HR, 17-10-2025, nr. 21/02116
ECLI:NL:PHR:2025:779, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-10-2025
- Zaaknummer
21/02116
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2025:779, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑10‑2025
ECLI:NL:HR:2023:965, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑06‑2023; (Prejudicieel verzoek)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2024:798
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2025:85
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:689
ECLI:NL:HR:2023:660, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑04‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:509
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:689, Contrair
ECLI:NL:PHR:2022:689, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:660, Contrair
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:965
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑08‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑05‑2021
- Vindplaatsen
TvPP 2026/11, p.31 met annotatie van E. Schaaphok
SEW 2023, afl. 7/8, p. 339
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0030
BPR-Updates.nl 2023-0030
JIN 2023/120 met annotatie van mr. P.B.J. van den Oord, mr. M.C.B. Beck
Conclusie 17‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Unierecht. Internationaal privaatrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter; pluraliteit van verweerders (art. 8 punt 1 Brussel I-bis); nauwe samenhang met vordering tegen Nederlandse ankergedaagde; mededingingsrechtelijk vermoeden van beslissende invloed moeder op dochter. Vervolg op ECLI:NL:HR:2023:965 en ECLI:EU:C:2025:85.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02116
Zitting 17 oktober 2025
NADERE CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. Athenian Brewery S.A.
2. Heineken N.V.,
eiseressen tot cassatie,
verweersters in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. W.H. van Hemel,
tegen
Macedonian Thrace Brewery S.A.,
verweerster in cassatie,
eiseres in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P.A. Fruytier.
Eiseressen tot cassatie worden hierna aangeduid als AB en Heineken en gezamenlijk als Heineken c.s. Verweerster in cassatie wordt aangeduid als MTB.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak is na prejudiciële verwijzing teruggekomen uit Luxemburg. De zaak gaat over de uitleg van art. 8 punt 1 van Verordening 1215/2012 (hierna: Brussel I-bis). Deze bepaling houdt in dat een eiser ervoor kan kiezen om in één procedure naast de gedaagde met woonplaats in de lidstaat van de aangezochte rechter (‘de ankergedaagde’) ook partijen die woonplaats hebben in andere lidstaten te dagvaarden. Daartoe is vereist dat de vordering tegen die andere partijen nauw samenhangt met de vordering tegen de ankergedaagde. Is aan dat vereiste voldaan, dan kan de aangezochte rechter zich bevoegd verklaren ten aanzien van de gedaagden die hun woonplaats in een andere lidstaat hebben. Berechting door hetzelfde gerecht kan voorkomen dat in samenhangende rechtszaken door rechters verschillend wordt geoordeeld.
1.2
In deze zaak is de rechtbank Amsterdam hoe dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen Heineken. In geschil is of deze rechtbank tevens bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB, een te Athene gevestigde bierbrouwer die onderdeel is van het Heineken concern. In mijn conclusie van 8 juli 2022 (hierna: eerste conclusie)1.sloot ik mij aan bij het bestreden arrest van het hof Amsterdam van 16 februari 2021.2.Het hof heeft geoordeeld dat de vorderingen tegen AB en Heineken zijn gebaseerd op de zelfde feitelijke grondslag (een mededingingsinbreuk op de Griekse biermarkt) en op de zelfde juridische grondslag (hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van die inbreuk). In de eerste conclusie heb ik toegelicht dat er tussen de vorderingen tegen beide gedaagden daarom een nauwe band bestaat en dat overigens ook niet valt uit te sluiten dat de Griekse rechter in een procedure tegen AB tot een ander oordeel zou komen dan de Nederlandse rechter in de procedure tegen Heineken. Aan de voorwaarden van art. 8 punt 1 Brussel I-bis leek mij daarom te zijn voldaan.
1.3
In de eerste conclusie heb ik daarnaast, en strikt genomen ten overvloede, uiteengezet dat het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in de zin van economische eenheid ook van toepassing is op de privaatrechtelijke handhaving van de mededingingsregels bij de burgerlijke rechter. Als een moedermaatschappij behoort tot een onderneming in de zojuist genoemde betekenis, kan een inbreuk op de mededingingsregels die feitelijk door een dochtervennootschap is begaan, ook aan haar als moeder worden toegerekend. Die toerekening is gebaseerd op het vermoeden dat een moedermaatschappij die direct of indirect alle of bijna alle aandelen houdt in een dochtervennootschap, moet worden vermoed beslissende invloed uit te oefenen op het commerciële beleid van de dochtervennootschap.
1.4
De Hoge Raad heeft zich afgevraagd of dit mededingingsrechtelijke vermoeden van beslissende invloed ook invulling dient te geven aan het ipr-rechtelijke concept van de ‘nauwe band’ als bedoeld in art. 8 punt 1 Brussel I-bis, in die zin dat op basis van dit enkele vermoeden een ‘nauwe band’ moet worden aangenomen tussen de vordering tegen de moeder en de vordering tegen de dochter. Omdat daar redelijke twijfel over kan bestaan, heeft de Hoge Raad aanleiding gezien over deze problematiek prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof).3.Kort samengevat luidden de vragen: (i) moet bij het bepalen van een ‘nauwe band’ als bedoeld in art. 8 punt 1 Brussel I-bis worden uitgegaan van het vermoeden van beslissende invloed van de moedermaatschappij4.en (ii) zo ja, hoe moet dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten Kolassa5.en Universal Music6.? Indien de eerste vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, staat de rechtsmacht op die grond vast zonder dat feitelijk onderzoek hoeft te worden gedaan, wat praktisch kan zijn. Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, rijst vervolgens de vraag hoe de maatstaf uit de arresten Kolassa en Universal Music moet worden toegepast als de vorderingen zijn gebaseerd op een vastgestelde inbreuk op de mededingingsregels. Die maatstaf houdt samengevat in dat de rechter bij toetsing van zijn bevoegdheid acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens, ook op stellingen van gedaagden, maar in die fase van de procedure geen gelegenheid hoeft te geven voor bewijslevering.
1.5
Bij arrest van 13 februari 20257.heeft het Hof de eerste vraag in die zin beantwoord dat de aangezochte rechter niet een verplichting heeft zoals in die vraag genoemd.8.De nationale rechter die over zijn internationale rechtsmacht moet oordelen, mag echter het vermoeden van beslissende invloed wel in zijn beoordeling betrekken. Vervolgens laat het Hof zien wat daarbij de kaders zijn. Zo mogen gedaagden ‘op grond van bewijskrachtige aanwijzingen’ proberen genoemd vermoeden te weerleggen. Daartoe zullen zij aannemelijk moeten maken dat op voorhand kan worden uitgesloten dat de aangesproken moedermaatschappij niet aansprakelijk is wegens het aantoonbaar ontbreken van beslissende invloed. Voor gedaagden ligt de lat dus zeer hoog, temeer omdat in het debat over de rechtsmacht geen plaats is voor een debat over de gegrondheid van de vordering.
