Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.17, 3.24-3.25.
HR, 16-12-2025, nr. 24/00351
ECLI:NL:HR:2025:1821
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-12-2025
- Zaaknummer
24/00351
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1821, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1078
ECLI:NL:PHR:2025:1078, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1821
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0415
Uitspraak 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. verkoop van harddrugs, art. 2.B Opiumwet. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.1.b.2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven adres in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b.? Als niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in BRP maar van hem wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van dagvaarding o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR:2002:AD5163). Onbekendheid met feitelijke woon- of verblijfplaats kan o.m. meer niet worden aangenomen als niet is geprobeerd uitreiking van dagvaarding te doen plaatsvinden op adres dat uit stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om adres dat verdachte in akte van h.b. heeft doen opnemen waaraan mededelingen over strafzaak kunnen worden toegezonden a.b.i. art. 36g.1.c Sv. Dit adres moet niet door latere opgave zijn achterhaald (vgl. HR:2002:AD5163). Zo’n adres dat in akte van h.b. is opgenomen, kan als achterhaald worden aangemerkt als het gaat om adres dat op moment dat die akte werd opgemaakt BRP-adres van verdachte betrof, terwijl daarna (maar voor moment van uitreiking van dagvaarding) verdachte is uitgeschreven uit BRP. A.g.v. die uitschrijving wordt dat adres niet langer aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte (vgl. HR:2011:BR2079). Uit stukken moet worden afgeleid dat verdachte ten tijde van betekenen van dagvaarding niet was gedetineerd en dat van hem adres uit stukken blijkt, dat voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, namelijk in schriftelijke bijzondere volmacht genoemd “verblijfadres” van verdachte. Dit adres betrof weliswaar voorheen BRP-adres van verdachte maar verdachte is uitgeschreven uit BRP voordat akte van h.b. beroep werd opgemaakt. Daarom heeft die uitschrijving niet tot gevolg dat dit adres niet langer kan worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte. Uit stukken volgt niet dat is geprobeerd dagvaarding uit te reiken aan dat adres. ‘s Hofs oordeel dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend is daarom, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet begrijpelijk. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig. CAG (strekking): nietigverklaring van dagvaarding in h.b.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00351
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 oktober 2023, nummer 20-001969-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G.J.P.M. Mooren bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt).
2.2.1
Het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend en heeft de verdachte – bij verstek – niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
2.2.2
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3. Kort samengevat blijkt daaruit het volgende:
- de door een advocaat verstrekte schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van 11 juli 2023 houdt in dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep kan worden verzonden naar “het eerdergenoemde verblijfadres” van de verdachte, namelijk [b-straat 1] te [plaats] ;
- de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep is op 5 september 2023 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie. De dagvaarding vermeldt dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft;
- de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep is op 5 oktober 2023 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie. De dagvaarding vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats] . Aan dat adres is een afschrift van de dagvaarding verzonden. De akte van uitreiking vermeldt dat de geadresseerde niet (meer) op dat adres woont en dat er niemand aanwezig of bereid was de brief aan te nemen;
- uit de aan de beide aktes van uitreiking gehechte “Informatiestaat SKDB-personen” blijkt dat de verdachte op 5 september 2023 en op 5 oktober 2023 niet was gedetineerd en niet was ingeschreven op een adres in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). De verdachte was sinds 2 maart 2023 in de BRP geregistreerd als “Vertrokken Onbekend Waarheen” en zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met als registratiedatum 7 augustus 2023, was “ZVWOVHTL” (de Hoge Raad begrijpt: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande). Volgens deze Informatiestaten was [b-straat 1] in [plaats] het BRP-adres van de verdachte van 9 januari 2019 tot 3 mei 2021.
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 36e lid 1 en 2, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zoals dat luidde tot 1 juli 2025:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
(...)
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
- artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, en 3, aanhef en onder a en c, Sv:
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
(...)
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
(...)
