WFR 2026/128
VAB of VWB?
Prof. dr. mr. P.G.H. Albert, datum 29-04-2026
Voetnoten
Voetnoten
Prof. dr. mr. P.G.H. (Philippe) Albert is directeur Bureau Vaktechniek Belastingadviseurs Baker Tilly (Netherlands) BV en hoogleraar Internationaal belastingrecht Nyenrode Business Universiteit. Het artikel is op persoonlijke titel geschreven.
Par. 5.3.2 Wet IB 2001 (wetsvoorstel 36 748).
Nr. 2026-0000078057.
A.A.F. Gerritsen, ‘De economische logica achter het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3’, WFR 2026/59.
HR 10 juni 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177.
HR 14 juni 2019, nr. 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816, BNB 2019/161.
Zie P.G.H. Albert, ‘De puinhoop van box 3: een terugblik en vooruitblik’, WFR 2024/244.
Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 6, p. 13. De meest rechtse kolom en de onderste rij staan niet in de nota naar aanleiding van het verslag. Deze heb ik zelf toegevoegd. De meest rechtse kolom bestaat uit het product van de cijfers uit de twee kolommen ernaast. (Voorbeeld: 24.800 x € 2700 = € 66.960.000.)
De memorie van toelichting vermeldt over die laatste: “Deze overige bezittingen bestaan voor een relatief groot deel uit vorderingen, maar omvatten ook kapitaalverzekeringen, cryptovaluta, aandelen in reservefondsen van verenigingen van eigenaren (VvE’s) en andere bezittingen” (Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 3, p. 5).
Volgens de website van het CBS telt Nederland 2,4 mln. bedrijven, waarvan 68% eenmanszaken (1.632.000) en 21% de rechtsvorm van een bv hebben (504.000). Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-economie/bedrijven#A-U. Het rapport ‘De fiscale positie van de directeur-grootaandeelhouder’ uit 2023 van Ruud van den Dool, Michael van Gijlswijk, Mascha Hoogeveen, Arjan Lejour en Stan Stevens vermeldt: “Uit de statistieken van het CBS blijkt dat er ruim tweehonderdduizend dga’s zijn in Nederland en daarnaast nog zo’n vierhonderdduizend AB-houders die geen directeur zijn van een bv.”
Het vermogensbestanddeel zal dan op de eindbalans niet tegen de waarde in het economische verkeer worden opgenomen, maar tegen historische kostprijs.
Vergelijk C.B. Bavinck, ‘Vermogensaanwas of vermogenswinst belasten’, WFR 2025/157 (par. 3.1).
Reactie van de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB van 27 juni 2025 op wetsvoorstel ‘Wet werkelijke rendement box 3’ (p. 6).
HR 6 juni 2024, nr. 22/04676, ECLI:NL:HR:2024:704, BNB 2024/84, r.o. 5.4.8: “Het werkelijke rendement omvat niet alleen de voordelen die worden getrokken uit vermogensbestanddelen in box 3 , zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van zulke vermogensbestanddelen. Deze waardeveranderingen behoren ook tot het werkelijke rendement indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd.”
HR 22 november 2013, nr. 13/01161, ECLI:NL:HR:2013:1210, BNB 2014/30, r.o. 3.3.1: “Wat betreft het verbod van discriminatie in artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM kan de Nederlandse rechter een zodanige onverenigbaarheid niet aannemen op basis van een uitleg van het daarin gebruikte begrip discriminatie die zou leiden tot een verdergaande bescherming dan mag worden aangenomen op grond van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot die bepalingen (vgl. HR 10 augustus 2001, nr. R00/132HR, ECLI:NL:HR:2001:ZC3598, NJ 2002/278).”
In HR 26 september 2025, nr. 24/02647, ECLI:NL:HR:2025:1389, BNB 2026/8 overweegt de Hoge Raad: “5.5 Daarbij heeft de wetgever ervoor gekozen om de APV-regeling dusdanig ruim en “robuust” op te zetten dat die regeling geldt voor uiteenlopende soorten doelvermogens, waaronder binnenlandse en buitenlandse familiestichtingen. Als gevolg daarvan is voor toepassing van deze regeling niet van belang of het vermogen met een fiscaal motief is afgezonderd, en evenmin of daarbij het zicht op de feiten is belemmerd. Deze ruime opzet van de regeling sluit aan bij het – legitieme – doel van de wetgever om een heffingsvacuüm zoveel mogelijk te vermijden. Van de keuze van de wetgever voor een dergelijke opzet van de regeling, kan in dat licht niet worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot.”
P.G.H. Albert, ‘Excessief lenen en art. 1 EP EVRM. Een storm in een glas water’, WFR 2024/288.
L.W.D. Wijtvliet, ‘Het draagkrachtbeginsel en andere verdelingsbeginselen: gedachten over hun invulling, rol en betekenis voor belastingheffing’, WFR 2021/58, par. 4.1.
Overigens is het ook bij een VWB mogelijk dat belastingheffing optreedt zonder dat de belastingplichtige de beschikking krijgt over liquide middelen, namelijk bij ruil, schenking en een verkoop onder schuldigerkenning.
Reactie van de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB van 27 juni 2025 op wetsvoorstel ‘Wet werkelijke rendement box 3’ (p. 7).
R.P. van den Dool, ‘Vermogensaanwas-, vermogenswinstbelasting of een combinatie van beide?’, TFO 2025/200.3 (par. 3.3).
Zie ook het voorbeeld van Henry Meijer in ‘Vermogenswinstbelasting discrimineert spaarders een aandelenbeleggers’, NLF Opinie 2024/5.
Heithuis is hier niet beducht voor. Zie E.J.W. Heithuis, ‘Het nieuwe box 3-regime vanaf 2028: een dubbel gezicht’, MBB 2025/36, voetnoot 13. Daarbij wijst hij er terecht op dat het voordeel van deelname aan een ‘groeifonds’ onder de Wet IB 1964 groter was dan het onder box 3 bij een VWB zal zijn.
Zie ook A.A.F. Gerritsen, ‘De economische logica achter het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3’, WFR 2026/59, par. 3.2 (‘Portfolioherschikkingen als gevolg van een vermogenswinstbelasting’).
R.P. van den Dool, ‘Vermogensaanwas-, vermogenswinstbelasting of een combinatie van beide?’, TFO 2025/200.3 (par. 3.5).
Bavinck geeft een aardig voorbeeld van een lock-in-effect bij de keuze tussen aandelen Shell en BP (C.B. Bavinck, ‘Vermogensaanwas of vermogenswinst belasten’, WFR 2025/157 (par. 2)).
Wetenschappelijk onderzoek naar het lock-in-effect staat vermeld in voetnoot 11 van A.A.F. Gerritsen, ‘De economische logica achter het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3’, WFR 2026/59, par. 3.2.