1.6
De door het Hof aangelegde maatstaf voor toetsing aan art. 8 punt 1 Brussel I-bis wijkt mijns inziens niet wezenlijk af van de toets waarvan het hof Amsterdam in het bestreden arrest is uitgegaan. Dat arrest dient daarom in stand te blijven. Ik licht dat hierna toe.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Voor de in cassatie vaststaande feiten verwijs ik naar het tussenarrest van de Hoge Raad van 23 juni 2023.
2.2
Het procesverloop in feitelijke instanties is weergegeven in mijn eerste conclusie.9.
2.3
Ik citeer de prejudiciële vragen die de Hoge Raad heeft gesteld:
“1. Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten Kolassa en Universal Music? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?”
2.4
Bij arrest van 13 februari 202510.heeft het Hof de prejudiciële vragen als volgt beantwoord:
“Artikel 8, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat in geval van vorderingen die ertoe strekken dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een door deze dochteronderneming begane inbreuk op de mededingingsregels, de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij bij wie deze vorderingen zijn ingesteld, zich voor de vaststelling van zijn internationale bevoegdheid baseert op het vermoeden dat wanneer een moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal in handen heeft van een dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, zij beslissende invloed op deze dochteronderneming uitoefent, voor zover verweerders niet de mogelijkheid wordt ontnomen om zich te beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.”
2.5
Na het prejudiciële arrest hebben partijen de zaak weer opgebracht. Beide partijen hebben een nadere schriftelijke toelichting ingediend, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.
2.6
In de tussentijd is de hoofdzaak tegen Heineken gewoon voortgezet. De rechtbank Amsterdam heeft sinds het eerste tussenvonnis in het bevoegdheidsincident,11.in totaal zes tussenvonnissen gewezen.12.In het laatste daarvan heeft de rechtbank Heineken hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de door MTB geleden schade. Volgens deze uitspraak geldt die veroordeling ook voor AB, indien de bevoegdheid van de rechtbank jegens haar komt vast te staan.13.
2.7
Tot slot vermeld ik dat de hoogste Griekse bestuursrechter14.bij uitspraak van 31 mei 2023 de beschikking van de Griekse mededingingsautoriteit, die de aanleiding en de feitelijke grondslag vormt voor de vorderingen in onderhavige procedure, in stand heeft gelaten.15.Die beschikking is daarmee definitief.16.
3. Samenvatting en analyse van het arrest van het Hof
3.1
Het Hof begint ermee, zoals wel vaker, de prejudiciële vragen te herformuleren. De vraag luidt niet meer of de rechter bij toepassing van art. 8 punt 1 Brussel I-bis het vermoeden van beslissende invloed moet toepassen, maar of die bepaling zich verzet tegen toepassing van dat vermoeden. Deze herformulering heeft tot gevolg dat de eerste prejudiciële vraag van de Hoge Raad niet bevestigend kan worden beantwoord. Immers, als art. 8 punt 1 Brussel I-bis zich wel tegen toepassing van genoemd vermoeden verzet, mag dat vermoeden niet worden toegepast bij toetsing aan die bepaling. Omgekeerd, in het meer waarschijnlijke geval dat art. 8 punt 1 Brussel I-bis zich niet tegen toepassing van genoemd vermoeden verzet, dan kan het l worden toegepast, maar dat betekent niet dat het moet worden toegepast. De eerste prejudiciële vraag strekte er nu juist toe te vernemen of er een verplichting bestaat het vermoeden toe te passen. Toch laat het arrest van het Hof zien dat dit mededingingsrechtelijke vermoeden ver kan doorwerken in de toets die op grond van art. 8 punt 1 Brussel I-bis moet worden aangelegd om een juist rechtsmachtoordeel te geven.
3.2
Het Hof gaat eerst in op de ratio van art. 8 punt 1 Brussel I-bis. Ik citeer (hieronder en in de citaten hierna, mijn onderstrepingen):
“20 Het doel van de bevoegdheidsregel als bedoeld in artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 strekt er overeenkomstig de overwegingen 16 en 21 van die verordening toe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende procedures zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven […].
[…]
22 […] voor de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 dient te worden nagegaan of er tussen de door dezelfde verzoeker tegen verschillende verweerders ingediende vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. In dit verband zij opgemerkt dat beslissingen niet reeds onverenigbaar kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil, maar dat daartoe bovendien vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens (arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
[…]
25. Het staat dus met betrekking tot de vorderingen tegen de verschillende verweerders aan de verwijzende rechter om te beoordelen of er sprake is van dezelfde situatie rechtens en feitelijk, rekening houdend met alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, en om zich ervan te vergewissen dat de vorderingen die gericht zijn tegen de enige verweerder van wie de woonplaats de bevoegdheid van het aangezochte gerecht rechtvaardigt, niet bedoeld zijn om op kunstmatige wijze te voldoen aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 […]. Niettemin kan het Hof de verwijzende rechter de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die nuttig zijn voor deze beoordeling.
26 […] dat het Hof heeft geoordeeld dat aan de voorwaarde van het bestaan van dezelfde situatie feitelijk en rechtens moet worden geacht te zijn voldaan wanneer verschillende ondernemingen die hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, die is vastgesteld in een besluit van de Commissie, als verwerende partijen worden aangesproken op grond van hun deelname aan die inbreuk, ondanks het feit dat de verweerders in het hoofdgeding zowel op verschillende plaatsen als op verschillende tijdstippen aan de uitvoering van de betrokken mededingingsregeling hebben deelgenomen (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide, C‑352/13, EU:C:2015:335, punt 21).
3.3
Vervolgens herinnert het Hof aan het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in de zin van economische eenheid:
27 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, geldt dezelfde vaststelling ook voor vorderingen die zijn gebaseerd op de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie en die tegen deze vennootschap en haar moedermaatschappij zijn ingesteld en waarbij wordt gesteld dat deze vennootschappen samen een en dezelfde onderneming vormden.
Ik citeer punt 40 uit de conclusie van A-G Kokott, waarnaar punt 27 verwijst:
“A fortiori is er sprake van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens, wanneer zowel de moedermaatschappij als de dochteronderneming hoofdelijk(24) aansprakelijk wordt gesteld voor een inbreuk op artikel 102 VWEU op grond dat zij een economische eenheid vormen, dat wil zeggen een en dezelfde „onderneming”. Ook in dat geval is er immers sprake van één enkele feitelijke situatie, namelijk de door de dochteronderneming gepleegde inbreuk, die aan de moedermaatschappij (met name op grond van het vermoeden van zeggenschap) wordt toegerekend alsof zij deze zelf had gepleegd. De vorderingen tegen de moedermaatschappij en de dochteronderneming berusten dus op dezelfde feiten die tot aansprakelijkheid leiden. Aangezien beide vorderingen betrekking hebben op dezelfde inbreuk op artikel 102 VWEU, is bovendien de juridische situatie dezelfde wat betreft het feit dat de aansprakelijkheid doet ontstaan. Er bestaat dus een risico van onverenigbare beslissingen wanneer verschillende rechterlijke instanties uitspraak doen over de respectieve aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en de dochteronderneming.
