het bestuursrecht gewenst is. In het rapport overweegt de Afdeling advisering van de Raad van State het volgende:4.
‘De Afdeling merkt op dat bij de parlementaire behandeling van de Vierde tranche van de Awb in 2004 de regering reeds is ingegaan op de kwestie van de schorsende werking van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De wetgever achtte de schorsende werking niet gewenst, omdat daarmee de slagvaardigheid van het bestuursrecht in gevaar zou komen. Omdat de wetgever besefte dat reeds op dat moment zeer hoge boetes met onevenredige financiële lasten voor de justitiabele in geval van de verplichting tot onmiddellijke betaling, bijvoorbeeld op het gebied van mededinging, konden worden opgelegd, koos hij ervoor alleen bij wijze van uitzondering de schorsende werking aan rechtsmiddelen in enkele bijzondere wetten te verlenen. Bovendien zou het ontbreken van de schorsende werking in het bestuursrecht niet problematisch zijn nu de justitiabele altijd om opschorting van de tenuitvoerlegging van de boete kan vragen in de voorlopige voorzienig procedure ex art. 8:81 Awb.
Sinds de Vierde tranche van 2004 zijn er aanzienlijk meer hoge bestuurlijke boetes. Anders dan in toen werd verondersteld gaat het hier niet alleen om miljoenenboetes voor grote bedrijven, maar ook om zware boetes voor kleine ondernemingen en zelfs particulieren. Boetes in dit soort gevallen kunnen een ingrijpend karakter hebben en tot een onevenredige financiële last leiden. Het is de vraag in hoeverre de mogelijkheid van het aanvragen van de voorlopige voorziening bij de bestuursrechter in dit soort gevallen soelaas kan bieden. Uit de jurisprudentie blijkt dat de bestuursrechter in dergelijke situaties niet gauw spoedeisendheid van het belang aanneemt.
Op basis van het voorgaande lijkt er op voorhand geen rechtvaardiging te bestaan voor het verschil tussen het strafrecht en het bestuursrecht en het ontbreken van schorsende werking van rechtsmiddelen voor het bestuursrecht in het licht van de ingrijpend gewijzigde context waarin de bestuurlijke boete tegenwoordig functioneert.’
1.11.
De Afdeling merkt terecht op dat sinds de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten er aanzienlijk meer hoge bestuurlijke boetes zijn, waarbij het zelfs gaat om boeten voor particulieren zoals in het onderhavige geval. Gelet op de onschuldpresumptie adviseerde de Raad van State al eerder om schorsende werking aan bezwaar en aan beroep tegen bestuurlijke boeten te verlenen.5. Het bestuursrecht kent geen equivalent van artikel 557 Wetboek van Strafvordering. Dit maakt dat een bestuurlijke boete, gelet op nationaal recht, kan worden ingevorderd terwijl deze nog niet onherroepelijk vaststaat. In het strafrecht is de executie van een straf in een dergelijk stadium ondenkbaar. Naar de stellige overtuiging van requirant dient de rechtsbescherming bij invordering in bestuurlijke boetezaken te worden gelijkgesteld met de rechtsbescherming in het strafrecht. De bestuurlijke boete vormt immers een bestraffende sanctie en kwalificeert als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM.
1.12.
De discussie leeft ook onder de rechters, zo blijkt uit jurisprudentie. Naar aanleiding van het bovengenoemde advies van de Raad van State oordeelde de voorzieningenrechter van Rechtbank Amsterdam dat er op voorhand geen rechtvaardiging lijkt te bestaan tussen de keuze voor het verschil tussen het strafrecht en het bestuursrecht en het ontbreken van schorsende werking van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.6.
1.13.
Sinds het rapport van de Afdeling advisering van de Raad van State hebben ook onderzoekers van de Faculteit rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van het WODC onderzoek gedaan naar de schorsing van bestuurlijke boeten tijdens bezwaar en beroep.7.
In het rapport naar aanleiding van dit onderzoek, dat in maart 2020 aan de Tweede Kamer is aangeboden, wordt beargumenteerd dat de invordering slechts zou moeten zijn toegestaan indien de boete onherroepelijk is komen vast te staan, in overeenstemming met de strafrechtelijke hoofdregel.8.
1.14.
