Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht
Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/4.3.5:4.3.5 Waarderingsproces
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/4.3.5
4.3.5 Waarderingsproces
Documentgegevens:
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS619273:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De ‘Leidraad deskundigenbericht in civiele zaken’ is te raadplegen via www.rechtspraak.nl/procedures (Uw situatie > Deskundige > Rechten en plichten > Leidraad deskundigen in civiele zaken, p. 8).
Zie hiervoor: R.M. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, Deventer: Wolters Kluwer 2017, Onderdeel van Serie vanwege het Van der Heijden Instituut te Nijmegen, Deel 145.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander dilemma is meer kwalitatief van aard en ziet op de goede procesorde van een waarderingsopdracht voor de blokkeringsregeling. Dit dilemma ziet zowel op de vraag wie de opdrachtgever is (de vennootschap en/of de aandeelhouders) als de vraag wie de waarderingsdeskundige van informatie voorziet. In de interviews werd door de deskundigen verwezen naar de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ van de rechterlijke macht.1 Hoewel de uitgangspositie in het onderzoek daarvan afweek (het ging in dit onderzoek niet om een benoeming door de rechtbank), speelt het beginsel van ‘hoor en wederhoor’ ook bij een waarderingsopdracht voor de blokkeringsregeling een rol. Teneinde aan het criterium van hoor en wederhoor te voldoen is transparantie noodzakelijk en moet partijen de mogelijkheid worden geboden commentaar te geven op elkaars input. Bij het opstellen van de enquête kwam als (kwalitatief) dilemma naar voren dat uit het bovenstaande niet volgt op welk moment partijen moeten worden betrokken bij het leveren van commentaar op het waarderingsmodel en/of de waarderingsexercitie in het algemeen. Ook is met genoemde aanwijzing in de leidraad nog niet vast komen te staan op welke manier moet worden omgegaan met de aanlevering van informatie.
Uitkomsten: waarderingsproces
Bijna alle waarderingsdeskundigen (95%) gaan de overeenkomst van opdracht aan met de aandeelhouders (43%) of met de aandeelhouders en de vennootschap gezamenlijk (52%). Daarnaast baseert 90% van de respondenten zich bij de waardering voor de blokkeringsregeling op informatie van zowel de vennootschap als de aandeelhouders. Er bestaat daarentegen een groot verschil waar het gaat om toepassing van ‘hoor en wederhoor’. Op de vraag wanneer hoor en wederhoor werd toegepast
waren de volgende antwoorden mogelijk waarbij tussen haken staat weergegeven hoeveel procent van de deskundigen het desbetreffende antwoord koos: (a) ik stel partijen in staat om te reageren op alle informatie die door de wederpartij is aangeleverd (35%); (b) op het moment dat ik deelanalyses heb uitgevoerd (bijvoorbeeld de analyse van historische resultaten, prognoses, disconteringsvoet) (13%); (c) pas op het moment dat ik een indicatieve waarderingsrange heb vastgesteld, stel ik partijen in de gelegenheid daarop te reageren (9%); (d) bij het opstellen van het conceptrapport (26%); en (e) anders (17%), bijvoorbeeld:
“Gedurende het hele proces. Om het werkbaar te houden partijen niet op elkaar laten reageren. Cashflowverwachting is een belangrijke factor die in het hoor en wederhoor zeker tot uiting komt. Het conceptrapport leg ik ook aan beide partijen voor commentaar.”
Kortom, het overgrote deel van de respondenten (74%) wacht niet met het toepassen van hoor en wederhoor tot het uitbrengen van het conceptrapport en 35% van de respondenten stelt partijen zelfs in staat om te reageren op alle uitgewisselde informatie.
Net zoals bij bijvoorbeeld een onderzoeksrapport in het kader van een enquêteprocedure,2 is de wijze van totstandkoming van het waarderingsrapport een belangrijk element. Het kan zo zijn dat de deskundige informatie vraagt aan de ene partij, terwijl de ander daar niet van op de hoogte is. Dit hoeft niet perse het beginsel van ‘hoor en wederhoor’ te schaden en het altijd in staat stellen van partijen om te reageren op alle uitgewisselde informatie lijkt mij weinig efficiënt. Als het management bijvoorbeeld geïnterviewd is over de business case en de daarop te baseren kasstromen, zullen hun verklaringen, zoals die worden vastgelegd in een interview rapport, ter goedkeuring/aftekening aan de betreffende bestuurders of managers worden voorgelegd. Hetzelfde zal worden gedaan met de inschattingen van de betrokken aandeelhouders. Op grond van al deze inzichten zal een deskundige vervolgens tot een waardering komen. Uiteraard dient het concept met alle betrokkenen te worden gedeeld, zodat zij in de gelegenheid kunnen worden gebracht om hun commentaar op het concept te formuleren, maar ten aanzien van de verschillende visies is het mijns inziens niet noodzakelijk direct hoor en wederhoor te laten plaatsvinden. Als de waarderingsdeskundige, na ontvangst van de visie van bijvoorbeeld een bestuurder, inschat dat ook de input van de aandeelhouder nodig is, dan kan hij vervolgens overgaan tot het opvragen daarvan.
De precieze wijze van de totstandkoming van het rapport en de manier waarop de betrokken partijen daarin een rol spelen, zal denk ik voornamelijk afhangen van de betreffende opdracht en de omstandigheden van het geval. Het is dan ook noodzakelijk dat de procedure van totstandkoming van het waarderingsrapport door de deskundige van te voren met de relevante partijen wordt afgestemd, zodat over het proces geen misverstanden bestaan.