24 Het Jenard-rapport noemt hoofdelijke aansprakelijkheid als een typisch voorbeeld van het bestaan van een verband tussen de vorderingen tegen de individuele verweerders, zie rapport van P. Jenard over het [Verdrag van Brussel] (PB 1979, C 59, blz. 1, op blz. 26).”
3.4
In dat verband gaat het Hof nog in op de vraag of het uitmaakt (i) dat de inbreuk niet door de Commissie maar door een nationale mededingingsautoriteit is vastgesteld en (ii) dat tegen de beschikking van die autoriteit nog beroep aanhangig is. Dat maakt geen verschil:
“30 In dit verband staat het feit dat, zoals in casu, de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming voor de inbreuk op de mededingingsregels van de Unie niet is vastgesteld in een definitief besluit van de Commissie, niet in de weg aan de toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 op dergelijke vorderingen.
31 Integendeel, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van haar conclusie heeft opgemerkt, bestaat juist enkel in dat geval het risico dat onverenigbare beslissingen worden gegeven in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens. […]”
Aldus gaat het Hof in een aantal opzichten duidelijk verder dan in het arrest CDC Hydrogen Peroxide uit 2015. Die zaak betrof vorderingen tot schadevergoeding tegen ondernemingen die elk in een onherroepelijke beschikking van de Commissie waren aangemerkt als deelnemers aan een kartel, en waarvan er één de ankergedaagde was. De onderhavige zaak betreft een vorderingen tot schadevergoeding tegen zowel een dochter die in een niet onherroepelijke beschikking van een nationale mededingingsautoriteit is aangemerkt als inbreukpleger als tegen de holdingmaatschappij die geen rechtstreekse feitelijke betrokkenheid heeft gehad bij de inbreuk en in de beschikking ook niet als inbreukpleger is aangemerkt.
3.5
In het arrest volgen dan overwegingen over de voorzienbaarheid van het forum van de aangezochte rechter voor de gedaagden (punten 34-35). Die overwegingen citeer ik hierna bij de bespreking van onderdeel 3 van het middel.
3.6
Na al deze inleidende beschietingen komt het Hof toe aan de vragen van de Hoge Raad (punt 36 e.v.). Om te beginnen gaat het Hof in op de betekenis van het genoemde vermoeden van beslissende invloed van de moedermaatschappij op (het beleid van) de dochteronderneming:
“[…]
38 Dit vermoeden is ontwikkeld in het kader van de betwisting door de betrokken ondernemingen van de besluiten van de Commissie waarbij werd vastgesteld dat zij hadden deelgenomen aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie en waarbij hun geldboeten waren opgelegd op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat het feit dat de Commissie bewijst dat het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, op zichzelf reeds het vermoeden oplevert dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van die dochteronderneming. […]
39 Hoewel het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij is ontwikkeld in het kader van [de publiekrechtelijke handhaving], kan het ook van toepassing zijn in het geval van een vordering van een natuurlijke of rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden als gevolg van de deelname van een vennootschap aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, waarbij die vordering is ingesteld tegen een andere vennootschap die het volledige of nagenoeg volledige kapitaal van eerstgenoemde vennootschap in handen heeft.”
3.7
Met deze laatste overweging verduidelijkt het Hof dat het debat over de rechtsmacht beperkt moet blijven tot feiten en gezichtspunten die daar betrekking op hebben, en niet mag uitwaaieren naar de materiële vraag of de moeder voor de mededingingsinbreuk aansprakelijk kan worden gehouden:
41. […] [U]it de rechtspraak van het Hof blijkt dat de aangezochte rechter in de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 rechtvaardigen.”
In dat verband gaat het Hof tot slot, mede in het licht van de reeds aangehaalde arresten Kolassa en Universal Music, in op het verweer dat de aangesproken onderneming in het kader van het onderzoek van de internationale bevoegdheid kan voeren tegen het aannemen van bevoegdheid wegens de nauwe band van de tegen haar ingestelde vordering met de vordering die tegen de anker-gedaagde is ingesteld:
“43 Bovendien heeft het Hof ook reeds aangegeven dat zowel het doel van een goede rechtsbedeling als de geboden eerbiediging van de autonomie van de rechter in de uitoefening van zijn functies vereisen dat het aangezochte gerecht zijn internationale bevoegdheid kan toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, die welke zijn verstrekt door de verweerder (zie in die zin arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 64, en 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 45).
44 In die context zijn dus, wat de vraag betreft of het om samenhangende vorderingen gaat, de gegevens relevant die ertoe strekken aan te tonen dat het verzoekschrift inderdaad betrekking heeft op dezelfde situatie, feitelijk en, in voorkomend geval, rechtens. Voor de vaststelling dat er sprake is van samenhang mag die rechter dan ook uitgaan van de relevante beweringen die de verzoeker in zijn vorderingen heeft geformuleerd aangaande de omstandigheden van de gestelde aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (zie naar analogie arrest van 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Derhalve kan de aangezochte rechter zich in een situatie als die van het hoofdgeding ertoe beperken na te gaan of niet op voorhand is uitgesloten dat er sprake was van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming om zich bevoegd te kunnen verklaren voor zover het nationale recht dit toestaat.
46 Dit zal het geval zijn wanneer de verzoekende partij verwijst naar het vermoeden van beslissende invloed en aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. De verificatie dat de vordering tegen de moedermaatschappij, waarvan de woonplaats de bevoegdheid van de aangezochte rechter rechtvaardigt, niet kunstmatig is, veronderstelt echter dat de verwerende partijen zich kunnen beroepen op bewijskrachtige aanwijzingen waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden.”
In deze overwegingen trekt het Hof de procedurele kaders waarbinnen de toets aan art. 8 punt 1 Brussel I-bis moet plaatsvinden, betrekkelijk strak. De rechter moet uitgaan van de door de eiser gestelde feiten die relevant zijn om te bepalen of sprake is van een zelfde situatie, feitelijk en rechtens. Maatstaf voor de uit te voeren toets is of op voorhand is uitgesloten dat sprake was van beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming. Als dat niet op voorhand is uitgesloten, dan dient de rechter ervan uit te gaan dat de moedermaatschappij wél beslissende invloed heeft op de dochteronderneming (zie de geciteerde punten 44 en 45).
3.8
Om de positie van de gedaagde moedermaatschappij toch enigszins te beschermen wordt nog wel overwogen dat deze de mogelijkheid moet hebben om het vermoeden van beslissende invloed te weerleggen. Tegenbewijs is echter alleen mogelijk op basis van ‘bewijskrachtige aanwijzingen’ (punt 46). Het Hof heeft aldus gezocht naar een compromis tussen enerzijds de noodzaak gedaagde gelegenheid te geven verweer te voeren en anderzijds de noodzaak de strikte kaders van het debat over rechtsmacht te respecteren.
3.9
Punt 47 van het arrest bevat een afsluitende overweging, die overeenkomt met het in 2.4 geciteerde dictum van het arrest.
