Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.12
8.12 Aankondiging plaatsen in een landelijk verspreid dagblad nadat de moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250270:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Neve 2015, p. 91.
Zie § 7.3, waar ik heb geconcludeerd dat het wenselijk is dat aan art. 2:404 lid 1 BW wordt toegevoegd dat de intrekking van de 403-verklaring slechts of eerst effect heeft als de 403-maatschappij een jaarrekening openbaar heeft gemaakt die aan de voorschriften van titel 9 van Boek 2 BW voldoet, of als er een nieuwe 403-verklaring is gedeponeerd ten aanzien van de 403-maatschappij. Als art. 2:404 lid 1 BW op deze manier wordt gewijzigd, kan de moedermaatschappij pas een beroep doen op de intrekking van de 403-verklaring als een van beide gebeurtenissen heeft plaatsgevonden.
Zie Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326, m.nt. Loesberg (Pergen/Eneco), r.o. 2.10-2.12 en 4.9. Overigens heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van de moedermaatschappij op het verstrijken van de verzetstermijn misbruik van recht is, waardoor het verzet van de crediteur – dat hij drie dagen na het verlopen van de verzetstermijn heeft ingesteld – toch is erkend. Zie § 8.6.3 waar ik enkele kanttekeningen plaats bij deze uitspraak.
De Neve 2015, p. 91 en Van Zoest 2016a, p. 63.
Zie § 8.13, waar ik opmerk dat het voor een moedermaatschappij risico’s met zich kan brengen als zij de groepsband al verbreekt terwijl het nog een tijd duurt voordat de termijn verloopt waarbinnen de crediteuren verzet kunnen instellen tegen het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. De moedermaatschappij heeft dan geen doorslaggevende invloed meer op de handelingen van de 403-maatschappij, maar daaruit kan wel nog nieuwe aansprakelijkheid voor haar ontstaan. Om dit risico weg te nemen, kan de moedermaatschappij de groepsband verbreken vlak voordat de verzetstermijn verloopt.
Op grond van art. 2:404 lid 5 BW kan een crediteur voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt tot twee maanden nadat de moedermaatschappij een aankondiging heeft geplaatst in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt, verzet instellen tegen dit voornemen.1 Evenals De Neve meen ik dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat iedere crediteur twee maanden de tijd moet hebben om verzet te kunnen instellen. Dit betekent dat een moedermaatschappij de aankondiging in het landelijk verspreid dagblad pas mag plaatsen nadat zij een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring.2,3Pas als de moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking staat vast voor welke vorderingen nog aansprakelijkheid loopt in de zin van art. 2:404 lid 5 BW. Op dat moment staat dus ook pas vast welke crediteuren verzet kunnen instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.
Een andere uitleg van art. 2:404 lid 5 BW kan ertoe leiden dat de tweemaands- termijn waarin crediteuren verzet kunnen instellen wel al is aangevangen maar dat de moedermaatschappij nog geen beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring. Crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht in de periode vanaf de aanvang van de verzetstermijn tot het moment dat de moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring, krijgen op grond van deze verklaring een vordering op de moedermaatschappij maar zij hebben minder dan twee maanden de tijd om verzet in te stellen. Zij zijn gebonden aan de reeds aangevangen verzetstermijn. Dit betekent dat zij onterecht beperkt zouden worden in de mogelijkheid om gebruik te maken van de waarborgen bij de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid om hun verhaalsrecht tegenover de moedermaatschappij te beschermen. Een dergelijke situatie deed zich voor bij de eerdergenoemde Pergen/Eneco-uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. Deze uitspraak heeft betrekking op een moedermaatschappij die op 15 februari 2014 een aankondiging heeft geplaatst in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt. Bijna twee maanden later, op 14 april 2014, heeft de moedermaatschappij de 403-verklaring ingetrokken. Evenals De Neve en Van Zoest concludeer ik dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de termijn voor het instellen van verzet tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen op 15 april is verlopen.4 In plaats daarvan had zij moeten oordelen dat deze termijn nog niet was aangevangen.5 Om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen zou de moedermaatschappij – nadat zij een beroep op de intrekking van de 403-verklaring kan doen – een (nieuwe) aankondiging in een landelijk verspreid dagblad hebben moeten plaatsen.
Dat de moedermaatschappij de aankondiging dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt pas kan plaatsen in een landelijk verspreid dagblad nadat zij een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring, betekent overigens niet dat zij daarvoor niet al aan andere voorwaarden voor deze beëindiging kan voldoen. De moedermaatschappij kan alvast de groepsband met de 403-maatschappij verbreken6 en de mededeling deponeren van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.