Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 79.
HR, 04-11-2016, nr. 16/01893
16/01893
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-11-2016
- Zaaknummer
16/01893
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2493, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑11‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2016:697, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑11‑2016
- Vindplaatsen
NLF 2016/0573 met annotatie van Jeannette van der Vegt
FED 2017/7 met annotatie van P. VAN DER WAL
Belastingadvies 2016/24.3
BNB 2017/27 met annotatie van E.B. PECHLER
NLF 2017/0122
NTFR 2016/2661 met annotatie van drs. R.P. Bitter
Viditax (FutD) 2016110402
Uitspraak 04‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 22, lid 1, letter b, Wet IB 1964; art. 3.92 Wet IB 2001; art. 30, lid 1, Belastingverdrag Nederland-Verenigde Staten. Vervolg van HR 11 mei 2012, 10/02081, BNB 2012/207. Naar buitenlandse bankrekening van Liechtensteinse Stiftung overgeboekte bedragen terecht aangemerkt als door belanghebbende genoten inkomsten. Voor het gebruik van uit de Verenigde Staten verkregen inlichtingen voor fiscale beboeting is geen voorafgaande toestemming vereist.
Partij(en)
4 november 2016
nr. 16/01893
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 februari 2016, nrs. 12/00249 tot en met 12/00252, betreffende aan belanghebbende voor de jaren 1998 tot en met 2001 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, en daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Het eerste geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2012, nr. 10/02081, ECLI:NL:HR:2012:BW5393, BNB 2012/207, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (nrs. 05/00164 tot en met 05/00167), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door R.W.J. Kerckhoffs en A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende was in de onderhavige jaren (1998 tot en met 2001) gehuwd. Zijn echtgenote was tot 23 januari 1993 enig aandeelhouder van [B] B.V. (hierna: [B]). Op die datum heeft zij 39 van de 40 aandelen in [B] verkocht aan de Stiftung [H] (hierna: [H]) en één prioriteitsaandeel behouden. [H] is een op 26 januari 1993 opgerichte rechtspersoon naar Liechtensteins recht die is gevestigd in Liechtenstein.
3.1.2.
In de onderhavige jaren was de echtgenote tevens bestuurder en enig werknemer van [B]. Belanghebbende was vanaf 1 januari 1990 procuratiehouder met volledige volmacht van [B].
3.1.3.
Belanghebbende wierf in de onderhavige jaren voor [I] Inc. te [R], gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: [I]), klanten voor financieringsproducten. [I] was een zakelijke dienstverlener, die tegen vergoeding van een zogenoemde ‘processing fee’ (hierna: de fee) zekerheden verstrekte ten behoeve van cliënten die bij een bank een lening wilden afsluiten. Cliënten dienden een aanvraag in bij [B] en betaalden daarvoor een provisie. Als de cliënt besloot het product aan te schaffen en [I] de benodigde zekerheden had verstrekt, betaalde de cliënt de fee aan [I]. Op de fee mocht de cliënt de reeds betaalde provisie in mindering brengen. Voor de bemiddeling was [I] een commissie verschuldigd aan [B] ter grootte van 20 percent van de fee. [B] droeg de kosten die belanghebbende maakte bij het werven van cliënten en bij het verkopen van het financiële product. Voorts heeft [B] in de onderhavige jaren een personenauto aan belanghebbende ter beschikking gesteld.
3.1.4.
[I] heeft in de onderhavige jaren (voor alle jaren uitgedrukt in guldens) bedragen tot in totaal ƒ 978.111 aan hiervoor in 3.1.3 bedoelde commissies (hierna: de commissies) overgeboekt naar een door [H] in Liechtenstein aangehouden bankrekening.
3.1.5.
[H] heeft in de jaren 1995, 1997, 1998 en 1999 leningen verstrekt aan onder meer [B] en de echtgenote.
3.1.6.
Op 24 juli 2001 is een door de Belastingdienst ingesteld boekenonderzoek aangevangen bij onder meer [B]. Als uitvloeisel daarvan heeft de Inspecteur door tussenkomst van de FIOD een verzoek gedaan aan de Amerikaanse Internal Revenue Service (hierna: de IRS) om inlichtingen betreffende de zakelijke relatie van belanghebbende met [I]. De IRS heeft de door de FIOD geformuleerde vragen schriftelijk aan [I] voorgelegd. [I] heeft die vragen schriftelijk beantwoord. De Inspecteur heeft mede op basis van die antwoorden het standpunt ingenomen dat de commissies bij belanghebbende moeten worden belast.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de hiervoor in 3.1.3 omschreven werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [B], dat [B] zich de commissies heeft laten ontgaan als beloning in materiële zin voor die werkzaamheden, dat ook belanghebbende de commissies zag als beloning voor zijn werkzaamheden, en dat belanghebbende over de desbetreffende gelden heeft beschikt door [I] op te dragen die gelden niet over te maken naar [B] maar naar een bankrekening van [H]. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende materieel de zeggenschap uitoefende over het vermogen van [H], voor zover het althans de door [I] op de bankrekening van [H] betaalde commissies betreft. Op grond van dit een en ander is het Hof tot de conclusie gekomen dat de commissies bij belanghebbende moeten worden belast als respectievelijk inkomsten uit andere arbeid (in de jaren 1998 tot en met 2000) en als resultaat uit een werkzaamheid (in het jaar 2001).
3.3.1.
Middel 1 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof.
3.3.2.
Het middel faalt. ’s Hofs oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Anders dan het middel betoogt, zijn die oordelen niet onverenigbaar met de vaststelling door het Gerechtshof te Arnhem dat belanghebbende voor zijn werkzaamheden geen arbeidsbeloning ontving. Het Hof heeft die vaststelling aldus uitgelegd dat belanghebbende en [B] voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden, naast het ter beschikking stellen van een personenauto, naar de vorm geen beloning in geld waren overeengekomen, maar dat dit onverlet laat dat belanghebbende in feite wel voor die werkzaamheden werd beloond doordat [B] de beschikkingsmacht over de commissies aan belanghebbende gaf. Met die uitleg is het Hof niet getreden buiten het voor hem als verwijzingsrechter geldende feitelijke kader voor de verdere behandeling en beslissing van de zaak.
Het middel miskent voorts dat het Hof niet de hiervoor in 3.1.4 vermelde leningen, maar de betalingen door [I] op de bankrekening van [H] heeft aangemerkt als de aan belanghebbende toekomende beloning voor zijn werkzaamheden.
3.4.1.
Middel 5 betoogt dat de van [I] afkomstige informatie (zie hiervoor in 3.1.6) niet had mogen worden gebruikt als bewijs van de grondslag van de aan belanghebbende opgelegde boetes. Volgens het middel is het Hof ten onrechte voorbijgegaan aan de in het slot van artikel 30, lid 1, van het Belastingverdrag Nederland-Verenigde Staten van Amerika van 18 december 1992, Trb. 1993, 77 (hierna: het Verdrag) gestelde beperking, inhoudende dat een Staat inlichtingen die op basis van het Verdrag zijn verkregen slechts als bewijs voor een rechter in strafzaken mag gebruiken indien daartoe vooraf goedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt.
3.4.2.
Het middel faalt in zoverre aangezien de hiervoor in 3.4.1 bedoelde beperking, zoals mede volgt uit de eerste volzin van het eerste lid van voornoemd artikel 30, uitdrukkelijk en uitsluitend ziet op het gebruik van inlichtingen als bewijs in een procedure voor een rechter in strafzaken en in dit geval geen sprake is van een procedure voor een rechter in strafzaken.
3.5.