De executie van een niet-onherroepelijke sanctie komt neer op een bejegening als schuldige. Alsdan is de invordering, alsmede het belopen van invorderingsrente, voordat een sanctie onherroepelijk vaststaat, in strijd met de in artikel 6, tweede lid, EVRM vervatte onschuldpresumptie. De onschuldpresumptie is van toepassing indien sprake is van een ‘criminal charge’. Of sprake is van een ‘criminal charge’, hangt af van de drie bekende Engel-criteria, waaronder de aard en zwaarte van de op te leggen sanctie.9. Vaststaat dat de onschuldpresumptie van toepassing is op bestuurlijke vergrijpboeten, die in het onderhavige geval ten grondslag liggen aan de beschikking invorderingsrente. In dat licht had de Ontvanger in het onderhavige geval ook niet mogen overgaan tot invordering en dientengevolge evenmin tot het berekenen van invorderingsrente. In verband met het specifieke strafrechtelijke karakter van de fiscale boete en de hiervoor besproken onschuldpresumptie, behoort over de boete geen invorderingsrente in rekening te worden gebracht zolang de onherroepelijkheid c.q. verschuldigdheid van de boete niet onomstotelijk vaststaat. De invorderingsrentetermijn behoort derhalve aan te vangen op het moment dat de boete onherroepelijk vast is komen te staan.
1.15.
De benadering waarbij de inspecteur een boete oplegt en waarbij invorderingsrente over een boete wordt berekend, alvorens deze onherroepelijk is komen vast te staan, leidt daarenboven tot benadeling van de boeteling in strijd met het recht op fair trial. Indien deze invorderingsrente is verschuldigd, wordt daarmee een boeteling in het Nederlandse stelsel benadeeld ten opzichte van de situatie waarin de rechter de boete oplegt. In dat laatste geval is de invorderingsrente immers eerst verschuldigd vanaf het moment dat de boete door de rechter wordt vastgesteld, hetgeen per definitie op een later moment is dan in de situatie waarin de boete door de inspecteur wordt opgelegd en nadien door de rechter wordt beoordeeld.
1.16.
Dit maakt dat de onderhavige invorderingsrente als strijdig met artikel 6, tweede lid, EVRM moet worden aangemerkt. Ook om deze reden kan de uitspraak van het Hof ten aanzien van de invorderingsrente niet in stand blijven.
1.17.
Dat de Ontvanger niet had mogen overgaan tot de invordering en dientengevolge evenmin tot het berekenen van invorderingsrente voordat de opgelegde boeten onherroepelijk vaststonden, vindt ten slotte eveneens steun in literatuur.
1.18.
Feteris acht de effectuering van een bestuurlijke sanctie niet wenselijk voordat een rechter over de zaak een oordeel heeft gegeven.10.
1.19.
Van Russen Groen stelt dat het ontbreken van schorsende werking op gespannen voet staat met de in artikel 6 lid 2 EVRM vervatte onschuldpresumptie.11. Volgens hem ligt aan het opleggen van een bestuurlijke boete ‘een rechtsvermoeden van schuld’ ten grondslag.63 Gelet op de onschuldpresumptie moet in het bestuurs-strafrecht daarom een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel dat het instellen van rechtsmiddelen geen schorsende werking heeft.
1.20.
Albers stelt dat het ontbreken van schorsende werking van bezwaar en beroep strijd oplevert met de in artikel 6, tweede lid, EVRM vervatte onschuldpresumptie.12. Albers is dit van mening omdat de boete reeds invorderbaar is voordat de vermoedelijke overtreder de aanwezigheid van schuld heeft kunnen betwisten ten overstaan van een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Ze neemt derhalve het standpunt in dat niet mag worden overgegaan tot invordering alvorens het boetebesluit formele rechtskracht heeft verkregen.
1.21.
Ook Vetter neemt het standpunt in dat pas invorderingsrente kan worden berekend over een boete indien deze onherroepelijk vaststaat.13. In verband met het specifieke strafrechtelijke karakter van de fiscale boete en de hiervoor besproken onschuldpresumptie, behoort over de boete geen invorderingsrente in rekening te worden gebracht zolang de onherroepelijkheid c.q. verschuldigdheid van de boete niet onomstotelijk vaststaat.14.
1.22.