3.10
Concluderend stel ik vast dat de gegeven uitleg van art. 8 punt 1 Brussel I-bis ertoe kan leiden dat ‘binnenlandse’ geschillen tussen ondernemingen (zoals hier tussen twee Griekse bierbrouwerijen) kunnen worden gebracht voor de rechter van een andere lidstaat als daar de holdingvennootschap van een van de verweerders is gevestigd, zo lang eiser daarmee geen misbruik van recht maakt. Van dergelijk misbruik is pas sprake als de vordering tegen de ankergedaagde (wat in dit bijzondere geval de holdingmaatschappij is) klaarblijkelijk ongegrond is.
3.11
In deze zaak gaat het om een van de ankergedaagde afgeleide forum voor slechts één onderneming (AB). Wanneer de vastgestelde inbreuk op de mededingingsregels bestaat uit deelname aan een verboden kartel, kunnen op grond van art. 8 punt 1 Brussel I-bis (en in voorkomend geval art. 7 lid 1 Rv} meerdere karteldeelnemers worden gedagvaard in het forum van de holdingmaatschappij van een van hen, die door de eisende partij om haar conveniërende redenen als ankergedaagde is uitgekozen..
4. Nadere bespreking van het principale cassatiemiddel
4.1
Het middel van AB omvat drie onderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel dat tussen de vorderingen van MTB jegens AB en Heineken een voldoende nauwe band bestaat. Onderdeel 2 bevat klachten over het oordeel dat geen misbruik van procesrecht wordt gemaakt. Onderdeel 3 heeft als doelwit het oordeel dat voor AB voorzienbaar was dat zij door MTB voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd.
Onderdeel 1: voldoende nauwe band
4.2
Het hof Amsterdam heeft geoordeeld dat MTB in deze procedure verklaringen voor recht vordert die ertoe strekken dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schending van artikel 102 VWEU (rov. 3.2) en overweegt dan vervolgens:
“3.4 […] Tussen partijen staat vast dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op die markt. Over de handelingen van AB heeft de HCC reeds een oordeel gegeven. Die beschikking legt MTB aan haar verwijten ten grondslag. Dat betekent, dat de positie van Heineken wat betreft de feiten in zoverre hetzelfde is als die van AB.
3.5
Vast staat ook dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is en dat er een bepaalde centrale beleidsbepaling is, onder meer als het gaat om de internationale presentatie van het merk Heineken. Wel in geschil is, of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van artikel 102 VWEU vormen. Het belang van dat geschil, en daarmee dus van het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken, voor de thans voorliggende vraag is echter beperkt. De Nederlandse rechter is in elk geval bevoegd kennis te nemen van de vordering jegens Heineken en zal in deze procedure op die vordering beslissen. De Nederlandse rechter zal, bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken, niet anders kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn. […]
[…]
3.7
De omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan die van de aangesproken partij in de Skanska-zaak (HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska Industrial Solutions), zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is, is om dezelfde reden als hiervoor onder 3.5 toegelicht, voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang. Datzelfde geldt voor de positie van een (overgroot)moedervennootschap naar het op deze kwestie toepasselijke Griekse recht.”
4.3
Tussen partijen staat vast dat Heineken (onrechtstreeks) vrijwel het gehele kapitaal van AB in handen heeft en dat MTB zich in feitelijke aanleg op het standpunt heeft gesteld dat daarom moet worden vermoed dat Heineken beslissende invloed uitoefent op het gedrag van AB en dat Heineken en AB bijgevolg tot dezelfde onderneming behoren.17.Deze omstandigheden betekenen dat het hof zich ertoe kon beperken na te gaan of niet op voorhand is uitgesloten dat Heineken en AB tot dezelfde onderneming behoren teneinde zich bevoegd te verklaren, zoals volgt uit punten 45-46 van de prejudiciële beslissing.
4.4
Naar mijn mening volgt in deze zaak de aanwezigheid van een nauwe band tussen de vorderingen reeds uit hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 3.4 (feitelijk dezelfde positie) en in rov. 3.5 (rechtens dezelfde positie). Ook zonder het vermoeden van beslissende invloed in stelling te brengen kon meen ik reeds worden geconcludeerd dat tussen de beide vorderingen een voldoende nauwe band bestaat als bedoeld in art. 8 punt 1 Brussel I-bis. Dit laat onverlet dat de prejudiciële beslissing in algemene zin zonder meer bijdraagt aan de rechtsontwikkeling.
4.5
De klacht in subonderdeel 1.1 faalt bij gebrek aan belang, gelet op wat ik zo juist heb opgemerkt in 4.3 en 4.4. Dat het hof bij de beoordeling ten gronde een andere volgorde kan aanhouden dan het in rov. 3.5 heeft overwogen, zoals bijvoorbeeld eerst definitief vaststellen of AB en Heineken deel uitmaken van dezelfde onderneming, doet niet ter zake voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank zich bevoegd kan verklaren ten aanzien van AB.
4.6
Ook de klacht in subonderdeel 1.2 treft geen doel. Gelet op het vorenstaande is geen sprake van strijd met het Kolassa-arrest (zie de in 3.7 geciteerde punten 43-46 van de prejudiciële beslissing). Het hof is voorts, anders dan Heineken c.s. stellen, wél ingegaan op de betwisting door Heineken c.s. van de uitoefening van daadwerkelijke invloed en op hun betoog dat het Skanska-arrest alleen zou zien op economische opvolging. Dit doet het hof in rov. 3.9:
“Geen misbruik van procesrecht
3.9
Of de vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn zal in de hoofdzaak moeten worden uitgemaakt. Alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht kan het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van verordening Brussel Ibis worden beschouwd.
Dat geval doet zich hier niet voor. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. In de beschikking van HCC valt ook niet te lezen dat zij meent dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie. HCC heeft slechts, (bij herhaling) vermeld en toegelicht dat het haar vrij staat om het gedrag van Heineken niet bij het onderzoek te betrekken en dat zij aanleiding heeft gezien om inderdaad af te zien van zulk onderzoek. (vgl. 2.5) Die beslissing heeft zij kennelijk mede genomen omdat zij niet beschikte over aanwijzingen dat ook Heineken zich schuldig had gemaakt aan misbruik van machtspositie. Dat is echter, in tegenstelling tot wat Heineken c.s. stelt, voorshands iets anders dan een oordeel van HCC dat Heineken zich niet aan dergelijk gedrag heeft schuldig gemaakt.
4.7
Deze plaats in het arrest (onder het kopje ‘Geen misbruik van procesrecht’) strookt met de door het Hof in punten 24-25 (zie hiervoor, 3.2) en punt 46 van de prejudiciële beslissing gegeven aanwijzing, waarbij de nationale rechter moet toetsen of de vordering tegen de moedermaatschappij niet is bedoeld kunstmatig de voorwaarde voor toepassing van art. 8 punt 1 Brussel I-bis te creëren.18.Overigens is de stelling dat het Skanska-arrest19.alleen zou zien op economische opvolging onjuist,20.zodat bij dat deel van de klacht geen belang bestaat.21.