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2016.
Beroepschrift 04‑11‑2016
MIDDELEN & CONCLUSIE
inzake
het cassatieberoep tegen de uitspraak van de meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 26 februari 2016 met zaaknummers 12/00249 tot en met 12/00252, gewezen ter zake van de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998 tot en met 2001, de beschikkingen heffingsrente 1998 tot en met 2001 en de boetebeschikkingen 1998 tot en met 2001;
ten name van:
[X]
wonende te [Z]
(hierna: belanghebbende)
Edelhoogachtbaar College,
Thans hebben wij de eer ter motivering van het ingestelde cassatieberoep zes middelen voor te stellen.
Uw Raad heeft deze zaak in het arrest van 11 mei 2012 nr. 10/02081 verwezen naar Hof 's‑Hertogenbosch. Na cassatie heeft het Hof 's‑Hertogenbosch belanghebbende opnieuw in het ongelijk gesteld, zij het thans voorzien van een andere motivering.
Naar de overtuiging van belanghebbende en zijn gemachtigden lijdt deze in de cassatieprocedure bestreden uitspraak aan hetzelfde motiveringseuvel als die van het Hof Arnhem destijds.
Ook dit Hof stelt als feit vast dat [B] en [B] B.V. (hierna: […]) contractpartners zijn waarbij [i] bij een succesvolle bemiddeling een commissie aan [H] betaalde. Het Hof 's‑Hertogenbosch neemt evenals het Hof Arnhem als feit tot uitgangspunt dat belanghebbende de feitelijke werkzaamheden verrichtte en dat niet hij maar zijn echtgenote (die tevens eigenaar was van de aandelen [B]) een arbeidsvergoeding ontving. Vervolgens construeert het Hof 's‑Hertogenbosch een redenering waarbij ondanks deze feitelijke vaststellingen aan belanghebbende een vergoeding wordt toegerekend. Aan die redenering wordt echter geen deugdelijke feitelijke vaststelling ten grondslag gelegd. De uitspraak van het Hof 's‑Hertogenbosch lijdt daardoor aan hetzelfde motiveringsgebrek als de uitspraak van het Hof Arnhem. Dan wel gaat het Hof 's‑Hertogenbosch uit van een onjuiste juridische maatstaf doordat bij belanghebbende een arbeidskomen wordt belast zonder dat sprake is van enig genietingsmoment.
Belanghebbende kan zich niet verenigen met deze vorm van belastingheffing zonder dat hij zelf het betreffende inkomen heeft genoten. Daarom heeft hij ons verzocht om opnieuw cassatieberoep in te stellen.
Middel 1: belastbaarheid commissies [i]
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 4, lid 1, letter b juncto artikel 22, lid 1, letter b Wet IB 1964 en artikel 33 Wet IB 1964, artikel 2.3 aanhef, letter a juncto artikel 3:90 Wet IB 2001 en artikel 8:77 Awb en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.10. heeft geoordeeld dat de beloning terecht is aangemerkt als andere inkomsten uit arbeid dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op zijn oordeel in r.o. 4.8 dat daarvoor niet redengevend kan zijn aangezien het Hof daarin ten onrechte door derden (niet door belanghebbende) verkregen leningen van [H] in combinatie met zeggenschap van belanghebbende over [H] redengevend acht voor door belanghebbende genoten beloningen voor verrichtte arbeid. Daarnaast is het oordeel van het Hof gebaseerd op zijn overwegingen in r.o. 4.9 waarin het Hof voortbordurend op de overwegingen in r.o. 4.8. oordeelt dat aannemelijk is dat de betalingen die [i] aan [H] verrichtte moeten worden gezien als beloning voor de door belanghebbende ten behoeve van [B] verrichte arbeid welke oordeel tegenstijdig is met de feitelijk vaststelling dat [B] als wederpartij gerechtigd was tot de commissies van [H]. Daarnaast heeft belanghebbende volgens het Hof beschikt over de aan [B] toekomende commissies van [i] door [i] opdracht te geven de betalingen niet aan [B] maar aan [H] te doen welk oordeel een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert nu uit 's Hofs uitspraak niet blijkt wie die opdracht aan [i] heeft gegeven en het het meest in de rede ligt dat [B] als contractspartij bevoegd was die opdracht te geven. Het oordeel van het Hof dat de inspecteur de beloning terecht als andere inkomsten uit arbeid dan wel resultaat uit overige werkzaamheden heeft aangemerkt getuigt derhalve van een onjuiste juridische opvatting over de vraag wanneer een particulier arbeidsinkomsten geniet althans dit oordeel is onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
1.0. Toelichting op het middel
1.1.
Het oordeel van het Hof dat de commissies door belanghebbende zijn genoten, levert een schending op van de in artikel 4, lid 1, letter b, juncto artikel 33 Wet IB 1964 en artikel 2.3 aanhef, letter a, Wet IB 2001 opgenomen vereisten dat inkomen moet zijn genoten. Het begrip genieten is in de wet niet gedefinieerd. In de wetsgeschiedenis wordt genieten ook geduid met bij de belastingplichtige opkomen. Uit de Memorie van Toelichting1. bij artikel 4 Wet IB 1964 blijkt dat aan het woord genieten de betekenis van toevloeien moet worden toegekend.2. Het Hof heeft een onjuiste maatstaf toegepast door de commissies als inkomen uit arbeid van belanghebbende aan te merken. Het Hof gaat met dit oordeel uit van een te ruime uitleg van het genietingsbegrip en genietingsmoment. De commissies zijn niet naar belanghebbende toegevloeid aangezien hij deze niet heeft ontvangen zodat van enig genietingsmoment geen sprake is. Het oordeel van het Hof dat de commissies als inkomen uit arbeid dan wel resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: inkomen uit arbeid) worden aangemerkt getuigt dan ook van een onjuiste toepassing van het criterium genieten.
1.2.
Het oordeel van het Hof kan tevens niet in stand blijven omdat het op onbegrijpelijke overwegingen is gebaseerd en onvoldoende is gemotiveerd.
1.3.
In r.o. 4.3 maakt het Hof de overwegingen 4.12 tot en met 4.14 van Hof Arnhem tot de zijne. In 4.12 heeft Hof Arnhem vastgesteld dat belanghebbende voor zijn werkzaamheden noch rechtstreeks van [i], noch van [B] een vergoeding ontvangt. Deze vaststelling strookt niet met het oordeel in r.o. 4.10 dat de beloning als andere inkomsten uit arbeid moet worden aangemerkt. Indien door belanghebbende van [i] en [B] geen vergoeding wordt ontvangen, kan de commissie die [i] betaalt niet als een door belanghebbende genoten beloning worden aangemerkt. Het oordeel van het Hof dat de beloning als andere inkomsten uit arbeid wordt aangemerkt is onbegrijpelijk gelet op de feitelijke vaststelling dat belanghebbende van [i] en [B] geen beloning heeft ontvangen. Reeds hierom dient dit oordeel te worden vernietigd.
1.4.
Nadat het Hof de overwegingen 4.12 tot en met 4.14 van Hof Arnhem tot de zijne heeft gemaakt en heeft weergegeven op welke gronden het oordeel van Hof Arnhem is gecasseerd, beoordeelt het Hof vanaf r.o. 4.8 of belanghebbende materieel is beloond voor de door hem ten behoeve van [B] verrichte werkzaamheden.
1.5.
In r.o. 4.8 baseert het Hof zijn oordeel dat sprake is van door belanghebbende genoten inkomen op drie pijlers.
1.6.