De conclusie is dan ook dat de uitspraak van het Hof ten aanzien van de beschikking invorderingsrente wegens schending van artikel 6 EVRM niet in stand kan blijven.
Middel II
Schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, meer in het bijzonder artikel 6 EVRM en de daarin neergelegde onschuldpresumptie, doordien het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat met het in rekening brengen van invorderingsrente artikel 6 EVRM niet is geschonden en daaraan niet afdoet dat requirant slechts door het vragen van uitstel van betaling kon voorkomen dat hij standpunten zou prijsgeven en dat betaling van de belastingschuld een bekentenis ten aanzien van het verzwegen vermogen zou impliceren. Het Hof heeft miskend dat de enige wijze waarop requirant in het onderhavige geval de invorderingsrente kon voorkomen, het doen van afstand was van de in artikel 6 EVRM vervatte onschuldpresumptie. Mitsdien is artikel 6 EVRM geschonden. Het arrest van het Hof is deswege onjuist op dit punt, althans is het beroep op gronden die dit oordeel niet kunnen rechtvaardigen, afgewezen.
2.0. Toelichting middel II
2.1.
Het Hof heeft het beroep dat requirant het niet tijdig betalen niet kan worden aangerekend op onjuiste gronden, althans op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, verworpen. In dit kader is ook de volgende overweging van de Rechtbank van belang:
‘2.10.
(…) Belanghebbende heeft de keuze gemaakt om de verschuldigde bedragen niet (tijdig) te betalen. De rechtbank geeft belanghebbende mee dat zij begrijpt waarom belanghebbende die keuze heeft gemaakt, maar dat doet niet af aan bet feit dat belanghebbende zelf die keuze hééft gemaakt. Dan kan niet worden gezegd dat de belastingschuldige niet kan worden verweten dat de belastingschuld niet tijdig is voldaan.’
2.2.
Het Hof is, ten onrechte, van oordeel dat in het onderhavige geval met het in rekening brengen van invorderingsrente artikel 6, lid 2, EVRM niet is geschonden. In dit verband wordt tevens verwezen naar (de toelichting op) middel I. Vervolgens heeft het Hof in het bestreden arrest overwogen:
‘Daar doet dus niet aan af dat belanghebbende slechts door het vragen van uitstel van betaling kon voorkomen dat hij standpunten zou prijsgeven en dat betaling van de belastingschuld een bekentenis ten aanzien van het verzwegen vermogen zou impliceren. Dat belanghebbende in het onderhavige geval wordt geconfronteerd met invorderingsrente leidt dus niet tot een schending van de onschuldpresumptie.’
2.3.
Van belang is dat voor requirant geen mogelijkheid bestond het bestreden bedrag uit zijn aangegeven vermogen te voldoen. Deswege kon hij slechts tot een betaling overgaan indien hij daarvoor zijn niet-aangegeven buitenlandse vermogen aansprak. Dat buitenlandse vermogen vormde tezamen met de rechtmatigheid van het handelen van de inspecteur kern van het geschil in de procedures omtrent de aanslagen en de boeten. Requirant had aldus slechts het bestreden bedrag kunnen voldoen, door in de fiscale procedure zijn standpunten op te geven. Een dergelijke verplichting verhoudt zich niet tot het recht op een fair trial ingevolge artikel 6 EVRM.
2.4.
In die situatie zal moeten worden toegeven dat de betaling een bekentenis vormt en de verweren van requirant zouden worden prijsgegeven. Die betaling zou dan ook strijdig zijn met de onschuldpresumptie en verbod op zelfincriminatie. Als de zienswijze wordt gevolgd dat requirant zich toch bij de aanslagen had kunnen neerleggen door geen rechtsmiddel aan te wenden en gewoon te betalen, wordt miskend welke functie een belastingprocedure heeft in onze rechtstaat. In dergelijke gevallen waarin betaling een bekentenis vormt, kan geen plaats zijn voor invorderingsrente.
2.5.
Om dezelfde reden gaat het argument niet op dat requirant eerder openheid van zaken had kunnen geven. Indien requirant dit op een eerder moment had gedaan dan waarop de rechter definitief recht had gesproken omtrent de rechtmatigheid van de handelwijze van de inspecteur, had requirant zijn verweren daartegen volledig prijsgegeven. Het niet betalen kan requirant dan ook niet worden aangerekend.