HR 21 maart 2025, nr. 24/01095, BNB 2025/112.
Het bewijs dat een jaarlijkse heffing van 20,75% overeenkomt met een uitgestelde heffing van 31% laat ik vanwege de lengte van dit artikel achterwege. Het bewijs verloopt analoog aan het bewijs in par. 9.
Op dit moment bevat wetsvoorstel 36 748 geen bepaling die een step-up biedt, omdat zo’n bepaling geen functie zou hebben vanwege het feit dat effecten in wetsvoorstel 36 748 onder de VAB vallen. Het ligt voor de hand dat als de VAB komt te vervallen, een step-up zal worden geboden naar analogie van art. 5.24 Wet IB 2001 (wetsvoorstel 36 748).
Vergelijk C.B. Bavinck, ‘Vermogensaanwas of vermogenswinst belasten’, WFR 2025/157 (par. 3.4).
Zie de bijlage bij de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 27 januari 2025, kenmerk 2025-0000023772 (het antwoord op vraag 32). In voetnoot 21 wordt verwezen naar: ‘Een internationaal onderzoek box 3. Een overzicht van de fiscale behandeling van inkomsten uit vermogen in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.’
A.A.F. Gerritsen, ‘De economische logica achter het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3’, WFR 2026/59, par. 3.3.
P. 7 van de Nadere beschouwing over wetsvoorstel 36 748 van de Tax Policy Group van de NOB (van 11 maart 2026).
Nr. 2026-0000078057.
Dit levert in de eerste vijf jaar een budgettaire derving op van cumulatief € 3.389 mln (zie Kamerstukken II 2025/26, 36 748, nr. 28, bijlage ‘Appreciatie ingediende moties en amendementen’, p. 7). Invoering van achterwaartse verliesverrekening per 2029 betekent dat verliezen voor het eerst achterwaarts kunnen worden verrekend met inkomen uit 2028.
Wetsvoorstel 36 748 (Wet werkelijk rendement box 3) bevat zowel een vermogensaanwasbelasting (‘VAB’) als een vermogenswinstbelasting (‘VWB’). De auteur bespreekt de voor- en nadelen van beide heffingssystemen.
1. Inleiding
Zoals bijna elke fiscalist zal weten, is het de bedoeling dat de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028 in werking treedt. Aan de wet ligt wetsvoorstel 36 748 ten grondslag dat momenteel bij de Eerste Kamer aanhangig is. De Wet werkelijk rendement box 3 voorziet in een belasting op het directe en indirecte rendement van vermogensbestanddelen in box 3. Het directe rendement bestaat uit reguliere inkomsten (zoals rente, dividend, en huur) verminderd met aftrekbare kosten. Het indirecte rendement bestaat uit de waardemutatie van het vermogensbestanddeel. Bij onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen wordt de belastingheffing over de waardemutatie uitgesteld tot het moment van vervreemding van het vermogensbestanddeel (vermogenswinstbelasting, hierna: VWB).2 Bij de overige bezittingen wordt de waardemutatie die in het kalenderjaar is opgetreden in dat jaar belast (vermogensaanwasbelasting, hierna: VAB).3
Dertien dagen na de aanvaarding van wetsvoorstel 36 748 door de Tweede Kamer kondigde de Minister van Financiën tijdens een overleg met journalisten aan dat het wetsvoorstel terug naar de tekentafel zou gaan. Volgens NRC van 8 maart 2026, die met 26 bronnen rond het kabinet heeft gesproken, was Heinens aankondiging niet in de coalitie afgesproken. Directe aanleiding voor Heinens uitspraken was ‘de brede ophef’ die was ontstaan ‘over de veronderstelde gevolgen van de wet, zowel in het binnen- als buitenland’, zo liet Heinen via zijn woordvoerder aan NRC weten. Inmiddels heeft staatssecretaris Eerenberg in een brief van 6 maart 2026 aan de Tweede Kamer laten weten dat het kabinet zal ‘inzetten op een doorontwikkeling van box 3 naar een vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028’.4 Mede gelet op dit voornemen, vergelijk ik in deze bijdrage de voor- en nadelen van een VWB en een VAB. Ik heb het niet onderzocht, maar ik vermoed dat de meeste fiscalisten maar weinig voelen voor een VAB en de voorkeur geven aan een VWB. Ik behoorde ook tot die groep. Totdat ik het artikel van Aart Gerritsen had gelezen in WFR 2026/59.5 Ik zal de VAB en VWB vergelijken op:
uitvoerbaarheid/controleerbaarheid/administratieve eenvoud (par. 5);
strijdigheid met het EVRM (par. 6);
overeenstemming met het draagkrachtbeginsel (par. 7);
beschikbaarheid van liquide middelen (par. 8);
budgettaire opbrengst (par. 9);
lock-in-effect (par. 10);
strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel (par. 11);
boxarbitrage (par. 12);
mogelijkheid van internationale dubbele belasting (par. 13);
schending van een ‘level playing field’ met het buitenland (par. 14);
effect op het investeringsklimaat (par. 15).
Voordat ik op bovenstaande punten inga, lijkt het mij nuttig eerst aandacht te besteden aan de context van wetsvoorstel 36 748 (par. 2 en 3) en aan de wijze waarop de VAB wordt berekend, namelijk door middel van een vermogensvergelijking (par. 4).
2. De voorgeschiedenis van wetsvoorstel 36 748 (Wet werkelijk rendement box 3)
Nadat de wetgever twee waarschuwingen van de Hoge Raad in de wind had geslagen – zie BNB 2016/1776 en BNB 2019/1617 – gaf de Hoge Raad in het Kerstarrest de doodsteek aan box 3.8 Hij wees er daarbij met enige ironie op
“dat de wetgever weliswaar sinds 2015 werkt aan spoedige invoering van een heffing op basis van werkelijke rendementen, maar die invoering niet vóór 2025 kan worden verwacht”.
Zoals het zich nu laat aanzien, zal heffing op basis van werkelijk rendement met ingang van 1 januari 2028 ingaan. Er is dus 13 jaar gewerkt aan ‘een spoedige invoering’. Waarom moet het zo lang duren, terwijl de basisconceptie toch eenvoudig is? Die basisconceptie is als volgt. Een belastingplichtige die een belegging bezit (bijvoorbeeld effecten of onroerend goed), betaalt belasting over de inkomsten uit die belegging (dividend, huur, pacht), verminderd met de kosten, alsmede over de waardemutatie van de belegging. Ervan uitgaande dat men een inkomstenbelastingheffing naar draagkracht redelijk vindt, valt er toch niets aan te merken op de basisconceptie? En is deze toch gemakkelijk uitlegbaar? Hoe is het dan toch mogelijk dat de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 meer tijd vraagt dan de bouw van een kerncentrale? En de invoering had nog langer op zich kunnen laten wachten. De algemene conclusie van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: RvS) over het onderliggende wetsvoorstel luidde namelijk als volgt:9
“Alles overwegend komt de Afdeling tot de conclusie dat er zwaarwegende bezwaren kleven aan het wetsvoorstel. Het voorgestelde hybride stelsel leidt tot een forse toename in complexiteit en doet een groot beroep op het doenvermogen. Daarbij wijst de Afdeling in het bijzonder op de verplichting om een ingewikkelde vermogensvergelijking te maken en op de administratieplicht voor 1,6 miljoen belastingplichtigen.”