Onderdeel 2: misbruik van procesrecht
4.8
In dit onderdeel richt Heineken c.s. haar pijlen op rov. 3.9 (zojuist geciteerd). In punt 5.13 van mijn eerste conclusie schreef ik, ter bespreking van de rechtsklacht in subonderdeel 2.1, dat om te toetsen of sprake is van misbruik het mij de juiste maatstaf lijkt of de vordering tegen Heineken reeds op voorhand moet worden uitgesloten. Dat is in mijn ogen in lijn met de prejudiciële beslissing.22.Aan het slot van punt 24 overweegt het Hof namelijk met betrekking tot de bevoegdheidsregel genoemd in art. 8 punt 1 Brussel I-bis dat:
“[…] het aangezochte gerecht een eventuele omzeiling van de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel slechts kan vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van art. 8 punt 1 Brussel I-bis kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd […].”
4.9
In punt 46 (zie 3.7 hiervoor) overweegt het Hof dat verwerende partijen zich kunnen beroepen op ‘bewijskrachtige aanwijzingen’ (d'indices probants, firm evidence, beweiskräftige Indizien) waaruit blijkt dat ofwel de moedermaatschappij niet direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen had, ofwel dit vermoeden toch niet kan gelden (devrait néanmoins être renversée, should nevertheless be rebutted, gleichwohl nicht gelten kann).23.Door die mogelijkheden tot verweer wordt het risico van misbruik van procesrecht door de eisende partij verkleind.
4.10
Verder wijs ik op de conclusie van A-G Kokott van 3 april 2025 in de zaken EWA/Prysmian en Unilever/Smurfit Kappa,24.die naar het Hof zijn verwezen door het hof Amsterdam. In die conclusie is onder meer het volgende opgenomen (citaat zonder voetnoten, A-G):
“37. Artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening mag echter niet worden misbruikt door op grond daarvan een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft. Dit zou het geval zijn indien op grond van afdoende bewijs kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.
38. Dat kan echter niet als de vordering tegen de ankergedaagde alleen maar (mogelijk) ongegrond lijkt. Veeleer moet deze vordering op het tijdstip dat zij wordt ingesteld, kennelijk ongegrond of kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn.”
4.11
Voor het overige heb ik niets toe te voegen aan mijn eerste conclusie.
Onderdeel 3: voorzienbaarheid
4.12
Dit onderdeel richt zich tegen rov. 3.11 van het bestreden arrest. Die overweging luidt:
“Voorzienbaar?
3.11
Voor de Unierechtelijk relevante vraag of het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd is van belang dat AB in Griekenland onder het Heineken-merk bier verkoopt en deel uitmaakt van het Heineken-concern. Het verwijt dat haar gemaakt wordt is dat zij bij de verkoop van onder meer dat bier op die markt misbruik van haar machtspositie maakt. Dat dat verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor haar te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van dat concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen. Ook dit aspect staat dus aan bevoegdheid niet in de weg.”
4.13
Het hof maakt hier duidelijk dat het voor AB als onderdeel van het concern voorzienbaar is dat een verwijt ten aanzien van haar marktgedrag ook kan worden voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van de topvennootschap van het concern. In punt 5.29 van mijn eerste conclusie schreef ik dat ik die overweging juist acht in het kader van het vereiste van voorzienbaarheid. Daarbij teken ik aan dat ‘voorzienbaarheid’ niet een zelfstandige voorwaarde is waaraan steeds moet zijn voldaan om rechtsmacht te kunnen aannemen op grond van art. 8 punt 1 Brussel I-bis.25.Het is eerder een ongeschreven beginsel, waar een beperkende werking van kan uitgaan.
4.14
In de punten 34-35 van prejudiciële beslissing is daarvoor steun te vinden:
“34 Volgens de rechtspraak van het Hof vereist het rechtszekerheidsbeginsel onder meer dat bijzondere bevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen (arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage, C‑103/05, EU:C:2006:471, punt 25).
35 Dit is het geval bij een moedermaatschappij en haar in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming. Gelet op de overwegingen in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest kan elk van deze twee vennootschappen immers redelijkerwijs voorzien dat zij in geval van een door een van hen gepleegde inbreuk op de mededingingsregels van de Unie kan worden opgeroepen voor de rechterlijke instanties van de lidstaat van de woonplaats van de andere vennootschap om zich te verweren tegen op die inbreuk gebaseerde vorderingen.”26.
Tussenconclusie
4.15
Ik concludeer ook ná de prejudiciële beslissing van het Hof dat geen van de klachten van Heineken c.s. slaagt. Ik wijzig mijn eerdere conclusie dus niet.
5. Nadere bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Voor een inhoudelijke bespreking van het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep verwijs ik naar par. 6 van mijn eerste conclusie. Op die bespreking stuiten de aangevoerde klachten af. Ik heb daar op deze plaats niets aan toe te voegen.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principaal cassatieberoep als het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑10‑2025
Hof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:509.
Het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen is geuit in: HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:660, NJ 2023/220, JIN 2023/120 m.nt. P.B.J. van den Oord & M.C.B. Beck. De vragen zijn gesteld in: HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:965, NJ 2023/221.
Dit vermoeden werd geformuleerd in HvJ 10 september 2009, ECLI:EU:C:2009:536 (Akzo Nobel/Commissie), punt 54 e.v. en is sindsdien vaste rechtspraak. De praktijk spreekt in dat verband vaak van het ‘Akzo-vermoeden’.
HvJ 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 m.nt. L. Strikwerda, JOR 2015/109 m.nt. T.M.C. Arons (Kolassa/Barclays Bank).
HvJ 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38 m.nt. L. Strikwerda, JBPr 2017/3 m.nt. D.F.H. Stein, JOR 2016/276 m.nt. T.M.C. Arons (Universal Music International Holding/Schilling c.s.).
HvJ 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, JBPr 2025/32 m.nt. T.H.W. Korvinus & L.E. Samuels, JOR 2025/149 m.nt. R.B. van Hees, EuZW 2025, 581 m.nt. O. Samanci, IWRZ 2025, 142 m.nt. M. Finkelmeier & C.E. Niemöller. Dit arrest is verder besproken in: A.A. Koeman & M.C.B. Beck, ‘MTB/Heineken-arrest: moederaansprakelijkheid in het mededingingsrecht toegepast bij het bepalen van de bevoegdheid civiele rechter’, M&M 2025/3, p. 147-152, A. Sanders, ‘Die wirtschaftliche Einheit im Kartellzivilprozessrecht - Zugleich Besprechung von EuGH – C 393/23 – Athenian Brewery SA, Heineken NV gegen Macedonian Thrace Brewery SA’, Zeitschrift für Unternehmens- und Gesellschaftsrecht 2025 (Vol. 54, Issue 4), p. 673-685.