Allereerst stelt het Hof vast dat belanghebbende de werkzaamheden waarvoor de commissies zijn betaald feitelijk ten behoeve van [B] heeft verricht.
1.7.
Ten tweede acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende de commissies als beloningen voor zijn werkzaamheden zag. Dit oordeel wordt gebaseerd op de volgende in 4.6 aangehaalde verklaring ter zitting van Hof Arnhem:
‘[Belanghebbende] antwoordt dat hij de door [H] verstrekte leningen ook heeft ervaren als een soort van beloning. De Rabobank was immers niet bereid om die leningen te verstrekken. De Rabobank doet niets meer voor hem.’
1.8.
Uit die verklaring volgt dat belanghebbende de geldstromen vanuit [H] als lening zag aangezien hij de geldstromen vergelijkt met leningen van de Rabobank. Door leningen te kenschetsen als een beloning is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk. Het lenen van geld om van te leven kan niet gelijk worden gesteld met het ontvangen van inkomen uit arbeid. Bovendien is het oordeel van het Hof dat belanghebbende deze leningen als beloning zag onbegrijpelijk omdat de leningen niet aan belanghebbende zijn verstrekt. Ook zijn de leningen afgelost waardoor deze niet als beloning kunnen worden gezien.3.
1.9.
Ten derde acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende materieel de zeggenschap over [H] uitoefende voor zover het de door [i] aan [H] betaalde bedragen (commissies) betreft. Het Hof vindt bevestiging voor dit oordeel in de wijze waarop de betalingsstromen vanuit [i] via [H] naar [A], [B] en de echtgenote zijn geleid en de verklaring van belanghebbende dat hij de verstrekte leningen als voldoende compensatie voor de door hem verrichte werkzaamheden zag. Deze overwegingen kunnen als zodanig niet rechtvaardigen dat sprake is van inkomen uit andere arbeid. Het Hof maakt weer een connectie met de in r.o. 4.6 geciteerde verklaring. Het Hof oordeelt dat die verklaring bevestigt dat belanghebbende materieel de zeggenschap uitoefende over het vermogen van [H] voor zover het de commissies betreft. Doordat dit oordeel mede is gebaseerd op een onjuiste gevolgtrekking uit de in 4.6 geciteerde verklaring is ook dit oordeel onbegrijpelijk.
1.10.
Het tweede oordeel in r.o. 4.8 en het derde oordeel in r.o. 4.8 kunnen niet in stand blijven omdat deze onbegrijpelijk zijn. Het Hof trekt uit deze verklaring een conclusie die daaruit onmogelijk getrokken kan en mag worden. Aldus denatureert het Hof de verklaring van belanghebbende. Doordat deze verklaring op een onbegrijpelijke wijze wordt uitgelegd wordt daaraan ten onrechte de conclusie verbonden dat daarmee is verklaard dat sprake is van een beloning in de zin van inkomen uit arbeid. De dordelen van het Hof dat aannemelijk is dat belanghebbende de betalingen als beloning voor zijn werkzaamheden zag en dat aannemelijk is dat belanghebbende materieel de zeggenschap uitoefende over het vermogen van [H] zijn onbegrijpelijk omdat deze voor een belangrijk deel zijn gebaseerd op een onjuiste uitleg van de in r.o. 4.6 geciteerde verklaring. Deze oordelen kunnen dan ook niet in stand blijven.
1.11.
Het oordeel van het Hof is voorts innerlijk tegenstrijdig. Het Hof overweegt namelijk in r.o. 4.8 dat belanghebbende de leningen die [A] aan [H], [B] en mevrouw [X-Y] heeft verstrekt als beloning zag. In dat geval had het Hof in zijn eindoordeel de leningen als beloning moeten aanmerken. Dat is niet gebeurd. De inspecteur heeft de aanslagen gebaseerd op de bedragen die [i] aan [H] heeft overgemaakt. Deze betalingen lopen niet synchroon met de verstrekte leningen. Zou het Hof de geldlening als uitgangspunt hebben genomen, dan zou het Hof aldus niet de door de inspecteur nagevorderde bedragen hebben kunnen onderbouwen. De geldleningen zijn immers in andere jaren tot andere bedragen verstrekt. Het Hof merkt in zijn eindoordeel de commissies die [i] aan [H] heeft betaald aan als genoten beloning. Dit is niet consistent met zijn overwegingen in r.o. 4.8 dat belanghebbende de leningen als beloning zag. Ook hierdoor kan het oordeel van het Hof dat de beloning terecht is aangemerkt als inkomsten uit arbeid niet in stand blijven.
1.12.
Voorts oordeelt het Hof in r.o. 4.9 dat indachtig overweging 4.8 aannemelijk is dat de betalingen die [i] aan [H] verrichtte, de beloning vormden voor de door belanghebbende ten behoeve van [B] verrichte arbeid. Dit oordeel is onbegrijpelijk aangezien het Hof in r.o. 4.8 heeft geoordeeld dat belanghebbende de leningen als beloningen zag. Dit oordeel kan gelet daarop niet in stand blijven. Het Hof haalt de leningen en de betalingen van [i] aan [H] door elkaar waardoor zijn oordeel niet begrijpelijk is.
1.13.
Vervolgens overweegt het Hof in r.o. 4.9 dat belanghebbende ook daadwerkelijk over de gelden heeft beschikt, namelijk toen hij [i] opdroeg de betalingen niet aan [B] maar aan [H] te verrichten. Dit oordeel ontbeert feitelijke grondslag omdat het Hof niet heeft vastgesteld wie aan [i] de opdracht heeft gegeven om de betalingen aan [H] te verrichten. Het Hof heeft vastgesteld dat de fees door [i] zijn betaald aan [H] en dat [B] de contractspartij was (2.6 van de door het Hof vastgestelde feiten en 4.3 van de hofuitspraak waarin het Hof de overwegingen van Hof Arnhem daaromtrent tot de zijne maakt). Indien op het moment van bepalen aan wie de betaling wordt gedaan al sprake is van beschikkingsbevoegdheid dan ligt het meer voor de hand dat [B] op dat moment beschikkingsbevoegd was en niet belanghebbende. Het optreden van belanghebbende voor [B] doet daar dan niet aan af aangezien dit was in hoedanigheid van procuratiehouder van [B]. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende daadwerkelijk over de gelden heeft beschikt toen hij [i] opdroeg de betalingen aan [H] te verrichten is dan ook onbegrijpelijk.
1.14.
Het Hof overweegt in r.o. 4.9 tevens dat het aannemelijk is dat [B] zich de commissies heeft laten ontgaan als beloning in materiële zin voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. Dit oordeel is door het Hof in zijn geheel niet gemotiveerd. Reeds hierom kan het niet in stand blijven en derhalve niet bijdragen aan het eindoordeel van het Hof in r.o. 4.10 dat de inspecteur naar het oordeel van het Hof gelet op het voorgaande de beloning terecht heeft aangemerkt als andere inkomsten uit arbeid.
1.15.
Het oordeel van het Hof in r.o. 4.10 is gebaseerd op al het voorgaande. Aangezien die voorgaande overwegingen onbegrijpelijke overwegingen bevatten en zelfs tegenstrijdige oordelen bevatten, kan het eindoordeel dat de beloning door de inspecteur terecht als andere inkomsten uit arbeid is aangemerkt niet in stand blijven. Bovendien is dit oordeel niet (meer) deugdelijk gemotiveerd indien een (aantal) daaraan ten grondslag liggende overweging(en) sneuvelt.