De RvS beoordeelt het hybride stelsel (deels VAB, deels VWB) als complex. Dat zie ik anders, omdat beide systemen in de kern eenvoudig zijn en er geen onduidelijkheid bestaat of een vermogensbestanddeel onder de VAB valt of onder de VWB.
Het probleem van de Wet werkelijk rendement box 3 zit volgens mij niet in de complexiteit van de wetgeving, maar in de uitvoering. Wetstechnisch is de eigenwoningregeling naar mijn mening aanzienlijk complexer. Bij de uitvoering gaat het om het geordend vastleggen (en vervolgens bewaren) van de gegevens die nodig zijn om het werkelijke rendement te bepalen. Die geordende vastlegging vraagt de nodige kennis, vaardigheid en discipline van de belastingplichtige. Zijn belastingplichtigen wel tot zo’n geordende vastlegging in staat? Op die vraag ga ik in de volgende paragraaf in aan de hand van cijfers over box 3, die ik aan de parlementaire toelichting heb ontleend.
3. Enkele cijfers over box 3 in relatie tot de administratieplicht
In de parlementaire toelichting op wetsvoorstel 36 748 (Wet werkelijk rendement box 3) staat de hierna opgenomen tabel met de volgende toelichting: ‘Onderstaande tabel toont de verwachte gemiddelde belasting voor verschillende vermogensgroepen in de structurele situatie in prijzen 2025.’10
Tabel 1
Vermogensgroep
Aantal belastingplichtigen
Gemiddelde belasting per belastingplichtige
Belastingopbrengst per vermogensgroep
< huurtoeslaggrens (€ 40.340)
24.800
€ 2.700
€ 66.960.000
€ 40.340 - € 100.000
757.800
€ 400
€ 303.120.000
€ 100.000 - € 500.000
1.324.900
€ 2.300
€ 3.047.270.000
€ 500.000 - € 1.000.000
157.600
€ 10.600
€ 1.670.560.000
€ 1.000.000 - € 2.500.000
67.000
€ 25.400
€ 1.701.800.000
€ 2.500.000 - € 5.000.000
13.000
€ 61.900
€ 804.700.000
> € 5.000.000
5.700
€ 227.500
€ 1.296.750.000
Totaal
2.350.800
€ 8.891.160.000
Uit de derde kolom van de tabel blijkt dat box 3 vooral van belang is voor 85.700 belastingplichtigen (belastingplichtigen met een box 3-vermogen > € 1 mln; 3,6% van de box 3-populatie). Zij nemen een box 3-heffing van € 3.803.250.000 voor hun rekening (= 43% van de totale box 3-opbrengst). En 243.300 belastingplichtigen nemen 62% van de belastingopbrengst in box 3 voor hun rekening (belastingplichtigen met een box 3-vermogen > € 500.000; 10,3% van de populatie). En 1.568.200 belastingplichtigen nemen 95,8% van de belastingopbrengst in box 3 voor hun rekening (belastingplichtigen met een box 3-vermogen > € 100.000; 66,7% van de populatie).
De administratieplicht die box 3 met zich meebrengt, zal voor de belastingplichtigen in de bovenste rijen van de tabel doorgaans beperkt zijn, omdat zij enkel (of hoofdzakelijk) spaargeld hebben. Dat leid ik af uit de volgende cijfers uit de memorie van toelichting. Op 1 januari 2022 waren er € 849 mld bezittingen in box 3, verdeeld over de volgende categorieën:11
spaargeld: € 389 mld. (45,8%);
onroerende zaken: € 211 mld. (24,8%);
effecten: € 184 mld.(21,6%);
overige bezittingen: € 66 mld. (7,8%).
De memorie van toelichting vermeldt:
“Uit onderstaand histogram [niet opgenomen, P.A.] blijkt dat de grote groep met een box 3-vermogen tussen de € 0 en € 50.000 bijna uitsluitend spaargeld bezit. Ook de groep met een vermogen tussen de € 50.000 en € 250.000 bezit veel spaargeld. Bij grotere vermogens neemt de relatieve omvang van de schulden, effecten, onroerende zaken en overige bezittingen toe.”
De administratieplicht is vooral van belang voor belastingplichtigen met onroerende zaken, effecten en, afhankelijk van de aard van die bezittingen, overige bezittingen.12 Het zal gaan om grofweg 1,5 mln belastingplichtigen. Ter vergelijking: er zijn grofweg zo’n 2 mln belastingplichtigen, die een administratieplicht hebben (IB-ondernemers) of ermee bekend zijn (aanmerkelijkbelanghouders).13 Ik beschik niet over empirische gegevens, maar het lijkt mij aannemelijk dat de belastingplichtigen die met een serieuze administratieplicht in box 3 te maken krijgen, hoofdzakelijk bestaan uit personen die daaraan gewend zijn (IB-ondernemers en aanmerkelijkbelanghouders) en die de administratie veelal uitbesteden. Daarbij komt dat ik verwacht dat velen van hen door de Wet tegenbewijsregeling box 3 al zijn voorbereid op een box 3-administratie.
4. Vermogensvergelijking
De bepaling van het box 3-inkomen14 zal mede aan de hand van een vermogensvergelijking plaatsvinden. De memorie van toelichting vermeldt:15
“De vermogensvergelijking die wordt geregeld in het voorgestelde artikel 5.8 Wet IB 2001 wordt toegepast op het totale box 3-vermogen voor zover dat onder het vermogensaanwasregime valt.”
Een vermogensvergelijking houdt het volgende in: eindvermogen -/- beginvermogen -/- stortingen + onttrekkingen = fiscaal relevante vermogensvermeerdering. Een voorbeeld ter toelichting.
Voorbeeld
X heeft een bankrekening waaraan een spaarrekening is gekoppeld. Op die bankrekening komen al zijn inkomsten binnen (salaris, huur, rente, dividend) en van die bankrekening worden al zijn uitgaven betaald. In 2028 heeft X € 2000 rente op zijn spaarrekening ontvangen.
