NJB 2026/75:Betekening (uitreiking) dagvaarding in hoger beroep in geval van niet-gedetineerde verdachte: als de niet-gedetineerde verdachte niet staat ingeschreven in de BRP, maar van hem wel een (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is, moet uitreiking van de dagvaarding op grond van art. 36e lid 1, aanhef en onder b sub 2°, Sv op dat adres plaatsvinden. Onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats kan onder meer niet worden aangenomen als niet is geprobeerd de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat de verdachte in de akte van hoger beroep heeft doen opnemen waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden als bedoeld in art. 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. Zo’n adres kan als achterhaald worden aangemerkt als het gaat om een adres dat op het moment dat die akte werd opgemaakt het BRP-adres van de verdachte betrof, terwijl daarna – maar voor het moment van uitreiking van de dagvaarding – de verdachte is uitgeschreven uit de BRP.