Middel 2: omkering en verzwaring bewijslast
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 27e AWR, juncto artikel 6 EVRM doordat het Hof in r.o. 4.14 en 4.15 heeft geoordeeld dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard tenzij belanghebbende doet blijken in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Zulks ten onrechte, althans op gronden die een dergelijk oordeel niet kunnen dragen aangezien zowel het oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan als het oordeel dat niet aan de informatieverplichting is voldaan niet in stand kan blijven. Ten aanzien van de vereiste aangifte volgt dit uit het eerste middel en is het oordeel van het Hof dat het aannemelijk is dat belanghebbende de schijn die hij jegens schuldeisers heeft gecreëerd ook jegens de inspecteur heeft willen wekken en in stand houden niet gemotiveerd omdat niet is beoordeeld of belanghebbende wist of had moeten weten dat de commissies in de aangiften hadden moeten worden opgenomen. Het oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan kan daarom niet in stand blijven.
Daarnaast is het verwijzingshof niet bevoegd om na verwijzing als eerste rechter te beoordelen of aan de informatieverplichting van artikel 47 AWR is voldaan. Bovendien is het oordeel van het Hof dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard omdat niet aan de informatieverplichtingen van artikel 47 AWR is voldaan in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor omdat partijen eerst door de uitspraak van het Hof hiermee zijn geconfronteerd. Dit oordeel is ook onvoldoende gemotiveerd omdat niet blijkt waar het Hof zijn oordeel op baseert dat de vraag niet, althans niet naar waarheid is beantwoord. Het oordeel dat niet aan de informatieverplichting is voldaan kan derhalve niet in stand blijven.
2.0. Toelichting op het middel
2.1.
Het Hof baseert zijn oordeel dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is op twee gronden. Het Hof oordeelt allereerst dat niet de vereiste aangifte is gedaan en ten tweede dat niet aan de informatieverplichting van artikel 47 AWR is voldaan.
Vereiste aangifte
2.2.
Het in dit middel bestreden oordeel van het Hof in r.o. 4.14 staat of valt met de vraag, of het Hof op grond van de normale bewijslastverdeling tot de conclusie kon komen, dat de commissies van [i] in de litigieuze jaren tot belanghebbendes belastbaar inkomen gerekend mochten worden.
2.3.
In dit verband zij verwezen naar het eerste middel en de daarop gegeven toelichting. Hieruit blijkt dat het Hof op grond van de normale bewijslastverdeling redelijkerwijs niet tot het oordeel kon komen dat de van [i] ontvangen commissies aan belanghebbende toekwamen als vergoeding van door hem verrichte arbeid. Het Hof heeft dat niettemin aannemelijk gevonden en daarop zijn oordeel gebaseerd dat het bedrag aan niet geheven belasting zowel verhoudingsgewijs als op zichzelf beschouwd aanzienlijk is.
2.4.
Indien het eerste middel door uw Raad wordt gehonoreerd, althans gegrond wordt bevonden, zijn de door het Hof in r.o. 4.13 en 4.14 aangedragen argumenten, die omkering van de bewijslast zouden moeten rechtvaardigen, van onwaarde.
2.5.
Maar ook als het eerste middel niet zou slagen meent belanghebbende dat het oordeel in r.o. 4.14 dat niet de vereiste aangifte is gedaan niet in stand kan blijven.
2.6.
In r.o. 4.14 oordeelt het Hof dat het aannemelijk is dat belanghebbende de bedragen opzettelijk buiten het zicht van schuldeisers heeft willen houden. Vervolgens licht het Hof dit oordeel toe. Deze toelichting gaat over het buiten zicht houden van bedragen voor schuldeisers. Het Hof oordeelt vervolgens dat voor zover de ontvanger al niet tot die schuldeisers zou behoren het aannemelijk is dat belanghebbende de schijn ook jegens de inspecteur heeft willen wekken en in stand houden. Daarop baseert het Hof zijn oordeel dat belanghebbende de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Dit oordeel kan niet in stand blijven omdat het Hof niet heeft vastgesteld of belanghebbende de belastingdienst tot de schuldeisers rekende. Het Hof licht niet toe waarom de ontvanger onder de schuldeisers zou vallen waarop zijn motivering ziet. Bovendien is jegens de ontvanger gewekte schijn (quod non) niet relevant bij de vraag of belanghebbende wist dan wel zich ervan bewust moest zijn dat door onjuiste aangiften IB/PVV belastingbedragen niet zouden worden geheven omdat de heffing relevant is en niet de invordering. Het Hof had moeten beoordelen of belanghebbende wist dan wel zich ervan bewust had moeten zijn dat de commissies als belastbaar inkomen in de aangifte moesten worden verantwoord. Nu het Hof dit niet heeft beoordeeld kan zijn oordeel dat belanghebbende welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven niet in stand blijven.
2.7.
Voorts volgt uit het feit dat de inspecteur ter zake van hetzelfde feit niet alleen aan belanghebbende maar ook aan zijn echtgenote, [B] BV en [A] BV (navorderings)aanslagen heeft opgelegd dat de inspecteur niet weet wie het inkomen heeft genoten. Dat de inspecteur er niet in is geslaagd te bepalen waar de commissies moeten worden belast, valt de inspecteur — hoezeer deze ook geacht mag worden over deskundigheid ter zake te beschikken — wellicht niet aan te rekenen, te minder kan dit aan belanghebbende worden verweten. Te dier zake werd in het proces-verbaal van de zitting voor het Hof van 19 juni 2008 dan ook woordelijk genoteerd: ‘Hij heeft geen verstand van de fiscaliteit.’
2.8.
Dat de fiscale toerekening van de door [H] van [i] ontvangen commissies aan belanghebbende ook het Hof de nodige hoofdbrekens heeft gekost, blijkt genoegzaam uit de rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9. Dat het Hof op grond van een fiscaal-juridische redenering in het geval van belanghebbende niettemin tot een toerekening komt van deze vergoedingen, ongeacht of deze door hem (naar normaal spraakgebruik) zijn ‘genoten’, doet daaraan niet af. Zonder nadere redengeving die ontbreekt, kan daaruit onmogelijk worden geconcludeerd, dat belanghebbende daarvan weet had c.q. hij zich daarvan bewust had moeten zijn.
Informatieverplichting
2.9.
Het Hof was kennelijk niet zo zeker van zijn zaak en heeft ambtshalve onderzocht of aan de informatieverplichting van artikel 47 AWR is voldaan. Met zijn oordeel dat daaraan niet is voldaan geeft het Hof een tweede grond voor zijn oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
2.10.
Eerst na verwijzing is door de rechter beoordeeld of aan de informatieverplichting is voldaan. Hof Arnhem heeft dit niet beoordeeld. Belanghebbende meent dat dit niet voor het eerst na verwijzing kan worden getoetst. De zaak is al door de feitenrechter en daarna door de Hoge Raad beoordeeld. Dat na verwijzing nog een aantal feiten door de feitenrechter onderzocht moeten worden dan wel opnieuw moeten worden beoordeeld houdt niet in dat de het verwijzingshof zo ver mag gaan dat hij mag onderzoeken of aan de informatieverplichting is voldaan terwijl het eerste Hof dat niet heeft onderzocht.
Daarmee wordt buiten de verwijzingsopdracht getreden door als het ware na verwijzing een nieuw geschilpunt aan de zaak toe te voegen. Reeds hierom kan het oordeel in r.o. 4.15 dat de bewijslast moet worden omgekeerd niet in stand blijven.
2.11.
