Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.2.2
5.2.2 Formulering van artikel 6:203
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493957:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Indebiti betekent onverschuldigd.
In dergelijke gevallen moest een beroep worden gedaan op de condictio causa data causa non secuta, die ook wel bekend stond als de condictio ob rem. Zie over deze condictie: Zimmermann 1996, p. 843-847; 857-862; Damminga 2006.
In dergelijke gevallen moest een beroep worden gedaan op de condictio ob turpem vel iniustam causam. Zie ook: Zimmermann 1996, p. 844-847; 862.
Dawson 1951, p. 63 e.v. (m.n. p. 66); Söllner 1960, p. 189-192; Kupisch 1987, p. 5; Damminga 2006, p. 5-53.
Van Oven 1933, p. 428.
Ook de Hoge Raad maakt, in het kader van een faillissement, een onderscheid tussen aan de ene kant een rechtsverhouding die niet tot een betaling aanleiding geeft en daarom niet een rechtsgrond voor de prestatie vormt en aan de andere kant een rechtsverhouding die door nietigheid of vernietigbaarheid niet een voldoende rechtsgrond vormt voor de prestatie. Alleen een prestatie die als gevolg van een vergissing is verricht na faillissement terwijl daarvoor een voldoende aanleiding ontbrak, kan worden teruggevorderd met voorbijgaan aan alle overige boedelcrediteuren; HR 8 juni 2007, NJ 2007/419 (Van der Werff q.q./BLG).
De vordering uit onverschuldigde betaling is neergelegd in artikel 6:203, dat luidt:
Degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.
Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.
Degene die zonder rechtsgrond een prestatie van andere aard heeft verricht, heeft eveneens jegens de ontvanger recht op ongedaanmaking daarvan.
Het artikel onderscheidt verschillende soorten prestaties; het geven van een goed (lid 1), het betalen van geld (lid 2) en prestaties van andere aard (lid 3). Voor elk van deze prestaties bepaalt het artikel dat degene die de prestatie heeft verricht, deze van de ontvanger kan terugvorderen als een rechtsgrond ontbreekt.
Artikel 6:203 heeft een ruim toepassingsbereik. De vraag rijst wanneer een betaling als onverschuldigd moet worden aangemerkt. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet de historische achtergrond van het leerstuk van de onverschuldigde betaling voor ogen worden gehouden. De formulering van het artikel haakt namelijk aan bij zowel de Romeinse condictio indebiti als de condictio sine causa, die door middeleeuwse geleerden werd onderscheiden.1
Met de condictio indebiti kon terugbetaling worden gevorderd door degene die onverschuldigd een prestatie had verricht, omdat hij in de onjuiste veronderstelling verkeerde een schuld te hebben. Opmerking verdient dat in een dergelijk geval slechts een enkele prestatie was verricht: tegenover de verrichting van de onverschuldigde betaling stond niet de ontvangst van een (onverschuldigde) tegenprestatie.
In het Romeinse recht kon ook in bepaalde andere gevallen terugbetaling van een prestatie worden gevorderd. Het gaat dan om gevallen waarbij partijen wel over en weer prestaties hadden verricht of nog moesten verrichten. Zo kon terugbetaling worden gevorderd als een contractueel bedongen tegenprestatie niet werd verricht,2 of als was betaald op grond van een onzedelijke oorzaak.3 In die gevallen moesten dan andere condictiones worden ingesteld. Voor deze acties golden andere vereisten; zo was bijvoorbeeld niet vereist dat de betaler zich had vergist of dat de betaling onverschuldigd was.
Middeleeuwse rechtsgeleerden hebben uit al deze acties tot terugbetaling één algemene actie gedestilleerd: de condictio sine causa.4 Terugvordering kon worden gevorderd als een rechtvaardiging voor de betaling ontbrak. De opstellers van moderne wetboeken hebben voortgebouwd op het werk van de middeleeuwse rechtsgeleerden. In deze wetboeken is een moderne condictio sine causa gecodificeerd, zoals ook blijkt uit artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek.5 In dit wetboek wordt voor al de gevallen waarin zonder rechtsgrond is betaald, de fictie gebruikt alsof de betaling onverschuldigd was. Daarom wordt deze vordering nog steeds aangeduid als ‘onverschuldigde betaling’. Voor het ontstaan van de vordering is vergissing geen vereiste; elke betaling zonder rechtsgrond kan worden teruggevorderd.
Wanneer ontbreekt een rechtsgrond? Bij de beantwoording van deze vraag moet de systematiek van het Burgerlijk Wetboek voor ogen worden gehouden. Ik meen dat artikel 6:203 in deze systematiek recht geeft op terugbetaling in twee belangrijke typen gevallen. In de eerste plaats ontstaat een recht op terugbetaling in gevallen waarin geen rechtsverhouding heeft bestaan die aanleiding gaf tot het verrichten van een prestatie. Een rechtsgrond ontbreekt dan. In de tweede plaats moeten prestaties kunnen worden teruggevorderd in gevallen waarin wel een rechtsverhouding bestond die aanleiding gaf om te presteren, maar waarbij de rechtsverhouding gebrekkig is als gevolg van de nietigheid of vernietiging van een rechtshandeling op grond waarvan een prestatie is verricht.6 Ook dan ontbreekt een rechtsgrond. Ik bespreek beide typen gevallen uitvoeriger in de onderstaande subparagrafen.