RAV 2023/56
Rechterlijke bevoegdheid. Is Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van vordering jegens Griekse dochtervennootschap van Nederlandse moeder waartegen eveneens geprocedeerd wordt, wegens inbreuk op Europees en Grieks mededingingsrecht in Griekenland?
HR 23-06-2023, ECLI:NL:HR:2023:965
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 juni 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, K. Teuben
- Zaaknummer
21/02116
- Conclusie
A-G mr. B.J. Drijber
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS707301:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / EU-mededingingsrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:965, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑06‑2023
ECLI:NL:HR:2023:660, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑04‑2023
ECLI:NL:PHR:2022:689, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑08‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑05‑2021
- Wetingang
Art. 8 punt 1 Brussel I-bis
Essentie
Rechterlijke bevoegdheid. Nauwe band. Europees mededingingsrecht(elijk) vermoeden.
Moet de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.