Daarnaast kwam het oordeel van Hof 's‑Hertogenbosch dat niet aan de informatieverplichting is voldaan voor belanghebbende als een verrassing aangezien deze vraag door Hof Arnhem niet is beoordeeld en deze vraag ter zitting bij Hof 's‑Hertogenbosch niet aan bod is gekomen. De inspecteur heeft hier in de procedure na verwijzing ook geen beroep op gedaan. Het Hof heeft belanghebbende niet de gelegenheid geboden om te reageren op zijn standpunt dat niet aan de informatieverplichting is voldaan. Dit oordeel van het Hof is gelet daarop in strijd met de goede procesorde. Belanghebbende verwijst in dat kader naar het arrest van uw Raad van 11 juli 2008.4. In dat arrest oordeelde uw Raad dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden omdat het Hof ambtshalve de omkering en verzwaring van de bewijslast had toegepast zonder belanghebbende de mogelijkheid te bieden daarop te reageren. Dat arrest betrof weliswaar een andere situatie omdat daar niet het standpunt was ingenomen dat niet de vereiste aangifte is gedaan. In het onderhavige geval heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat niet aan de informatieverplichting van artikel 47 AWR is voldaan. Echter doordat Hof Arnhem daar niet op in is gegaan en dit standpunt na verwijzing niet meer is ingenomen, meent belanghebbende dat daardoor het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
2.12.
Overigens is het oordeel van het Hof dat door of namens belanghebbende op de geciteerde vraag niet, althans niet naar waarheid is beantwoord volstrekt niet gemotiveerd. Niet blijkt waar het Hof dit op baseert. Ook is niet duidelijk of het Hof oordeelt dat de vraag niet is beantwoord of niet naar waarheid is beantwoord.
2.13.
Aangezien beide oordelen die aan omkering en verzwaring ten grondslag liggen van onjuiste maatstaven uitgaan en onvoldoende zijn gemotiveerd, kan het oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard niet in stand blijven.
Middel 3: redelijke schatting
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77 Awb en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.18. heeft geoordeeld dat de inspecteur door aansluiting te zoeken bij de als commissie aan [H] uitbetaalde bedragen een redelijke schatting heeft gemaakt. Dit oordeel is onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk omdat het Hof dit baseert op zijn onbegrijpelijke oordelen in r.o. 4.8 tot en met 4.10 en meer specifiek op het in 4.8 gegeven onbegrijpelijke oordeel dat aannemelijk is dat belanghebbende over de leningen kon beschikken als zijn eigen inkomsten waardoor zowel de betaalde commissies als de leningen als uitgangspunt van de schatting worden genomen hetgeen het oordeel innerlijk tegenstrijdig maakt. Voorts is het oordeel dat de schatting ook redelijk is indien mede acht wordt geslagen op de rentecorrecties onbegrijpelijk omdat de rentecorrecties op de onbegrijpelijke oordelen in r.o. 4.8 tot en met 4.10 zijn gebaseerd.
3.0. Toelichting op het middel
3.1.
Het Hof oordeelt in r.o. 4.18 dat de inspecteur door aansluiting te zoeken bij de als commissie aan [H] uitbetaalde bedragen een redelijke schatting heeft gemaakt. Dit oordeel is niet gemotiveerd en onbegrijpelijk nu het Hof in r.o. 4.8 oordeelt dat belanghebbende de leningen als beloning voor zijn werkzaamheden zag. Dit oordeel kan gelet daarop niet in stand blijven. Het Hof haalt de leningen en de betalingen van [i] aan [H] door elkaar waardoor zijn oordeel dat sprake is van een redelijke schatting niet begrijpelijk is.
3.2.
Voorts oordeelt het Hof in r.o. 4.18 dat de schatting ook redelijk is indien mede acht wordt geslagen op de hierna te behandelen rentecorrecties. Het Hof overweegt dat de door [H] aan de echtgenote van belanghebbende, [A] en [B] uitgeleende bedragen in belangrijke mate overeen komen met de aan [H] uitbetaalde bedragen. Vervolgens overweegt het Hof dat in r.o. 4.9 reeds is geoordeeld dat aannemelijk is dat belanghebbende ook over deze gelden kon beschikken als zijn eigen inkomsten. Zoals betoogd in het eerste middel is het oordeel dat belanghebbende daadwerkelijk over de gelden heeft beschikt toen hij [i] opdroeg de betalingen aan [H] te verrichten onbegrijpelijk omdat niet is vastgesteld wie opdracht heeft gegeven de commissies aan [H] uit te betalen waardoor dit oordeel feitelijke grondslag ontbeert.
3.3.
Daarnaast is de overweging van het Hof dat in 4.9 reeds is geoordeeld dat aannemelijk is dat belanghebbende ook over deze gelden kon beschikken als zijn eigen inkomsten op zichzelf onbegrijpelijk. Daarmee gaat het Hof zonder daarop een toelichting te geven er vanuit dat belanghebbende over de commissies kon beschikken en merkt het de door [H] uitgeleende bedragen aan als genoten inkomen. Gelet op deze onbegrijpelijke motivering kan het oordeel dat de schatting ook redelijke is indien mede acht wordt geslagen op de rentecorrecties niet in stand blijven. Overigens meent belanghebbende dat aan de vraag of ten aanzien van de rentecorrecties sprake is van een redelijke schatting niet wordt toegekomen omdat zoals in het vierde middel wordt betoogd de oordelen van het Hof over deze correcties niet in stand kunnen blijven.
Middel 4: rentecorrecties
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 3, lid 3, letter d, juncto artikel 5, lid 1, juncto artikel 45, lid 1, letter f, Wet IB 1964 en artikel 24 Wet IB 1964 en meer in het bijzonder van beginselen van behoorlijk procesrecht, doordien het Hof in r.o. 4.19 en 4.24 de als persoonlijke verplichting afgetrokken rente niet geheel in aanmerking heeft genomen en de rente die door de vennootschappen [A] BV en [B] BV en/of de echtgenote van belanghebbende in de litigieuze periode is betaald op door [H] verstrekte leningen heeft aangemerkt als fiscaal inkomen van belanghebbende. Zulks evenwel ten onrechte, aangezien het Hof ten onrechte de omkering en verzwaring van de bewijslast toepast bij de beoordeling van de rentecorrecties en bovendien ten onrechte in het geheel niet motiveert waarom de leningen als door belanghebbende verstrekte leningen moeten worden aangemerkt.
4.0. Toelichting op het middel
4.1.
Het Hof heeft ten onrechte voor de rentecorrecties de omkering en verzwaring van de bewijslast toegepast. Daartoe verwijzen wij allereerst naar het tweede middel.
4.2.
Voor het geval de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is geldt eveneens dat het oordeel van het Hof over de rentecorrecties niet in stand kan blijven. Het Hof beoordeelt in 4.19 of de inspecteur de als persoonlijke verplichting afgetrokken rentebedragen terecht en tot de juiste bedragen heeft gecorrigeerd.
4.3.
Het Hof overweegt dat de inspecteur het realiteitsgehalte van de door [H] verstrekte leningen gemotiveerd heeft betwist en heeft gesteld dat die geldleningen in werkelijkheid door belanghebbende zijn verstrekt althans dat het vermogen van [H] aan belanghebbende moet worden toegerekend. Na het weergeven van de stelling van de inspecteur oordeelt het Hof dat belanghebbende behoudens de rente die is betaald aan derden niet heeft doen blijken dat de daaruit volgende correcties in de aanslagen onjuist zijn. Dat oordeel heeft tot gevolg dat het Hof de correctie van de afgetrokken rente in stand houdt voor zover de rente aldus het Hof niet aan derden is betaald.
4.4.
