Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.3:5.4.3 Conclusies uit de bestudering van de besproken regelingen van toerekening
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.3
5.4.3 Conclusies uit de bestudering van de besproken regelingen van toerekening
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493951:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de bespreking van de onmiddellijke en de middellijke vertegenwoordiging en de vertegenwoordiging op grond van de wet kan het volgende worden geconcludeerd.
Ik meen dat voor toerekening in het kader van artikel 6:203 geen aansluiting moet worden gezocht bij slechts een van de besproken grondslagen voor toerekening van (de gevolgen van) het verrichten van rechtshandelingen. Geen van de besproken regelingen vertoont een overtuigende overeenstemming met het verrichten van betalingen in de zin van artikel 6:203, omdat artikel 6:203 een veel breder toepassingsbereik heeft dan waarop de besproken regelingen van toerekening van (de gevolgen van) rechtshandelingen zien. De regeling van volmacht, bijvoorbeeld, heeft als kenmerk dat de vertegenwoordiger er ‘tussenuit’ valt. Bij bepaalde gevallen van onverschuldigde betaling valt de handelende partij er echter niet altijd ‘tussenuit’, zoals bleek in het voorbeeld van de creditcardbetaling. En de regeling van de middellijke vertegenwoordiging heeft als kenmerk dat de middellijke vertegenwoordiger een overeenkomst heeft gesloten met de achterman. Bij veel gevallen van onverschuldigde betaling heeft degene die de prestatie verricht, niet een overeenkomst gesloten met degene aan wie de prestatie moet worden toegerekend. Stel dat A een onrechtmatige daad pleegt jegens B en aan deze schade toebrengt. Op A rust dan de verbintenis om de schade van B te vergoeden. Als A in opdracht van B een prestatie verricht aan C, is het wenselijk dat de verrichting van deze prestatie wordt toegerekend aan B.1 A en B staan echter niet in een contractuele verhouding tot elkaar.
Wel bevatten de besproken regelingen een gemeenschappelijke deler die ook voor de regeling van de onverschuldigde betaling van belang is. Ik meen dat voor toerekening in het kader van artikel 6:203 aansluiting kan worden gezocht bij (i) het patroon van toerekening in de onderzochte vertegenwoordigingsregelingen en (ii) bij de rechtvaardiging voor toerekening in deze regelingen. In het onderstaande gedeelte van deze subparagraaf bespreek ik dit patroon en deze rechtvaardiging, terwijl ik in de volgende subparagrafen bespreek wat de betekenis daarvan is voor de toerekening in het kader van artikel 6:203.
(i) Het patroon bij toerekening
Het patroon dat uit de genoemde vormen van vertegenwoordiging kan worden ontwaard, is als volgt. T heeft een bevoegdheid (soms zelfs de verplichting) om in naam van of voor rekening van P te handelen met D. Deze bevoegdheid vloeit voort uit de rechtsverhouding PT of uit de wet. T maakt gebruik van die bevoegdheid en handelt met D. T’s handelen op grond van de door P verleende bevoegdheid heeft rechtsgevolgen voor P en D.2 Alleen als T heeft gehandeld in naam van P valt hij ertussen uit, in andere gevallen niet. Ook in gevallen waarin T geen bevoegdheid heeft verkregen van P om in naam van hem of voor diens rekening te handelen, maar waarin D afgaat op een aan P toerekenbare schijn van bevoegdheid, heeft T’s handelen rechtsgevolgen voor P en D.
(ii) Rechtvaardiging van de toerekening
Toerekening wordt gerechtvaardigd door de combinatie van (a) de bevoegdheid of verplichting van de tussenpersoon jegens de achterman om een (rechts)handeling te verrichten en (b) het feit dat de tussenpersoon handelt op grond van deze bevoegdheid of verplichting. Als de bevoegdheid van de tussenpersoon ontbreekt, kan toerekening plaatsvinden aan de achterman als de derde is afgegaan op een schijn van bevoegdheid die kan worden toegerekend aan de achterman.