Op dat punt wijkt het arrest af van de voorafgaande conclusie van A-G Kokott van 26 september 2024, C‑393/23, ECLI:EU:C:2024:798.
Conclusie van 8 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:689, punten 3.1-3.7.
Vindplaats in voetnoot 7.
Rb. Amsterdam 9 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3203.
Rb. Amsterdam 25 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2866; Rb. Amsterdam 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4890; Rb. Amsterdam 22 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1577; Rb. Amsterdam 21 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6557; Rb. Amsterdam 6 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7822; Rb. Amsterdam 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6476.
Rb. Amsterdam 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6476, rov. 5.2 en 5.6-5.8. Zie hierover ook R.B. van Hees in punt 7 van zijn noot (JOR 2025/149) onder de prejudiciële beslissing: “Hoewel in de zaak tegen Athenian Brewery en Heineken de Hoge Raad nog uitspraak moet doen nu het Hof de prejudiciële vragen heeft beantwoord, heeft de Rechtbank Amsterdam dit niet afgewacht; die heeft in de tussentijd al overwogen dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade en beslist dat Athenian Brewery (naast Heineken) zal worden veroordeeld tot betaling daarvan als de bevoegdheid van de rechtbank jegens die partij komt vast te staan.”
Dat is de Griekse Council of State, of in het Grieks: Συμβούλιο της Επικρατείας (zie: https://www.adjustice.gr/).
Deze beschikking is in het Grieks te vinden op: https://www.epant.gr/files/2014/apofaseis/STE_985_2023.pdf
Zie ook punt 4 van de nadere schriftelijke toelichting zijdens MTB.
Pleitnotities MTB in hoger beroep, punt 32: “[…] Kortom, aangezien Heineken middellijk nagenoeg het gehele kapitaal (98,8%) van AB in handen had en nog steeds heeft, bestaat er in dit geval van privaatrechtelijke handhaving een vermoeden dat Heineken beslissende invloed uitoefent op het gedrag van AB, en (dus) dat zij tot dezelfde onderneming behoren.” In de procesinleiding van Heineken c.s. wordt in onderdeel 1.2 (voetnoot 37) verwezen naar deze vindplaats.
Zie in deze zin ook punten 20 en 24 van de ‘schriftelijke toelichting na verwijzing’ zijdens MTB.
HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann, Ondernemingsrecht 2019/74 m.nt. B.J. Drijber, JOR 2019/151 m.nt. S.A. van Dijk, SEW 2019/11 m.nt. D. Wouters (Skanska).
Het Hof van Justitie heeft verduidelijkt dat ook buiten de nogal specifieke context van de Skanska-zaak op grond van het Unierecht moet worden bepaald welke partijen aansprakelijk gehouden kunnen worden voor schade die het gevolg is van een inbreuk op de mededingingsregels. Zie punt 4.18 van mijn eerste conclusie waar ik wijs op HvJ (Grote Kamer) 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22 m.nt. S.A. van Dijk (Sumal).
B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/198 (in fine): “Belang bij de klacht dat een verweer onbesproken is gelaten, ontbreekt indien geen andere conclusie mogelijk is dan dat het verweer faalt. […].” De auteurs verwijzen naar HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503 ([…]/TMF), rov. 3.5.
Zie in deze zin ook M. Finkelmeier & C.E. Niemöller in punt 3 van hun noot (IWRZ 2025/142) onder de prejudiciële beslissing: “Zu begrüßen ist auch, dass die Gerichte der Mitgliedstaaten sich im Fall des Bestreitens, ob die Voraussetzungen der Vermutung des bestimmenden Einflusses der Muttergesellschaft vorliegen, auf die Prüfung beschränken können, ob die Geltung der Vermutung von Vorneherein ausgeschlossen ist.” Zie voorts T.H.W. Korvinus & L.E. Samuels in punt 8 van hun noot (JBPr 2025/32) onder de prejudiciële beslissing: “[…] Wij lezen in dit oordeel dat de rechter terughoudend dient te zijn. Bestaat onzekerheid over de gestelde feiten, waardoor in de hoofdzaak nadere bewijslevering nodig kan zijn, dan zal de nationale rechter voor het rechtsmachtoordeel moeten uitgaan van de gestelde feiten. Alleen als zonder onderzoek evident is dat de gestelde feiten zich niet hebben voorgedaan, kan de nationale rechter die feiten (althans het ontbreken daarvan) meewegen in dat oordeel. […].” Zie ook A.A. Koeman & M.C.B. Beck in hun bespreking van het arrest (M&M 2025/3, p. 150, tweede kolom, bovenaan).
Ik meen dat op dit punt andere taalversies kunnen verhelderen wat is bedoeld. In zoverre begrijp ik het verzoek van MTB (nadere schriftelijke toelichting onder 6) om ook de andere taalversies te betrekken. In dit kader herinner ik er wel aan dat de Nederlandstalige versie de authentieke versie van het arrest is (artikel 41 Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie) en dat het Frans de werktaal is van het Hof. Aan de door Nederlandse auteurs veelvuldig geciteerde Engelse versie van HvJEU-arresten komt geen bijzondere betekenis toe. Doelmatiger is het daarom in geval van twijfel over de Nederlandse taalversie die eerst te vergelijken met de Franse taalversie en pas als dit onvoldoende duidelijkheid biedt ook met andere taalversies, zoals het Engels.
ECLI:EU:C:2025:243. Zie ook R.B. van Hees in punt 5 (in fine) van zijn noot (JOR 2025/149).
Zie in die zin de conclusie van A-G Kokott van 3 april 2025 (vindplaats in voetnoot 24), punt 81.
De punten 28 en 29 van het arrest waarnaar in punt 35 wordt verwezen zien op het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip.
Uitspraak 23‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Bevoegdheid, art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis en mededingingsrecht. Is Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van vordering jegens Griekse vennootschap wegens inbreuk op Europees en Grieks mededingingsrecht (misbruik machtspositie op Griekse biermarkt)? Hoofdelijke aansprakelijkheid (Nederlandse) moedervennootschap. Europees mededingingsrecht, vermoeden van beslissende invloed, HvJEU 12 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:379 (SEN/AGCM). Werkt dit mededingingsrechtelijke vermoeden door in beoordeling van het nauwe band-vereiste van art. 8, punt 1, Brussel I-bis en hoe verhoudt zich dat tot maatstaf geformuleerd in HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa) en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music)? Prejudiciële vragen aan HvJEU.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/02116
Datum 23 juni 2023
ARREST
In de zaak van
1. ATHENIAN BREWERY S.A.,
gevestigd te Aigaleo-Athene, Attica, Griekenland,
hierna: AB,
2. HEINEKEN N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: Heineken,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het (deels voorwaardelijke) incidentele
cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Heineken c.s.,
advocaat: W.H. van Hemel,
tegen
MACEDONIAN THRACE BREWERY S.A.,
gevestigd te Komotini, Griekenland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (deels voorwaardelijke) incidentele
cassatieberoep,
hierna: MTB,
advocaat: P.A. Fruytier.