De rentecorrectie betreft ook het standpunt van de inspecteur dat de door [H] verstrekte leningen als door belanghebbende verstrekte leningen moeten worden aangemerkt waardoor de op de leningen betaalde rente als inkomen van belanghebbende wordt aangemerkt. Het Hof gaat daar in zijn geheel niet op in. Gelet op r.o. 4.24 houdt het Hof de correctie waarbij de aan [H] betaalde rente als inkomen van belanghebbende wordt aangemerkt wel in stand. Aangezien het Hof op deze correctie in zijn geheel niet ingaat kan het oordeel in 4.24 waarbij de door [B] en [A] betaalde rente als inkomen wordt aangemerkt niet in stand blijven.
4.5.
Het Hof motiveert ook zijn oordeel over de beperking van de als persoonlijke verplichting afgetrokken rente niet. Het Hof geeft enkel de stelling van de inspecteur weer en oordeelt dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de rentecorrecties onjuist zijn. De rentecorrecties komen eerst aan de orde indien [H] transparant is. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat [H] niet transparant is. De leningen zijn door [H] aan [B], [A] en belanghebbendes echtgenote verstrekt. Deze leningen zijn afgelost nadat via […] kon worden geregeld.5.
Gelet op de stellingen van belanghebbende omtrent de leningen is het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de rentecorrecties onjuist zijn onvoldoende gemotiveerd. Ook bij toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast moet de rechter motiveren waarom belanghebbende met het door hem gestelde niet heeft doen blijken dat de aanslagen onjuist zijn. Dit geldt te meer nu Hof Arnhem overwoog dat uit het door de inspecteur gestelde niet voortvloeit dat [H] vereenzelvigd kan worden met belanghebbende.6. Ook Hof 's‑Hertogenbosch kwam niet tot het oordeel dat van vereenzelviging sprake is. Nu een motivering ontbreekt kan het oordeel van het Hof dat de rentecorrecties worden gehandhaafd niet in stand blijven. Dit geldt temeer voor het jaar 2001 omdat het Hof over de rentecorrectie die over dat jaar is opgelegd in het geheel geen oordeel heeft gegeven.
Opmerking voorafgaand aan boetemiddelen
Het Hof heeft in r.o. 4.26 de overwegingen van Hof Arnhem ten aanzien van de boeten overgenomen en tot de zijne gemaakt. Deze overwegingen van Hof Arnhem zijn destijds door belanghebbende in cassatie bestreden. Uw Raad is toen aan de beoordeling van de tegen de boete-overwegingen gerichte cassatiemiddelen niet toegekomen. Kennelijk meent Hof 's‑Hertogenbosch dat die middelen niet slagen omdat het Hof de overwegingen van Hof Arnhem overneemt en tot de zijne maakt. Belanghebbende meent (nog steeds) dat het door het Hof overgenomen oordeel over de boeten van Hof Arnhem niet in stand kan blijven. Bij het formuleren van de cassatiemiddelen die thans tegen de boete-oordelen van het Hof zijn gericht is daarom aangesloten bij de cassatiemiddelen die destijds tegen dezelfde boete-overwegingen waren gericht.
Middel 5: boeten
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 14 IVBPR en artikel 6 van het EVRM, alsmede bepalingen van nationaal recht, waaronder met name artikel 8:28a lid 2 van de Awb, alsmede beginselen van een goede procesorde, doordien het Hof door in r.o. 4.26 de r.o. 4.29 tot en met 4.40 van Hof Arnhem tot de zijne te maken aannemelijk heeft geoordeeld, dat belanghebbende inkomsten opzettelijk niet in zijn aangiften heeft verantwoord, althans dat hem door de inspecteur terecht vergrijpboeten over de litigieuze jaren werden opgelegd, welke het Hof heeft gehandhaafd, zulks evenwel ten onrechte, althans op gronden, die deze oplegging c.q. handhaving niet vermogen te rechtvaardigen aangezien:
- 1)
uit de door het Hof vastgestelde feiten niet kan worden afgeleid, dat belanghebbende aan [i] opdracht zou hebben gegeven commissies aan [H] over te maken;
- 2)
zulks overigens nog niet met zich brengt, dat belanghebbende daarmede willens en wetens inkomsten buiten het zicht van de inspecteur heeft gehouden;
- 3)
daaruit immers niet logisch voortvloeit, dat belanghebbende zich — als leek — bewust was c.q. redelijkerwijs bewust had dienen te zijn, dat de desbetreffende commissies onder de gegeven omstandigheden fiscaal aan hem moesten worden toegerekend;
- 4)
het te dier zake door het Hof in navolging van de inspecteur gebezigd bewijs volstrekt ontoereikend is;
- 5)
het door het Hof gebezigd bewijsmateriaal goeddeels onrechtmatig werd verkregen;
- 6)
aan belanghebbende onvoldoende tijd en faciliteiten zijn vergund tot het voorbereiden en voeren van zijn verdediging en het (doen) ondervragen van de getuigen;
- 7)
aan belanghebbende de bijstand van een raadsman is onthouden;
- 8)
de boete-oplegging mede is gebaseerd op een onderzoek, waarin aan belanghebbende mondeling vragen zijn gesteld zonder voorafgaande cautie;
- 9)
aan de boete-oplegging geen adequate kennisgeving (en) is (zijn) voorafgegaan.
Mitsdien is aan belanghebbende een fair trial onthouden. Bovendien heeft het Hof de te dezen geleverde bewijsregels niet juist toegepast en zijn uitspraak onvoldoende naar de eisen der wet met redenen omkleed.
5.0. Toelichting op het middel
5.1.
Het Hof heeft aan de boete-oplegging als zodanig tien specifieke overwegingen (r.o. 4.29 t/m 4.38) gewijd. Volgens de boete-systematiek kan aan de oplegging daarvan evenwel pas worden toegekomen, wanneer de daarmede verband houdende belasting(na)vorderingen gegrond blijken te zijn. Het verweer daartegen van belanghebbende moet derhalve tevens worden beschouwd als een onderdeel van zijn verdediging tegen de oplegging van de vergrijpboeten. Aan de beoordeling dáárvan heeft het Hof 25 (rechts)overwegingen gewijd (r.o. 4.1 t/m 4.25).
5.2.
Het Hof heeft in zijn boete-overwegingen impliciet danwel expliciet teruggegrepen op zijn voorafgaande overwegingen, die niet alleen betrekking hebben op de materiële heffingen, maar ook op formele aspecten, zoals de bewijslastverdeling, de verleende inzage in de relevante stukken tijdens de bezwaarfase en nadien, en de proceshouding van belanghebbende. Met regelmaat blijkt het Hof bepaalde stellingen van de inspecteur aannemelijk te achten, (mede) omdat deze door belanghebbende onvoldoende zouden zijn weersproken. Waar belanghebbende niet door een professionele gemachtigde werd bijgestaan, had het Hof zich van een dergelijke bewijsconstructie moeten onthouden, althans had het Hof deze zeker opnieuw aan een review moeten onderwerpen voor wat betreft de opgelegde vergrijpboeten. In de bestreden uitspraak geeft het Hof er onvoldoende blijk van zich daarvan rekenschap te hebben gegeven.
5.3.
Het onderhavig cassatiemiddel is welbewust ruim geformuleerd en verbijzonderd naar specifieke redenen, die naar het oordeel van belanghebbende tot de vernietiging van de bestreden uitspraak dienen te leiden. Deze elementen worden hieronder in dezelfde nummer-volgorde toegelicht, als in het cassatiemiddel zijn omschreven.
5.4.