X heeft een vordering op een meerderjarig kind. De vordering bedraagt € 400.000 op 1 januari 2028 en € 385.000 op 31 december 2028. Het kind heeft in 2028 € 15.000 afgelost en € 12.000 rente betaald (3%).
X bezit een tweede woning die hij verhuurt. De WOZ-waarde van de woning op 1 januari 2028 is € 600.000.16 In 2028 heeft X € 18.000 huur ontvangen en € 8000 kosten aan de woning gehad. Voorts heeft X in 2028 € 30.000 uitgaven ter verbetering gemaakt.
X heeft de hiervoor genoemde woning gedeeltelijk met vreemd vermogen gefinancierd. Het gaat om een lening die X lineair aflost. Op 1 januari 2028 is de schuld € 200.000 en op 31 december € 180.000. In 2028 heeft X € 10.000 rente betaald.
X bezit op 1 januari 2028 effecten in diverse beursfondsen. De waarde in het economische verkeer op 1 januari 2028 is € 250.000 en op 31 december 2028 € 275.000. Op 3 juni 2028 heeft X voor een bedrag van € 30.000 effecten verkocht en op 7 september 2028 voor een bedrag van € 40.000 effecten aangekocht. X heeft in 2028 € 3000 dividend ontvangen.
Volgens mij is het inzichtelijk wanneer het box 3-vermogen dat onder het vermogenswinstregime valt, ‘meeloopt’ in de vermogensvergelijking (eindvermogen -/- beginvermogen -/- stortingen + onttrekkingen).17 Voor de bepaling van het begin- en eindvermogen is het gebruikelijk een balans op te stellen. Het voorbeeld leidt tot de volgende box 3-balansen.
Tabel 2
box 3-balans 1 januari 2028 (x € 1000)
woning
600
eigen vermogen
1.050
effecten
250
schuld
200
vordering kind
400
1.250
1.250
Tabel 3
box 3-balans 31 december 2028 (x € 1000)
woning
630
eigen vermogen
1.110
effecten
275
schuld
180
vordering kind
385
1.290
1.290
Tabel 4
vermogensvergelijking
vermogen 31 december 2028
€ 1.110.000
af: vermogen 1 januari 2028
-/- € 1.050.000
vermogensvooruitgang
€ 60.000
af: stortingen
verbetering woning
-/- € 30.000
aflossing woningschuld
-/- € 20.000
aankoop effecten
-/- € 40.000
bij: onttrekkingen
aflossing lening kind
€ 15.000
verkoop effecten
€ 30.000
vermogensaanwas
€ 15.000
Het box 3-inkomen in 2028 kan als volgt worden berekend.
Tabel 5
reguliere voordelen
dividend
€ 3.000
rente kind
€ 12.000
rente spaarrekening
€ 2.000
huur
€ 18.000
aftrekbare kosten
rente woning
-/- € 10.000
kosten woning
-/- € 8.000
€ 17.000
vermogensaanwas
€ 15.000
box 3-inkomen
€ 32.000
5. Uitvoerbaarheid/controleerbaarheid/administratieve eenvoud
Volgens mij zou de uitvoerbaarheid een belangrijk criterium moeten zijn bij de keuze tussen een VAB en een VWB. Op een ondergeschikt administratief punt geniet een VWB de voorkeur boven een VAB. Bij een VAB moeten (anders dan bij een VWB) alle vermogensbestanddelen per 31 december op de waarde in het economische verkeer worden gesteld. Voor beursaandelen en crypto’s zal dat geen probleem zijn. Geldleningen tussen natuurlijke personen worden gewaardeerd op de nominale waarde.18 Maar er zullen vermogensbestanddelen zijn waarvan de waarde in het economische verkeer op 31 december slechts bij wijze van schatting bepaald kan worden. Dat lijkt mij niet ernstig. Bovendien is dat schattingsprobleem niet nieuw; het bestaat al sinds 1 januari 2001 (toen de huidige box 3-heffing werd ingevoerd).
Dat een VAB op het criterium uitvoerbaarheid (eenvoud) beter scoort dan een VWB licht ik toe aan de hand van het voorbeeld van par. 4. Daarin is sprake van een effectenportefeuille (‘effecten in diverse beursfondsen’). Stel dat de effectenportefeuille bestaat uit zes beursfondsen (ASML, Shell, KPN, Ahold, DSM en Unilever). In een VAB gaat het om de waarde opportefeuilleniveau. Voor de stortingen is het niet van belang welke effecten zijn aangekocht en voor de onttrekkingen is het niet van belang welke effecten zijn verkocht. Bij een VWB moeten per beursfonds de kostprijs en verkoopprijs worden bijgehouden. Dat is administratief bewerkelijk, mede als gevolg van regelmatig komende gebeurtenissen als de uitgifte van bonusaandelen, afsplitsingen, fusies en wijziging van de coupures. Bij verkoop moet per beursfonds de winst worden bepaald, waarbij een keuze moet worden gemaakt tussen het LIFO- en FIFO-stelsel.19 Uit het oogpunt van administratieve eenvoud is een VAB daarom superieur aan een VWB. Daarbij komt dat een VAB voor de ‘ketenpartners’ veel hanteerbaarder is dan een VWB. Een VWB vereist (in tegenstelling tot een VAB) een lange bewaarplicht voor ketenpartners van allerhande financiële gegevens. Is het redelijk die ketenpartners daarmee op te zadelen?
6. Toets aan EVRM
De NOB ziet de nodige principiële risico’s aan de keuze voor een VAB in plaats van een VWB.20 Van principiële risico’s is naar mijn mening geen sprake. De kans dat de Hoge Raad inkomstenbelastingheffing over een ongerealiseerde waardemutatie in strijd zal achten met het EVRM is (vrijwel) nihil, omdat:
de Hoge Raad een niet gerealiseerde waardemutatie als werkelijk rendement beschouwt;21
de Hoge Raad het EVRM niet strenger uitlegt dan het EHRM;22
het EHRM in het arrest Berkvens (BNB 2014/237) het volgende heeft overwogen:
“With particular regard to taxation, the Court has held, under Article 1 of Protocol No. 1 taken alone, that when framing and implementing policies in the area of taxation a Contracting State enjoys a wide margin of appreciation and the Court will respect the legislature’s assessment in such matters unless it is devoid of reasonable foundation (…).”
de Hoge Raad belastingwetgeving (gelet op b en c) marginaal toetst, zie bijvoorbeeld het recente APV-arrest.23 Dat de Hoge Raad de huidige box 3-heffing in strijd met het EVRM heeft geacht, leidt regelmatig tot de opportunistische bewering dat de Hoge Raad belastingwetgeving intensief toetst aan art. 1 EP en art. 14 EVRM. Dat is beslist niet het geval. De Hoge Raad toetst slechts marginaal, dus gaat enkel na of de wettelijke regeling ‘evident van redelijke grond is ontbloot’.24 Een VAB is zeker niet evident van redelijke grond ontbloot.