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt;
(...)
c. de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt.”
2.4.1
Als de niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in de BRP, maar van hem wel een (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv op dat adres plaatsvinden (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.17).
2.4.2
Onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats kan onder meer niet worden aangenomen als niet is geprobeerd de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat de verdachte in de akte van hoger beroep heeft doen opnemen waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden als bedoeld in artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.24, onder b.)
2.4.3
Zo’n adres dat in de akte van hoger beroep is opgenomen, kan als achterhaald worden aangemerkt als het gaat om een adres dat op het moment dat die akte werd opgemaakt het BRP-adres van de verdachte betrof, terwijl daarna – maar voor het moment van uitreiking van de dagvaarding – de verdachte is uitgeschreven uit de BRP. Als gevolg van die uitschrijving wordt dat adres niet langer aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. (Vgl. HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2079, rechtsoverweging 2.4.)
2.5
Uit de stukken moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het betekenen van de dagvaarding niet was gedetineerd en dat van hem een adres uit de stukken blijkt, dat voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, namelijk het in de schriftelijke bijzondere volmacht genoemde ‘verblijfadres’ van de verdachte, [b-straat 1] te [plaats] . Dit adres betrof weliswaar voorheen het BRP-adres van de verdachte, maar de verdachte is uitgeschreven uit de BRP voordat de akte van hoger beroep werd opgemaakt. Daarom heeft die uitschrijving niet tot gevolg dat dit adres niet langer kan worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. Uit de stukken volgt niet dat is geprobeerd de dagvaarding uit te reiken aan dat adres. Het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend is daarom, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, niet begrijpelijk.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Conclusie 07‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep vanwege het ontbreken van grieven. Middel 1: slagende klacht over de betekening van de dagvaarding in hoger beroep, nu niet is geprobeerd die dagvaarding uit te reiken op het in de machtiging tot het instellen van hoger beroep vermelde verblijfadres van de verdachte. Middel 2: falende klacht dat geen onderzoek is gedaan naar de afwezigheid van de raadsman ter zitting in hoger beroep en is verzuimd een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar de raadsman te zenden. Conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00351
Zitting 7 oktober 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep (parketnummer 20-001969-23).
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte “behoorlijk” is gedagvaard, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, is. Daaraan legt de steller van het middel in de kern ten grondslag dat (een afschrift van) de dagvaarding niet is verzonden aan het verblijfadres van de verdachte dat door de gemachtigde raadsman van de verdachte is vermeld in de bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep.
2.2
Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel, zal ik eerst het procesverloop weergeven zoals dat blijkt uit de stukken van het geding.
Het procesverloop
2.3
De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
(i) de verdachte is bij vonnis van 27 juni 2023 door de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” tot een geldboete van € 750,‑, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
(ii) uit de “Akte instellen hoger beroep” blijkt dat op 11 juli 2023 door een griffiemedewerker van de rechtbank Zeeland-West-Brabant namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De akte vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] ;
(iii) aan de “Akte instellen hoger beroep” is een brief gehecht van 11 juli 2023 van mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg, die als adres van de verdachte [b-straat 1] in [plaats] vermeldt. Deze brief houdt onder meer in dat mr. Mooren door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd om een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen en dat beiden instemmen met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep. Als “toezendadressen van het afschrift van de appeldagvaarding” zijn het eerdergenoemde verblijfadres van de verdachte en het kantooradres van mr. Mooren opgegeven;
(iv) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 te verschijnen met als vermelding dat dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft, is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 5 september 2023 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
(v) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 te verschijnen met als adres [a-straat 1] in [plaats] , is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 5 oktober 2023 eveneens uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, met verzending van een afschrift van de dagvaarding aan het genoemde adres. De akte vermeldt dat de geadresseerde niet (meer) op het voormelde adres woont en dat er niemand aanwezig of bereid was de brief aan te nemen;
(vi) blijkens de aan beide aktes van uitreiking gehechte “Informatiestaat SKDB-personen” van respectievelijk 5 september 2023 en 5 oktober 2023 was de verdachte op die data niet gedetineerd, was sinds 2 maart 2023 de verdachte in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd als “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)” en was zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met als registratiedatum 7 augustus 2023, “ZVWOVHTL”’. Volgens deze Informatiestaten was [b-straat 1] in [plaats] het BRP-adres van de verdachte van 9 januari 2019 tot 3 mei 2021;
(vii) uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 volgt dat de verdachte daar niet is verschenen, dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op de juiste wijze is opgeroepen en dat het hof vervolgens verstek heeft verleend tegen de verdachte;
(viii) bij arrest van 31 oktober 2023 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven of mondelinge bezwaren tegen het vonnis, en omdat het niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin behandeld dient te worden.
