Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.13.5:5.13.5 Ontbinding
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.13.5
5.13.5 Ontbinding
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633640:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij ontbinding van een kerkelijke rechtspersoon speelt het statuut een belangrijke rol. Het statuut kan bepalen hoe de ontbinding moet plaatsvinden en wat de gevolgen daarvan zijn. Wat betreft ontbinding door de rechter wegens strijd met openbare orde op grond van artikel 2:20 BW (overeenkomstige toepassing van deze bepaling) zijn de meningen verdeeld. Met Van Kooten ben ik van mening dat een overeenkomstige toepassing van deze bepaling niet waarschijnlijk is omdat ontbinding door de rechter veelal onverenigbaar zal zijn met het statuut van het betrokken kerkgenootschap en de aard der onderlinge verhoudingen.1 Daarom ligt een rechtstreekse toepasbaarheid van artikel 2:20 BW op kerkgenootschappen meer voor de hand door die via een wetswijziging expliciet in artikel 2:2 BW op te nemen. De wettelijke ontbindingsregeling moet wel voldoen aan de beperkingssystematiek van artikel 9 EVRM. Omdat de rechter zich zoveel mogelijk terughoudend moet opstellen bij de beoordeling van het geestesgoed van het kerkgenootschap, is toetsing van het geestelijke doel van het kerkgenootschap uitgesloten. Een ontbinding wegens strijdigheid van de werkzaamheden van het kerkgenootschap met de openbare orde is wel mogelijk.
Bij de vereniging ligt de bevoegdheid om een vereniging te ontbinden bij de algemene vergadering. De statuten kunnen bepalen dat deze ontbindingsbevoegdheid van de algemene vergadering afhankelijk is van een goedkeuringsrecht van een andere instantie, zoals een externe religieuze autoriteit.2 Ontbinding zonder de vereiste goedkeuring is toch mogelijk als alle leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en met algemene stemmen kiezen voor de ontbinding (art. 2:43, lid 2 jo. art. 2:42 lid 4 BW). Dit geldt ook voor de bevoegdheid tot statutenwijziging. Dit vormt volgens Van der Ploeg een belangrijk verschil met het kerkgenootschap. Bij de rechtsvorm kerkgenootschap is het in principe3 niet mogelijk dat een vergadering van alle aangeslotenen of leden de bevoegde religieuze autoriteiten passeert door een unaniem besluit tot ontbinding van het kerkgenootschap of wijziging van het statuut van het kerkgenootschap.4
In het geval van een stichting bepalen de statuten of het bestuur de stichting kan ontbinden en op welke manier dat moet plaatsvinden. Veelal bepalen de statuten dat voor een ontbindingsbesluit van het bestuur een bijzondere meerderheid van stemmen vereist is, eventueel met goedkeuring van een raad van toezicht. In bepaalde gevallen heeft de rechter de bevoegdheid om een ontbinding uit te spreken, zoals wanneer het vermogen onvoldoende is voor de verwezenlijking van haar doel (art. 2:301 BW). Een geestelijk genootschap dat georganiseerd is in de rechtsvorm van een stichting moet hier dus rekening mee houden. Een dergelijke ontbindingsgrond bestaat niet voor het kerkgenootschap en de vereniging.5