7. Toets aan draagkrachtbeginsel
Wat onder het draagkrachtbeginsel wordt verstaan, heeft Wijtvliet als volgt verwoord (met weglating van voetnoten):25
“Het draagkrachtbeginsel eist dat individuele belastingplichtigen naar hun beste kunnen bijdragen aan de schatkist. Ik zeg Seligman graag na dat het draagkrachtbeginsel meebrengt “that each individual should be held to help the state in proportion to his ability to help himself”. Om deze “ability to help the state” te bepalen, moet draagkracht meetbaar zijn. Er is een draagkrachtmaatstaf nodig.
Tegenwoordig vallen drie van zulke maatstaven te onderscheiden: inkomen, vermogen en consumptie (lees: bestedingen). Deze maatstaven zijn objectief meet- en kwantificeerbaar. Zij houden verband met elkaar. Moderne belastingstelsels trachten draagkracht in deze drie verschijningsvormen te treffen met inkomsten-, vermogens- en bestedingsbelastingen.”
Voorts schrijft Wijtvliet:
“In de kern is inkomen de periodieke aangroei (gain) van nieuwe koopkracht. (…) Weergegeven in formulevorm:
Y = C + ΔW
waarbij:
Y = inkomen
C = consumptie
ΔW = de vermogensverandering gedurende een bepaalde periode.”
Draagkracht is iets anders dan liquiditeit. Als je een lening opneemt, stijgt je liquiditeit, maar niet je draagkracht. Als je vermogen aan het einde van het jaar hoger is dan aan het begin van het jaar, is je draagkracht gestegen. Maar die stijging zegt niets over de beschikbaarheid van liquide middelen. Een voorbeeld ter toelichting.
Voorbeeld
De waarde van de aandelen van een beleggings-BV bedraagt 1000.
Natuurlijke persoon X bezit 4% van de aandelen.
De bv keert 100 dividend uit, waarna de waarde van de aandelen daalt naar 900.
Enerzijds geniet X 4 dividend, anderzijds is de waarde van zijn 4%-belang met 4 gedaald (van 40 naar 36).
De draagkracht van X is gelijk gebleven. Zijn liquide middelen zijn met 4 gestegen. Bij een VAB zou X geen box 3-inkomen hoeven verantwoorden, bij een VWB wel (4 dividend). Uit het oogpunt van draagkracht verdient een VAB de voorkeur boven een VWB.
8. Toets aan beschikbaarheid van liquide middelen
Volgens de RvS zal het ‘moeten betalen van belasting over ongerealiseerde waardemutaties naar verwachting niet aansluiten bij de belevingswereld van belastingplichtigen en daardoor lastig te begrijpen zijn’.26 Voorstanders van een VWB kunnen zich van een sterk frame bedienen: het mag toch niet zo zijn dat een belasting (i.c. een VAB) tot een gedwongen verkoop van bezittingen kan leiden? Hoe serieus is het probleem dat bij een VAB ongerealiseerde waardestijgingen tot de heffingsgrondslag behoren?27 Ik roep de verdeling van de box 3-bezittingen in herinnering (zie par. 3):
spaargeld: € 389 mld. (45,8%);
onroerende zaken: € 211 mld. (24,8%);
effecten: € 184 mld. (21,6%);
overige bezittingen: € 66 mld. (7,8%).
Bij spaargeld doen zich geen waardemutaties voor. Bij onroerende zaken wel, maar die vallen niet onder de VAB. Bij effecten zal regelmatig sprake zijn van ongerealiseerde waardemutaties, maar dat lijkt mij niet van belang als het om beursgenoteerde effecten gaat, omdat beursgenoteerde effecten bijna even liquide zijn als spaargeld. De memorie van toelichting vermeldt over de restcategorie: “Deze overige bezittingen bestaan voor een relatief groot deel uit vorderingen, maar omvatten ook kapitaalverzekeringen, cryptovaluta, aandelen in reservefondsen van verenigingen van eigenaren (VvE’s) en andere bezittingen.” Van de relatief kleine restcategorie (7,8%) zullen zich bij vorderingen geen liquiditeitsproblemen voordoen (want die zullen normaal gesproken niet in waarde stijgen). Bij cryptovaluta zal, net als bij effecten, regelmatig van ongerealiseerde waardemutaties sprake zijn, maar dat is geen punt, want cryptovaluta zijn eenvoudig in euro’s om te zetten.
Het liquiditeitsprobleem van de VAB wordt volgens mij sterk overdreven. Het is niet waarschijnlijk dat een belegger vrijwel zijn gehele vermogen belegt in moeilijk liquide te maken vermogensbestanddelen (andere dan onroerende zaken) die geen direct rendement opleveren. Belastingplichtigen zullen in het algemeen over voldoende liquiditeiten beschikken om de VAB te voldoen, bijvoorbeeld omdat zij in het belastingjaar vermogensbestanddelen hebben vervreemd, direct rendement hebben ontvangen (huur, pacht, rente, dividend), box 1- of box 2-inkomen hebben genoten of over een spaarrekening beschikken. De belangrijkste vermogensbestanddelen die onder de VAB vallen, zijn effecten, vorderingen en crypto’s. Vorderingen hebben vooral een direct rendement, dus die zijn voor een VAB van weinig belang. Voor beursgenoteerde effecten en crypto’s is dat anders, maar die zijn gemakkelijk liquide te maken. Het lijkt mij niet ernstig, als er inderdaad te weinig liquiditeiten zouden zijn, dat de belastingplichtige een deel van zijn beursgenoteerde effecten en crypto’s zou moeten verkopen. Weinigen zouden er begrip voor hebben als een burger weigert om zijn kinderalimentatie te voldoen, omdat zijn vermogen vastzit in effecten en crypto’s. Ook zal het in het algemeen mogelijk zijn een lening op te nemen of betalingsuitstel bij de ontvanger te vragen. Om dat betalingsuitstel te vergemakkelijken verdient het overweging de Invorderingswet 1990 uit te breiden met een betalingsregeling voor het box 3-deel van een aanslag inkomstenbelasting, wanneer de VAB tot liquiditeitsproblemen leidt. Dat een VAB naar verwachting in de praktijk nauwelijks liquiditeitsproblemen zal opleveren, wordt bevestigd in een memo van het Ministerie van Financiën van 23 augustus 2022, getiteld ‘Onderzoek betalingsproblemen box 3’.28
9. Budgettaire opbrengst/voorkomen belastinguitstel
Budgettaire redenen vormen een belangrijk argument om voor een VAB te kiezen in plaats van voor een VWB. De NOB vindt het budgettaire argument niet overtuigend:29
“omdat het verschil tussen VAB en VWB slechts een verschuiving van de belastingopbrengsten oplevert. De VAB haalt de belastingheffing naar voren maar genereert per definitie in latere jaren een lagere opbrengst; per saldo is er geen verschil in opbrengst.”