2.6.
Het Hof miskent voorts dat het Nederlandse systeem waarbij de inspecteur — anders dan de rechter — boeten mag opleggen, gelet op het reeds in het hoger beroep aangehaalde arrest Bendenoun, alleen onder strikte voorwaarden toelaatbaar is.15. Het opleggen van boeten door de inspecteur is slechts niet in strijd met het EVRM, mits de daaropvolgende procedure de waarborgen biedt van artikel 6 EVRM. Deze waarborgen zijn onder meer de onschuldpresumptie en het recht om niet mee te hoeven werken aan de eigen veroordeling. Voorgaande is ten onrechte door het hof niet in het bestreden arrest tot uitdrukking gebracht, althans niet gemotiveerd.
Zoals in de toelichting op middel I is uiteengezet, staat vast dat op de procedure over de boeten waarop de invorderingsrente betrekking heeft de waarborgen van artikel 6 EVRM volledig van toepassing zijn. Ten aanzien van deze procedure kan niet worden betwist dat de onschuldpresumptie geldt en dat van de boeteling niet mag worden verlangd dat hij meewerkt aan zijn eigen veroordeling.
2.7.
De enige manier in het onderhavige geval om invorderingsrente te voorkomen, was echter door het doen van afstand van de onschuldpresumptie, die nu juist ingevolge het arrest Bendenoun in het Nederlandse systeem door de juridische procedures dient te worden gegarandeerd. Een dergelijke verplichting verhoudt zich niet tot het recht op een fair trial ingevolge artikel 6 EVRM. Ook het EHRM oordeelde eerder dat invordering van een bestuurlijke boete die nog niet onherroepelijk vaststaat een inbreuk kan vormen op artikel 6 EVRM.16.
2.8.
Mitsdien is het oordeel van het Hof onjuist, althans gebaseerd op gronden die het oordeel niet kunnen dragen, dat met het in rekening brengen van invorderingsrente artikel 6 EVRM niet is geschonden en daaraan niet afdoet dat requirant slechts door het vragen van uitstel van betaling kon voorkomen dat hij standpunten zou prijsgeven en dat betaling van de belastingschuld een bekentenis ten aanzien van het verzwegen vermogen zou impliceren. Het bestreden vonnis van het Hof kan derhalve niet in stand blijven.
Op voormelde gronden
Concluderen wij namens requirant tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het Hof alsmede verzoeken wij uw Raad te bepalen, dat het griffierecht aan requirant wordt gerestitueerd en tevens dat de Staat wordt veroordeeld in de door requirant gemaakte kosten van het geding, als volgens de wet.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑04‑2021
Advies W03.15.0138/11 van 13 juli 2015, ‘Analyse van enige verschillen in rechtsbescherming en rechtspositie van de justitiabele in het strafrecht en in het bestuursrecht’. Staatscourant 2015, nr. 30280; Kamerstukken II 2015/16, 34 300-VI, nr. 72 (voorlopige reactie) en Kamerstukken II 2017/18, 34 775-VI, nr. 102 (nader rapport).
Advies W03.15.0138/11 van 13 juli 2015, p. 12–13.
Rechtbank Amsterdam 21 december 2016, AMS 16/7168, ECLI:NL:RBAMS:2016:9126.
Bijlage bij Kamerbrief 29279-586 18 maart 2020.
EHRM 8 juni 1976, NJ 1978/223.
M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, diss. Deventer: Kluwer 1993, p. 734.
P.M. van Russen Groen, Rechtsbescherming in het bestuursstrafrecht, diss. Gouda: Quint 1998, p. 191–192.
C.L.G.F.H. Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten: balanceren op een magische lijn?, Den Haag: Sdu uitgevers 2002, p. 195–199.
JJ. Vetter e.a, Invordering van belastingen, Deventer: Fed 2012 (achtste druk), p. 114–115.
J.M. Hertoghs & M. Baas, ‘Heffings- en invorderingsrente: een fiscale bijsluiter’, MBB 1991, nr. 11/12, p. 364
EHRM 24 februari 1994, nr. 3/1993/398/476, BNB 1994/175.
EHRM 23 juli 2002, nr. 36 985/97, BNB 2003/2.