In voor de boete-oplegging redengevende zin heeft het Hof in r.o. 4.31 overwogen, dat belanghebbende aan [i] de opdracht gegeven heeft de commissies niet aan hem of [B] BV maar aan [H] over te maken. Voor dit belangrijk boete-anker is evenwel in het procesdossier geen concrete aanwijzing, laat staan bewijs te vinden. Ook de door het Hof gerelateerde vaststaande feiten geven daaraan geen onderbouwing. Ook belanghebbende zelf heeft dit nimmer beaamd, nog afgezien van de vraag of daaraan dan betekenis toegekend zou mogen worden.
5.5.
Zelfs wanneer zou vaststaan, althans aangenomen zou worden, dat belanghebbende de hand zou hebben gehad in de betaling van commissies door [i] aan [H] dan wettigt zulks nog niet de conclusie dat, zoals de inspecteur stelt (zie r.o. 4.29) het aan het opzet van belanghebbende te wijten zou zijn dat de aanslagen over de jaren 1998, 1999 en 2000 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en dat hij, belanghebbende de aangifte voor het jaar 2001 onjuist of onvolledig heeft gedaan.
5.6.
Dat niet van eenieder mag worden verwacht, dat hij er zich van bewust is dat inkomsten, waarvan hij op voorhand afstand heeft gedaan, niettemin aan hem worden toegerekend, blijkt al uit het arrest van uw Raad van 3 april 1968, BNB 1968/133 m.nt. H.J. Heliema. Dat maakt een dergelijke toerekening — zeker voor een leek als belanghebbende — niet dusdanig vanzelfsprekend, dat diens aangiften, waarin een dergelijke toerekening achterwege bleef, gekwalificeerd mogen worden als opzettelijk onjuist of onvolledig te zijn gedaan. Dit te minder, waar ook de inspecteur over deze toerekening kennelijk dusdanige twijfels bleek te koesteren, dat hij diezelfde commissies niet alleen bij belanghebbende, doch ook bij verschillende andere (rechts)personen heeft belast.
5.7.
De vraag, of men verplicht is inkomsten, die men de facto niet heeft genoten, de jure toch moet beschouwen als fictieve baten, die men fiscaal moet verantwoorden, is van hoog juridisch gehalte. Men kan een belastingplichtige niet verwijten, dat hij aan die vraag voorbijgaat, althans die niet trefzeker beantwoordt. In zijn handboek ‘Fiscaal Straf- en Strafprocesrecht 2001’ schrijft Valkenburg hierover (op blz. 25) onder meer:
‘Wanneer de vraagstelling een kwalitatief element heeft, kan moeilijk worden volgehouden, dat onjuiste gegevens zijn verstrekt maar is hooguit sprake van een verschil in waardering’.
5.8.
Noch het reguliere aangiftebiljet inkomstenbelasting noch de toelichting daarop van de Belastingdienst dwingt tot de aangifte van commissies die — al dan niet ten gevolge van een wilsbesluit — effectief niet door de belastingplichtige zelf maar door een ander worden genoten. In zoverre is de vraagstelling in een aangifteformulier nog bleker, dan de expliciete vraagstelling uit hoofde van artikel 47 AWR, ter zake waarvan uw Raad op 30 januari 2007, VN 2009/8.25 sub 5.2.5 het navolgende overwoog:
‘Bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende aan de informatieplicht heeft voldaan, stelt het Hof voorop, dat deze verplichting betrekking heeft op gegevens van feitelijke aard. Dit betekent dat de inspecteur zich bij de uitoefening van de bevoegdheden die hij aan de artikelen 47 e.v. van de AWR ontleent — zoveel mogelijk (het onderscheid tussen feit en opinie is niet zelden nogal diffuus) — op gegevens van feitelijke aard dient te richten’.
5.9.
Analyseert men het bewijsmateriaal, waarop het Hof zijn oordeel te dezer zake mogelijk heeft gebaseerd (de uitspraak zou daarover overigens niets te raden moeten overlaten) dan zal dit wellicht gelegen kunnen zijn in de door het Hof (onder 2.5) genoemde brief van [i] van 29 september 2003. Daaruit kan weliswaar worden afgeleid, dat belanghebbende als agent fungeerde voor [i], maar zeker niet dat hij dit voor eigen rekening en risico deed. Integendeel; [i] lijkt juist te hebben verklaard, dat belanghebbende optrad ‘through [G]’.Op basis van welke instructie danwel rechtsverhouding [i] betalingen deed aan [H] laten de door het Hof geciteerde passages geheel in het midden. Daaraan mag overigens geen bewijskracht ten nadele van belanghebbende worden toegekend nu hijzelve noch zijn gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld aanwezig te zijn bij het onderzoek bij [i], vooraf kennis te nemen van de vraagstelling, zelf vragen te formuleren en/of een contra-expertise te (doen) verrichten. Belanghebbende is doordien onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn verdediging te voeren.
5.10.
Belanghebbende heeft zich erop beroepen, dat het op grond van het belastingverdrag tussen de Verenigde Staten en Nederland verkregen bewijsmateriaal ten onrechte is gebezigd tot bewijs voor de boetegrondslag. Het Hof heeft dat beroep (in r.o. 4.26 door het tot de zijne maken van r.o. 4.32 van Hof Arnhem) verworpen, zulks evenwel op onjuiste gronden. Ten onrechte is het Hof voorbijgegaan aan de aan het slot van artikel 30, eerste zin van dat verdrag gestelde beperking ten aanzien van de inlichtingenuitwisseling, die luidt als volgt:
‘Een Staat mag inlichtingen die op basis van deze Overeenkomst zijn verkregen slechts als bewijs voor een rechter in strafzaken gebruiken indien daartoe vooraf goedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt. De bevoegde autoriteiten kunnen echter onderling overeenkomen af te zien van de voorwaarde van voorafgaande goedkeuring.’
5.11.
Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van 19 juni 2008 verklaarde belanghebbende, dat hij niet meer kon beschikken over professionele rechtsbijstand, omdat hij niet (meer) beschikte over voldoende middelen. Het Hof had hem in dat verband moeten wijzen op de mogelijkheid zich kosteloos door een toegevoegd advocaat te laten bijstaan, althans had hem een advocaat moeten toewijzen. Door dit te verzuimen heeft het Hof belanghebbende onvoldoende rechtsbescherming geboden. Dat het in casu gaat om een complexe zaak met de nodige vraagstukken van hoog fiscaal-juridisch gehalte was het Hof reeds ter zitting van 19 juni 2008 kenbaar uit de voordien tussen partijen en het Hof gewisselde stukken.
5.12.
Dat blijkt ook uit de uitvoerige behandeling ter zitting van 19 juni 2008, ter zake waarvan een gedetailleerd proces-verbaal werd opgemaakt van 11 pagina's gedateerd 11 juli 2008. Door belanghebbende niettemin rechtskundige bijstand te onthouden, althans hem niet uitdrukkelijk te wijzen op de mogelijkheid van (kosteloze) toevoeging, zijn diens rechten als bedoeld in artikel 6, lid 3, sub c, EVRM en artikel 14, lid 3, sub d, IVBPR geschonden.
5.13.
De juist bedoelde schending is niet meer reparabel, nu het Hof het niet alleen toelaatbaar heeft geoordeeld, dat door de inspecteur in het boetekader aan belanghebbende vragen zijn gesteld zonder voorafgaande cautie, maar ook Hof Arnhem heeft verzuimd belanghebbende ter zitting op zijn zwijgrecht als verdachte te wijzen. In elk geval had het Hof de mondelinge verklaringen van belanghebbende voor het bewijs van diens opzet c.q. bewustheid, als bedoeld in (onder meer) de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6 moeten uitsluiten. Dat zulks niet is geschied, blijkt overduidelijk uit het gegeven, dat het Hof in diverse overwegingen gewicht heeft toegekend aan verklaringen, die belanghebbende zonder voorafgaande cautie heeft afgelegd.