Dat er geen verschil in opbrengst is tussen een VAB en een VWB is onjuist, uitgaande van een gelijk tarief (en dat is het geval, namelijk 36%). Onder een VAB wordt de belastingopbrengst eerder in de tijd gerealiseerd. Bij een VWB moet de overheid langer op de belastingopbrengst wachten. Dat moet door een hogere staatsschuld worden opgevangen, zodat de staat extra rente is verschuldigd. Daarom kan bij gelijke budgettaire opbrengst het VAB-tarief lager zijn dan het VWB-tarief.30 Zie onderstaande tabel.
Tabel 6
Het VAB-tarief dat gelijkwaardig is aan een VWB-tarief van 36% (bij verschillende rendementspercentages en verschillende uitstelduren)
r = 2%
r = 3%
r = 4%
r = 5%
r = 6%
r = 7%
r = 8%
r = 10%
5 jaar
35,1%
34,66%
34,22%
33,8%
33,39%
32,98%
32,58%
31,81%
10 jaar
33,39%
33,02%
32,09%
31,19%
30,32%
29,49%
28,68%
27,16%
15 jaar
32,9%
31,45%
30,07%
28,76%
27,51%
26,34%
25,24%
23,21%
20 jaar
31,84%
29,94%
28,16%
26,5%
24,97%
23,55%
22,25%
19,95%
De inhoud van de (vetgedrukte) cel rechtsboven (31,81%) kan als volgt worden toegelicht.
Ik ga uit van een beginvermogen (investering/belegging) van € 1000.
De belegging levert gedurende 5 jaar jaarlijks 10% rendement op.
Het eindvermogen na 5 jaar is: (1,1)5 x € 1000 = € 1610,51.
Het rendement is: € 610,51 (eindvermogen -/- beginvermogen).
Hierover is € 219,78 box 3-heffing verschuldigd (36% x € 610,51).
Het eindvermogen na betaling van belasting is € 1390,73 (€ 1610,51 -/- € 219,78).
Bij dit rendement (10%) en deze uitstelduur (5 jaar) is een VWB-tarief van 36% equivalent aan een VAB-tarief van 31,81%. Het bewijs dat een VAB-percentage van 31,81% gelijkwaardig is aan een VWB-percentage van 36% verloopt als volgt:
beginvermogen
€ 1.000,00
rendement (10%)
€ 100,00
VAB (31,81%)
-/- € 31,81
eindvermogen jr. 1
€ 1.068,19
rendement (10%)
€ 106,82
VAB (31,81%)
-/- € 33,98
eindvermogen jr. 2
€ 1.141,03
rendement (10%)
€ 114,10
VAB (31,81%)
-/- € 36,30
eindvermogen jr. 3
€ 1.218,84
rendement (10%)
€ 121,88
VAB (31,81%)
-/- € 38,77
eindvermogen jr. 4
€ 1.301,95
rendement (10%)
€ 130,19
VAB (31,81%)
-/- € 41,42
eindvermogen jr. 5
€ 1.390,73
Voor de andere cellen in de tabel geldt (m.m.) hetzelfde. Dus, om een tweede voorbeeld te geven, bij een rendement van 6% en een uitstelduur van 15 jaar is een VWB-tarief van 36% equivalent aan een VAB-tarief van 27,51%.31
Een VWB leidt dus tot een lagere opbrengst dan een VAB, zelfs als een belastingplichtige het belastinguitstel niet opzoekt, maar tot vervreemding van het vermogensbestanddeel overgaat op het moment dat hij dat passend vindt. En ook al zou het zo zijn dat een individuele belegger de verkoop van (bijvoorbeeld) zijn beursaandelen niet uitstelt vanwege een latente belastingclaim, dan nog zal zich zonder VAB een forse belastingderving voordoen. Er is immers maar weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat grote aantallen belastingplichtigen het belastinguitstel zullen opzoeken en, net als onder de Wet IB 1964, reguliere inkomsten (rente en dividend) zullen omzetten in vermogenswinsten die tegen een effectief lager tarief worden belast (zie de tabel).32 De financiële sector zal die belastingplichtigen graag van dienst zijn met het aanbieden van ‘vermogensgroeifondsen’.33 Bovendien bestaat de kans dat er op grote schaal met geleend geld zal worden belegd (de rente leidt onmiddellijk tot een lagere grondslag, terwijl de winst wordt uitgesteld).
Conclusie. Om budgettaire redenen (beperken van belastinguitstel) verdient een VAB de voorkeur boven een VWB. Budgettaire neutraliteit zou tot een hoger VWB-tarief moeten leiden dan 36%.
10. Lock-in-effect
Van den Dool schrijft:34
“Het lock-in effect is aan de orde als belastingplichtigen bij een vermogenswinstbelasting vermogensbestanddelen niet vervreemden vanwege het feit dat alsdan belasting is verschuldigd.”
De opinie van Ruud van den Dool, Aart Gerritsen en Bas Jacobs in het FD van 26 februari 2026 (getiteld ‘De vermogensaanwasbelasting krijgt veel kritiek, maar is beste keuze voor box 3’) vermeldt:35
“Hard wetenschappelijk onderzoek naar belastinguitstel (…) laat zien dat vermogenden en beleggers hun winstrealisatie daadwerkelijk uitstellen bij een vermogenswinstbelasting.”36
Maar los van de vraag of de belegger zijn beleggingsbeslissingen door fiscale overwegingen laat beïnvloeden, is een belastingplichtige bij een VWB effectief minder belasting verschuldigd dan bij een VAB, indien hij het vermogensbestanddeel langer dan één jaar aanhoudt (zie de tabel in par. 9).
11. Toets aan het gelijkheidsbeginsel
Schending van het gelijkheidsbeginsel is aan de orde bij:37
een ongelijke behandeling van gelijke gevallen waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt;
een gelijke behandeling van ongelijke gevallen waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt.
Ad a. Voor het feit dat een belegger in onroerend goed (VWB) gunstiger wordt behandeld dan (bijvoorbeeld) een belegger in effecten (VAB) bestaat mijns inziens een rechtvaardigingsgrond, namelijk dat onroerend goed lastig liquide is te maken. Voor het openstellen van de VWB voor andere vermogensbestanddelen die moeilijk liquide zijn te maken, valt daarom iets te zeggen. Maar dat zou de wetgeving naar mijn mening te zeer compliceren.