De bespreking van het middel
2.4
Bij de bespreking van het middel is artikel 36e Sv van belang. Dat luidt als volgt:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending. (…)”
2.5
Uit lid 1 onderdeel b, onder 2°, van dit artikel volgt dat uitreiking van de dagvaarding aan de niet-gedetineerde verdachte geschiedt aan zijn feitelijke woon- of verblijfplaats, indien hij niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Bij onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte wordt de dagvaarding op de voet van lid 2 onderdeel b uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan, oftewel het openbaar ministerie (OM). Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden.1.
2.6
In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding niet gedetineerd was, dat hij niet was ingeschreven in de BRP, dat de dagvaarding twee maal is uitgereikt aan een medewerker van het OM, terwijl de gemachtigde raadsman een verblijfadres van de verdachte heeft opgenomen in de machtiging tot het instellen van hoger beroep dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden en niet door een latere opgave is achterhaald, en dat niet is gebleken van een poging om de dagvaarding op dat adres uit te reiken, is het oordeel van het hof dat de verdachte “behoorlijk” is gedagvaard, niet zonder meer begrijpelijk.
2.7
Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Ik geef de Hoge Raad in overweging de dagvaarding zelf nietig te verklaren.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken waarom de raadsman van de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en dat, in strijd met artikel 48 Sv, is verzuimd een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar hem te zenden.
3.2
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in een arrest van 5 september 2017 heeft geoordeeld dat moet worden aangenomen dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend. Een dergelijke kennisgeving dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven – door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- of rolnummer – op welke zaak het optreden betrekking heeft.2.Het in artikel 48 Sv neergelegde recht op kennisneming van processtukken en het verkrijgen van afschrift daarvan komt ook alleen toe aan de raadsman die zich op vorenbedoelde wijze heeft gesteld.
3.3
In de onderhavige zaak is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 ter zitting noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat het hof heeft onderzocht waarom geen raadsman ter zitting is verschenen en evenmin dat op de voet van artikel 48 Sv een afschrift van de dagvaarding aan mr. Mooren of enige andere advocaat is gezonden. Tussen de stukken van het geding bevindt zich echter ook geen schriftelijke kennisgeving van het optreden van mr. Mooren (of enige andere advocaat) als raadsman van de verdachte in hoger beroep, hetgeen in cassatie ook niet wordt aangevoerd. Daarbij merk ik op dat de aan de rechtbank gezonden machtiging tot het instellen van hoger beroep van mr. Mooren van 11 juli 2023 niet als zodanig kan gelden.3.
3.4
Gelet op een en ander getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand had voorzien, en het derhalve niet was gehouden onderzoek te doen naar de reden van afwezigheid van een raadsman ter zitting en het voorschrift van artikel 48 Sv niet van toepassing was, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat evenmin onbegrijpelijk.
3.5
Het middel faalt.
4. Afronding
4.1
Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑10‑2025
HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250, rov. 2.5.4.
HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3320, rov. 2.8.4. Vgl. HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:270 (81.1 RO na CAG Paridaens, ECLI:NL:PHR:2023:59, randnrs. 21-31).