5.14.
Dat belanghebbende tijdens de zittingen van 19 juni 2008 en 12 maart 2009 uitvoerig door het Hof is bevraagd, blijkt onmiskenbaar uit de van het verhandelde opgemaakte processen-verbaal, waarin tal van verklaringen van belanghebbende zijn opgenomen, veelal voorafgegaan door zinsneden. ‘Desgevraagd verklaart…’
5.15.
Een voorafgaande cautie is evenwel nergens opgetekend, zodat het ervoor moet worden gehouden, dat deze ook niet is gegeven. Reeds deswege is het onderzoek ter zitting alsmede de (mede) naar aanleiding daarvan door het Hof gedane uitspraak nietig.
5.16.
Voor wat betreft de vereiste voorafgaande kennisgeving van de boete-oplegging overweegt het Hof (via r.o. 4.26 in r.o. 4.37) dat de brieven van de inspecteur van 9 december 2003 en 6 januari 2004 zijn bedoeld als kennisgeving en mededeling van de boete als bedoeld in de artikelen 67k en 67g, van de AWR. Mitsdien faalt — aldus het Hof — de klacht van belanghebbende over dit punt. Dat is onbegrijpelijk, nu voormelde brieven van de inspecteur wellicht mogen zijn bedoeld de functie te vervullen van de vereiste kennisgevingen, maar zij materieel noch formeel voldoen aan de daaraan te stellen minimale eisen. Nog minder voldoen zij aan de internationale eisen, zoals geformuleerd in artikel 14, lid 3, sub a, van het IVBPR en artikel 6, lid 3, sub a, van het EVRM.
5.17.
Welnu uit de brieven van 9 december 2003 en 6 januari 2004 kan onmogelijk worden afgeleid waarvan belanghebbende in casu wordt beticht. Dat is ook alleszins verklaarbaar, nu de inspecteur zelf ten tijde van het schrijven van die brieven in onzekerheid verkeerde, of en zo ja bij welke (rechts)persoon de commissies van [i] hier te lande door hem konden worden belast. Het enkele feit, dat belanghebbende kennelijk geen poging had gedaan deze commissies voor zich te bedingen danwel zelf te toucheren kan in dit verband toch moeilijk als een concrete omschrijving van een verwijt worden beschouwd.
Middel 6: straftoemeting
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van beginselen van behoorlijk procesrecht, doordien het Hof onjuiste maatstaven heeft aangelegd ter bepaling van de strafmaat, althans deze onvoldoende heeft gemotiveerd. Deswege is 's Hofs uitspraak ook in zoverre onvoldoende naar de eisen der wet met redenen omkleed.
6.0. Toelichting op het middel
6.1.
Wanneer de oplegging van een boete door de rechter ten principale gerechtvaardigd wordt geacht, is hij degene die de hoogte daarvan bepaalt, rekening houdend met het wettelijk maximum van 100% van het belastingbedrag, dat door de boeteling aanvankelijk werd ontdoken. De rechter is daarbij niet gebonden aan een percentuele benadering, ofschoon die maatstaf in de praktijk blijkens de jurisprudentie vaak wordt gehanteerd. Ook het Hof kiest dáárvoor, overwegende (via 4.26 in r.o. 4.39 Hof Arnhem):
‘De boete dient berekend te worden over de belasting die samenhangt met de fees in elk van de onderhavige jaren. Daarbij moet rekening worden gehouden met de aanpassing van de correctie van de fees, zoals onder 4.16 vermeld.’
6.2.
In zoverre is 's Hofs gedachtegang begrijpelijk. Daarna wordt zij evenwel onnavolgbaar. Een relatie met de door het Hof van jaar tot jaar gegrond geoordeelde correcties ter zake van aan belanghebbende toegerekende commissies kan immers in de uitspraak onmogelijk worden gevonden. Als gevolg daarvan is evenmin na te gaan, wát het effect is van 's Hofs uitdrukkelijke beperking van de boetegrondslag, waarvan blijkt uit de navolgende overweging (via r.o. 4.26 in r.o. 4.39):
‘Voor zover de inspecteur bepleit dat de boete ook over de overige correcties berekend moet worden, merkt het Hof op dat voor deze correcties deels geen kennisgeving of mededeling is gedaan vóór het opleggen van de boete.’
6.3.
Het Hof bedoelt daarmede kennelijk, dat — anders dan de inspecteur heeft gedaan — de boete niet berekend mag worden over de rentecorrecties, die de inspecteur in de desbetreffende jaren heeft toegepast en die door het Hof — goeddeels op basis van omkering van de bewijslast — niettegenstaande belanghebbendes beroep zijn gehandhaafd. In hoeverre het Hof overigens rekening heeft gehouden met het effect van de omkering van de bewijslast op de omvang van de overige correcties, blijft te raden.
6.4.
Reeds op grond van het voorafgaande is het voor belanghebbende volstrekt onbegrijpelijk, hoe het Hof tot zijn oordeel (via r.o. 4.26 in r.o. 4.40) is gekomen, dat een boete voor elk van de jaren 1998 en 1999 ad 10.000 euro, en voor het jaar 2000 ad 30.000 euro en voor het jaar 2001 ad 40.000 euro ‘passend en geboden’ moet worden geacht. Natuurlijk, de rechter komt een grote vrijheid toe in de bepaling van de strafmaat, maar dat neemt niet weg dat aan de motivering daarvan zekere eisen moeten worden gesteld. Deze moet voor de bestrafte navolgbaar, althans begrijpelijk zijn en dat is zij bepaald niet.
6.5.
Tenslotte heeft het Hof ten onrechte verzuimd in het kader van de straftoemeting rekening te houden met de schendingen van de fundamentele rechten van de verdachte, waarvan uit de voorgaande middelen en de toelichtingen daarop (die ook hier als herhaald en ingevoegd moeten worden beschouwd) blijkt. In het penitentiair recht is dat op grond van de leer van uw Raad niet alleen gebruikelijk, doch ook geboden, zo deze schendingen al niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de vervolgende instantie, waarmede de boete-oplegging moet worden gelijkgesteld (HR 19 juni 1985, NJ 1986, 104). Het gaat hier volgens vaste rechtspraak om beginselen van een behoorlijke straftoemeting. Het Hof geeft daar in de bestreden uitspraak onvoldoende blijk van daarmede gerekend te hebben, althans heeft zulks onvoldoende gemotiveerd.
Met conclusie:
dat het uw Raad moge behagen op voormelde en/of op door uw Raad ambtshalve te bevinden gronden de bestreden uitspraak van Hof 's‑Hertogenbosch behoudens de toekenning van vergoeding van proceskosten, griffierecht en immateriële schade te vernietigen alsmede onder de bepaling, dat de griffierechten aan belanghebbende worden gerestitueerd en tevens de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een vergoeding voor immateriële schade en tot een vergoeding van wettelijke rente over de door het Hof vastgestelde immateriële schadevergoeding (HR 26 februari 2016, BNB 2016/94).
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑11‑2016
Cursus belastingrecht, IB, 2.2.0.C.a Algemeen.
Proces-verbaal zitting Hof Arnhem 19 juni 2008, blz. 8.
HR 11 juli 2008 nr. 44098, BNB 2008/248.
Proces-verbaal Hof Arnhem zitting 19 juni 2008, blz. 8.
Hof Arnhem r.o. 4.22.