Ad b. Als voor alle vermogensbestanddelen in box 3 een VWB gaat gelden, ontstaat spanning met het gelijkheidsbeginsel. De belegger die belegt in effecten is namelijk aan een lagere belastingdruk onderworpen dan de belastingplichtige met een spaarrekening (zie de tabel in par. 9). Bij een algehele VWB betalen spaarders het gelag, terwijl hun reële rendement door inflatie (en belastingheffing) al jaren negatief is.
12. Boxarbitrage
De RvS wijst erop dat in box 1 en box 2 wordt uitgegaan van een VWB, terwijl box 3 als hoofdregel een VAB kent. Vermogensaanwas wordt als een draagkrachtvermeerdering gezien (zie par. 7). Dan is het onlogisch of niet consistent dat in box 1 en box 2 vermogensaanwas niet als draagkrachtvermeerdering wordt aangemerkt, aldus de RvS. Verder constateert de RvS:38 “Dit kan leiden tot boxarbitrage: het door een andere vormgeving opzoeken van belastingheffing op basis van vermogenswinst in plaats van vermogensaanwas.”
Het verschil in systematiek tussen box 1 (VWB) en box 3 (VAB) is verklaarbaar. Voor ondernemers geldt een VWB op grond van het voorzichtigheidsbeginsel dat aan goed koopmansgebruik ten grondslag ligt. De wetgever zou goed koopmansgebruik ook voor beleggers kunnen laten gelden, maar dat lijkt mij niet wenselijk. De continuïteit van een onderneming is belangrijker dan de continuïteit van een belegging. Tussen box 1 en box 3 zal zich niet snel boxarbitrage voordoen.
Tussen box 2 (VWB, tarief 31%) en box 3 (VAB, tarief 36%) zal zich daarentegen wel regelmatig boxarbitrage voordoen. Een bezit van 5% van de aandelen van een soort levert al een aanmerkelijk belang op (en de variatie in soorten is groot).39 Ter relativering van de mogelijkheid tot boxarbitrage kan worden opgemerkt dat een vermogende belastingplichtige altijd de allocatie van vermogen tussen box 2 en box 3 fiscaal zal ‘optimaliseren’, ongeacht of box 3 een VAB bevat of uitsluitend een VWB. Maar feit is dat een VAB in box 3 box 2 relatief aantrekkelijker maakt in vergelijking met de situatie dat box 3 uitsluitend uit een VWB zou bestaan. Maar dat is naar mijn mening geen reden om in box 3 voor een algehele VWB te kiezen. Het is wel een reden om de belastingheffing in box 2 nog eens goed tegen het licht te houden. Want naar analogie van de tabel in par. 9 is het werkelijke ab-tarief in de praktijk aanzienlijk lager dan 31%, zoals het onderstaande voorbeeld laat zien.
Voorbeeld
X BV heeft € 1 mln winstreserves waarop een ab-claim van 31% rust.
X BV belegt die € 1 mln met een rendement van 5% na aftrek VPB.
Na 20 jaar is het vermogen van de BV: (1,05)20 x € 1 mln = 2,653230 x € 1 mln = € 2.653.230.
Als na 20 jaar de ab-claim wordt afgerekend, krijgt de dga de beschikking over 69% x € 2.653.230 = € 1.830.775.
Als de dga de ab-claim direct had afgerekend (€ 310.000) en als kapitaal had teruggestort in de bv, had de bv € 690.000 kunnen beleggen met een rendement van 5% na aftrek VPB. Na 20 jaar had de bv dan een vermogen gehad van (1,05)20 x € 690.000 = 2,653230 x € 690.000 = € 1.830.775.
Als de bv dat vermogen vervolgens uitkeert, is de ab-heffing 31% x (€ 1.830.775 -/- € 690.000) = € 353.640. In dat geval krijgt de dga de beschikking over: € 1.830.775 -/- € 353.640 = € 1.477.135.
Het voordeel van uitstel van heffing is: € 1.830.775 -/- € 1.477.135 = € 353.640.
In het voorbeeld bedraagt het effectieve ab-tarief geen 31%, maar 20,75%.40
Mede gelet op het beperken van boxarbitrage verdient het overweging het waarderingsvoorschrift van art. 3.29a Wet IB 2001 (dat ingevolge art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 ook voor bv’s geldt) uit te breiden naar beleggingen in financiële instrumenten.
13. Mogelijkheid van internationale dubbele belasting
In een nadere beschouwing over wetsvoorstel 36 748 van 11 maart 2026 van de Tax Policy Group van de NOB staat het volgende:
“Verder is van belang dat de VAB tot dubbele belastingheffing leidt. Hierbij kan worden gedacht aan emigranten. Dit kunnen bijvoorbeeld Nederlanders zijn die tijdelijk in het buitenland worden tewerkgesteld of om buitenlandse werknemers die voor een aantal jaren in Nederland komen wonen. Ten tijde van het inwonerschap in Nederland worden de ongerealiseerde vermogensstijgingen ieder jaar belast en bij realisatie van deze winst op het moment van verkoop, als deze personen niet meer in Nederland woonachtig zijn, wordt deze winst nogmaals belast. De Nederlandse belastingverdragen voorzien niet in een oplossing. Emigranten (zoals werknemers) worden gedwongen hun bezittingen te verkopen voordat ze Nederland metterwoon verlaten, waardoor een omgekeerd lock-in effect optreedt.”
In de stelling dat de VAB voor emigranten tot dubbele belastingheffing leidt, ligt impliciet besloten dat een VWB voor emigranten niet tot dubbele belastingheffing leidt. Klopt dat? Een voorbeeld ter toelichting. Een belastingplichtige die onder de VAB emigreert (stel: naar Spanje), moet op emigratiedatum (stel: 1 juli 2029) over de waardemutatie tussen 1 januari 2029 en 1 juli 2029 afrekenen (stel: de waardemutatie heeft betrekking op een effectenportefeuille).41 Als diezelfde belastingplichtige onder een VWB zou emigreren, moet Nederland een conserverende aanslag opleggen over de waardemutatie tussen het tijdstip van verkrijging van de effectenportefeuille en 1 juli 2029.42 Bij vervreemding in de Spaanse periode zou Nederland de conserverende aanslag kunnen innen (hetgeen vanzelfsprekend tot praktische moeilijkheden kan leiden, bijvoorbeeld omdat de Belastingdienst niet op de hoogte geraakt van de vervreemding). Maar hoe zit het met de beweerde dubbele belastingheffing? Die doet zich voor als Spanje de vermogenswinst op de effectenportefeuille wil belasten en geen step-up verleent (dus de historische verkrijgingsprijs in aanmerking neemt en niet de waarde in het economische verkeer op 1 juli 2029). Nog afgezien van het feit dat de oorzaak van de dubbele belastingheffing in dat geval niet in Nederland ligt, maar in de Spaanse inkomstenbelastingwet, maakt het voor de (mogelijke) dubbele belastingheffing geen enkel verschil of Nederland een VAB heeft of een VWB.
Dan de spiegelbeeldsituatie (immigratie): een inwoner van Spanje emigreert naar Nederland met medeneming van een effectenportefeuille. In zo’n geval belast Nederland de waardemutatie van de portefeuille vanaf de immigratiedatum. Dat geldt zowel voor de VAB43 als de VWB.44
Conclusie. Er bestaat geen verband tussen internationale dubbele belastingheffing en de keuze voor een VAB of een VWB. Uit emigratie-oogpunt is een VAB te verkiezen boven een VWB.45 Een VWB is veel complexer dan een VAB (vanwege het moeten opleggen en innen van een conserverende aanslag). Bovendien is het risico dat de verschuldigde belasting niet wordt betaald, groter dan bij een VAB.
14. Schending van een ‘level playing field’ met het buitenland
In de eerdergenoemde nadere beschouwing van 11 maart 2026 schrijft de NOB het volgende:
“In het onderzoek van de NOB hebben we onderzocht welk stelsel wordt gehanteerd in andere (westerse) landen. Daaruit blijkt dat in de door ons onderzochte landen geen enkel land een VAB kent. Aangezien Nederland voor haar economie sterk afhankelijk is van het buitenland is van groot belang dat zoveel mogelijk wordt gestreefd naar een level-playing-field. Ook vanuit dit perspectief kan beter worden gekozen voor een VWB.”
Onder ‘level playing field’ wordt de situatie verstaan waarin alle betrokken partijen gelijke kansen en voorwaarden hebben, zodat eerlijke concurrentie mogelijk is. Het verband met de economische afhankelijkheid van het buitenland ontgaat mij, maar belangrijker, het verband met de keuze voor een VWB of een VAB zie ik al helemaal niet. Los daarvan, het verschil tussen een VAB en een VWB in box 3 is een klein onderdeel van onze inkomstenbelasting. De inkomstenbelastingstelsels van landen lopen erg uiteen. Ook de wijze waarop landen inkomsten uit vermogen belasten (waaronder de eigen woning), verschilt sterk.46 Die verschillen zijn aanmerkelijk groter dan het verschil tussen een VAB en een VWB. Ik vind het daarom overdreven om over het verschil tussen een VWB en een VAB in termen van ‘level playing field’ te spreken.
Omdat andere landen geen VAB hebben, vindt de NOB het verstandig dat Nederland geen VAB invoert. De afwijking zou leiden tot een ‘fragmentatie van de interne markt’. De heffing van inkomstenbelasting is in de EU niet geharmoniseerd. Het argument van ‘fragmentatie van de interne markt’ is daarom vergezocht. Dat neemt niet weg dat het nuttig is te weten waarom andere landen geen VAB kennen. Voor de verklaring verwijs ik naar Gerritsen.47 Een verschil in systeem ten opzichte van andere landen kan een argument zijn om dat systeem af te wijzen, indien het verschil tot (belangrijke) nadelen zou leiden. Van nadelen blijkt evenwel niets. Dan resteert slechts de constatering dat een verschil bestaat, maar dat is onvoldoende reden een VAB af te wijzen.
15. Effect op het investeringsklimaat
Volgens de NOB wordt Nederland ‘als (investerings)land op een achterstand gezet’ omdat andere landen geen VAB kennen.48 Ik begrijp dit argument aldus dat er in Nederland minder investeringen gaan plaatsvinden als gevolg van de VAB (of dat er in Nederland meer investeringen zullen plaatsvinden indien voor een VWB wordt gekozen in plaats van voor een VAB). Bij investeringen gaat het dan, naar ik aanneem, om leningen of kapitaalverstrekkingen aan bedrijven ten behoeve van in Nederland gedreven materiële ondernemingen (en niet om de aanschaf van beleggingen, zoals crypto’s en beursaandelen). Die geldverstrekking (lening of kapitaalverstrekking) kan plaatsvinden door:
een in het buitenland woonachtige particulier;
een in Nederland woonachtige particulier;
een in het buitenland gevestigde rechtspersoon;
een in Nederland gevestigde rechtspersoon.
Categorie c en d vallen af, omdat rechtspersonen niet onder de Wet IB 2001 vallen. Categorie a valt af, omdat er geen buitenlandse belastingplicht bestaat voor de vermogensbestanddelen waarvoor de VAB geldt. Blijft over categorie b: gaan inwoners van Nederland (natuurlijke personen) minder investeren in ondernemingen door invoering van de VAB, of, anders gezegd, zouden zij meer investeren bij een VWB? Los van de kwestie VAB-VWB, zal een particulier niet snel vanuit box 3 in een materiële onderneming investeren (wel vanuit box 1, als ondernemer of werknemer, of vanuit box 2, als ab-houder). De stelling van de NOB dat een VAB slecht is voor het investeringsklimaat is zonder onderbouwing (die ontbreekt) naar mijn mening moeilijk serieus te nemen. En zou een verhoging van het box 3-tarief tot (zeg) 42% om de budgettaire opbrengst gelijk te houden, minder schadelijk zijn?
16. Mogelijkheid van carry back
Er bestaat, voor zover ik weet, geen verschil van mening over het feit dat invoering van een carrybackregeling in box 3 wenselijk is. Dat geldt overigens niet alleen voor een VAB, maar ook voor een VWB. De brief van 6 maart 2026 van staatssecretaris Eerenberg vermeldt:49
“Het kabinet kijkt naast andere mogelijke aanpassingen ook naar het invoeren van achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 202950 zoals ook voorgesteld in het eerdere amendement van het lid Hoogeveen51 en de motie Eerdmans/Bikker over achterwaartse verliesverrekening.52”
17. Conclusie
Uit liquiditeitsoogpunt geniet een VWB de voorkeur, maar het is aannemelijk dat een VAB in de praktijk nauwelijks tot liquiditeitsproblemen zal leiden (zie par. 8). De voordelen van een VAB zijn naar mijn mening beduidend groter dan die van een VWB. De twee belangrijkste zijn:
betere uitvoerbaarheid/controleerbaarheid/administratieve eenvoud (zie par. 5); en
vermijding belastinguitstel (of hogere belastingopbrengst dan wel lager tarief mogelijk), zie par. 9.
Zoals in par. 1 opgemerkt zal het kabinet ‘inzetten op een doorontwikkeling van box 3 naar een vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028’. Die overhaaste beslissing wegens ‘brede ophef in binnen- en buitenland’ is betreurenswaardig. Daarbij wijs ik op iets dat te vaak uit het oog wordt verloren. Belastingheffing is een verdelingsvraagstuk: wat de een minder betaalt, zal de ander meer moeten betalen.