1. Procesverloop
1.1
De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 21 april 2023 (ECLI:NL:HR:2023:660). In dat arrest heeft de Hoge Raad partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) en over de beoogde vragen van uitleg als in die uitspraak vermeld.
De advocaten van partijen hebben zich ieder schriftelijk uitgelaten over het hiervoor bedoelde voornemen en de beoogde vragen van uitleg.
1.2
De Hoge Raad ziet in de nadere uitlatingen van partijen geen aanleiding tot wijziging of aanvulling van de te stellen vragen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Wel heeft de Hoge Raad zelf aanleiding gezien tot aanvulling van 3.4 en 3.7.
2. Uitgangspunten en feiten
Opmerkingen vooraf
2.1
In deze zaak heeft MTB vorderingen ingesteld tegen Heineken en AB die strekken tot vaststelling van hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens MTB voor een schending op de Griekse biermarkt door AB van art. 102 VWEU en art. 2 van de Griekse mededingingswet. Deze schending is door de Griekse mededingingsautoriteit vastgesteld. Heineken hield gedurende de relevante periode indirect circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB. In deze cassatieprocedure gaat het om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis1.ten aanzien van de vordering tegen AB. Daarbij is de vraag aan de orde of het vermoeden van beslissende invloed van Heineken op AB ter zake van de betrokken economische activiteit, dat het HvJEU heeft aanvaard voor het materiële mededingingsrecht, doorwerkt in de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarde van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, en hoe in dit verband invulling moet worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc), en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music).
2.2
De Hoge Raad zal over de hiervoor in 2.1 genoemde problematiek prejudiciële vragen stellen aan het HvJEU.
Feiten
2.3
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) MTB is een in Griekenland gevestigde bierbrouwerij die actief is op de Griekse biermarkt.
(ii) AB is een in Griekenland gevestigde bierbrouwerij die in haar eigen productiefaciliteiten een aantal bier- en watermerken produceert, alsmede andere merken importeert, en deze vervolgens verkoopt en met gebruikmaking van haar eigen logistieke centra distribueert in Griekenland. Zij verkoopt ook bier onder het merk Heineken. AB maakt als operating company (ook ‘OpCo’ genoemd) deel uit van het Heineken-concern, een wereldwijd opererend concern dat uit honderden verschillende juridische entiteiten bestaat in meer dan zeventig landen.
(iii) Heineken is een in Nederland gevestigde beursgenoteerde (houdster)vennootschap die de strategie en doelstellingen van het Heineken-concern vaststelt. Zij heeft en had zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Heineken hield gedurende de in deze procedure relevante periode indirect – als (over)grootmoedervennootschap – circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB.
(iv) Bij beschikking van 19 september 2014 heeft de Griekse mededingingsautoriteit (Hellenic Competition Commission, hierna: HCC) geoordeeld dat AB haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014 door een beleid te voeren dat erop was gericht om concurrenten van de Griekse biermarkt uit te sluiten, en dat dit kwalificeert als één enkele voortdurende inbreuk op art. 102 VWEU en art. 2 van de Griekse mededingingswet.
(v) MTB heeft HCC verzocht Heineken in het onderzoek te betrekken. In haar beschikking van 19 september 2014 heeft HCC geschreven daarvoor geen aanleiding te zien. Ter toelichting schrijft HCC in haar beschikking onder meer:
“(…) there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (...)”
(vi) Het beroep van AB tegen de HCC-beschikking is in 2017 afgewezen. AB heeft daartegen bij de Griekse administratieve appelrechter hoger beroep ingesteld.
Procesverloop in feitelijke instanties
2.4
MTB vordert in dit geding verklaringen voor recht die ertoe strekken dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schending op de Griekse biermarkt van art. 102 VWEU dan wel art. 2 van de Griekse mededingingswet in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014, en hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de gehele als gevolg van die schending door MTB geleden schade.
2.5
Heineken c.s. hebben incidenteel gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen tegen AB kennis te nemen. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de vorderingen tegen AB.2.Volgens de rechtbank is zij op grond van de hoofdregel van art. 4 lid 1 Verordening Brussel I-bis bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken, nu deze woonplaats heeft in Amsterdam. Ten aanzien van AB bestaat naar het oordeel van de rechtbank echter geen bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, omdat niet is voldaan aan het uit die bepaling voortvloeiende vereiste dat tussen de vorderingen tegen Heineken en die tegen AB een nauwe band bestaat.
2.6
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen, en de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.3.Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.
De verwijten die aan Heineken worden gemaakt, zien louter op handelingen op de Griekse
markt, die MTB aanmerkt als misbruik van machtspositie. Aangaande dat feitelijk handelen
maakt MTB aan AB dezelfde verwijten als zij aan Heineken maakt. Zij baseert daarop haar
vorderingen, die jegens Heineken en AB gelijkluidend zijn. Tussen partijen staat vast dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op die markt. Over de handelingen van AB heeft de HCC reeds een oordeel gegeven. Die beschikking legt MTB aan haar verwijten ten grondslag. Dat betekent dat de positie van Heineken wat betreft de feiten in zoverre hetzelfde is als die van AB. (rov. 3.4)
Vast staat ook dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is en dat er een bepaalde centrale beleidsbepaling is, onder meer als het gaat om de internationale presentatie van het merk Heineken. Wel in geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB
één onderneming vormen in de zin van art. 102 VWEU. Het belang van dat geschil, en daarmee dus van het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken,
voor de thans voorliggende vraag is echter beperkt. De Nederlandse rechter zal bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken niet anders kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn. Als datzelfde handelen van AB en die HCC-beschikking aan de Griekse civiele rechter worden voorgelegd om te beslissen op de vorderingen van MTB jegens AB valt niet uit te sluiten dat deze komt tot een andere waardering dan de Nederlandse rechter die hoe dan ook dient te beslissen op de vorderingen van MTB jegens Heineken. Dan zou, in een geschil dat draait om de vraag of sprake is van overtreding van het Unierechtelijk verbod op misbruik van machtspositie, de situatie kunnen ontstaan dat het gedrag van AB volgens de ene rechter in de EU wel en volgens de andere niet in strijd is met dat verbod. Gelet op dat risico van onverenigbare beslissingen is in beginsel voldaan aan de eis van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting. (rov. 3.5-3.6)
Of de vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn, zal in de hoofdzaak moeten worden uitgemaakt. Alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden
geacht, kan het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van Verordening Brussel I-bis worden beschouwd. Dat geval doet zich hier niet voor. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. (rov 3.9)
Voor de Unierechtelijk relevante vraag of het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd, is van belang dat AB in Griekenland onder het Heineken-merk bier verkoopt en deel uitmaakt van het Heineken-concern. Het verwijt dat haar gemaakt wordt, is dat zij bij de verkoop van onder meer dat bier op die markt misbruik maakt van haar machtspositie. Dat dat verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor haar te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van dat concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen. (rov. 3.11)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel 1.1 van het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken niet anders zal kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC, en dat wanneer datzelfde handelen van AB en die HCC-beschikking aan de Griekse civiele rechter worden voorgelegd om te beslissen op de vorderingen van MTB jegens AB, niet valt uit te sluiten dat deze komt tot een andere waardering dan de Nederlandse rechter, zodat dan het risico van onverenigbare beslissingen bestaat. Het betoogt dat het hof bij de beoordeling van de vordering tegen Heineken niet aan een bepaalde volgorde gebonden was.
Onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van een nauwe band in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis erop neerkomt dat een in een bepaalde lidstaat gevestigde dochtermaatschappij die wordt beschuldigd van feitelijke handelingen op de markt van die staat die misbruik van machtspositie op die markt zouden opleveren, steeds kan worden gedaagd voor de rechter van een andere lidstaat waarin haar moedervennootschap is gevestigd op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat de dochtervennootschap en de moedermaatschappij beide deel uitmaken van één onderneming. Die opvatting is niet alleen strijdig met de op de rechter rustende verplichting uit (onder meer) het Kolassa-arrest4., maar zou ook de toets aan de vereisten van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis uithollen. Dat zou temeer onaanvaardbaar zijn gelet op het feit dat deze bepaling – als bijzondere bevoegdheidsregel – eng moet worden uitgelegd. In elk geval is het hof in onvoldoende mate ingegaan op de gemotiveerde betwisting van de stelling van MTB dat Heineken en AB als één onderneming kunnen worden aangemerkt omdat Heineken beslissende invloed heeft gehad op het gedrag van AB, aldus het onderdeel.
Art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis
3.2
Op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis kan een verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één verweerder is, worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
De door het HvJEU verstrekte uitleg van de voorlopers van deze bepaling, art. 6, punt 1, EEX-Verdrag5.en art. 6, punt 1, Verordening Brussel I6., geldt ook voor art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis.7.De bevoegdheidsregel van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.8.Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (art. 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.9.Uit de rechtspraak van het HvJEU blijkt in dit verband dat beslissingen niet reeds onverenigbaar kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil; daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.10.
3.3
Het HvJEU heeft in de arresten Kolassa en Universal Music ten aanzien van Verordening Brussel I geoordeeld dat het gerecht waarbij een geschil aanhangig is gemaakt, in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking moet nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid echter geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn.11.
Europees mededingingsrecht
3.4
De onderhavige zaak heeft betrekking op de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht (art. 101 en 102 VWEU). Volgens de rechtspraak van het HvJEU, die zowel de publiekrechtelijke als de privaatrechtelijke handhaving betreft12., kunnen juridisch verschillende entiteiten voor één mededingingsrechtelijke inbreuk worden aangesproken wanneer deze entiteiten één onderneming vormen, welk begrip in deze context duidt op een economische eenheid. Een moedermaatschappij vormt slechts een en dezelfde onderneming met haar dochteronderneming wanneer zij toezicht uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, hetgeen kan worden bewezen door aan te tonen dat de moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om een beslissende invloed op het gedrag van de dochteronderneming uit te oefenen en dat zij die invloed bovendien daadwerkelijk heeft uitgeoefend, dan wel dat die dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten. Deze beslissende invloed wordt vermoed aanwezig te zijn als de moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal bezit van de dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Europese Unie heeft gemaakt (hierna ook: het vermoeden van beslissende invloed). Dit vermoeden kan evenwel worden weerlegd door aan te tonen dat de moedermaatschappij, in weerwil van het feit dat zij het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van de dochtervennootschap in handen had toen de praktijk gaande was, geen instructies heeft gegeven aan de dochtervennootschap, en evenmin direct of indirect, met name via benoemde bestuurders, betrokken was bij de besluitvorming van die dochtervennootschap in verband met de betrokken economische activiteit.13.Het feit dat het moeilijk is om het tegenbewijs te leveren dat voor de weerlegging van het vermoeden van beslissende invloed noodzakelijk is, impliceert op zich niet dat het vermoeden de facto onweerlegbaar is.14.
Aanleiding tot vraagstelling
3.5
Het HvJEU heeft zich over de bevoegdheid op grond van – toen – art. 6, punt 1, Verordening Brussel I in de context van het mededingingsrecht uitgelaten in de zaak CDC/Akzo. In die zaak oordeelde het HvJEU dat sprake was van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, omdat de betrokken ondernemingen op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen hadden deelgenomen aan één voortdurende, in een beschikking van de Europese Commissie vastgestelde inbreuk op het in het recht van de Europese Unie voorziene kartelverbod. Volgens het HvJEU was voor hen voorzienbaar dat zij zouden worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats had, nu zij volgens de beslissing van de Europese Commissie aan één inbreuk hadden deelgenomen en daarmee hun aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van die inbreuk was vastgesteld.15.
3.6
Het onderhavige geval verschilt, voor zover hier van belang, van het geval dat aan de orde was in de zaak CDC/Akzo, doordat de gestelde schending van het mededingingsrecht niet door de Europese Commissie is vastgesteld, maar door de Griekse mededingingsautoriteit, en uitsluitend ten aanzien van dochtervennootschap AB (zie hiervoor in 2.3 onder (v)). Vast staat dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op de Griekse biermarkt (rov. 3.4 van het bestreden arrest). De vordering tegen Heineken berust op de stelling van MTB dat Heineken en AB in de periode waarin de schending van art. 102 VWEU door AB plaatsvond, één onderneming vormden, doordat Heineken beslissende invloed uitoefende op de betrokken economische activiteit van AB, en dat zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk is voor de gestelde schending. De nauwe band als bedoeld in art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis kan daarom uitsluitend worden gebaseerd op de gestelde beslissende invloed. Indien, zoals in dit geval, de verweerder de stellingen van de eiser op dat punt gemotiveerd betwist, rijst de vraag of de rechter ook in het kader van de beoordeling, overeenkomstig de maatstaf vermeld in de arresten Kolassa en Universal Music, van zijn bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis moet uitgaan van het hiervoor in 3.4 vermelde vermoeden van beslissende invloed, ingeval de moedervennootschap direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van de dochtervennootschap bezit. Bij bevestigende beantwoording zal de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap zijn bevoegdheid ten aanzien van de vordering tegen de buitenlandse dochtervennootschap moeten aannemen, tenzij laatstgenoemde het vermoeden op voorhand (zonder nadere bewijslevering) weet te ontkrachten. Wanneer de rechter in het kader van de beoordeling van zijn bevoegdheid niet mag uitgaan van het vermoeden, dient hij daarentegen op basis van de stellingen en verweren van partijen daaromtrent (zonder nadere bewijslevering) te onderzoeken of er voldoende aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat de moedervennootschap beslissende invloed heeft gehad op de betrokken economische activiteit van de dochtervennootschap.
3.7
Over het antwoord op de hiervoor in 3.6 genoemde vraag is redelijke twijfel mogelijk. Enerzijds dient het door het HvJEU aanvaarde vermoeden van beslissende invloed ertoe de handhaving van het Europese mededingingsrecht in volle omvang te verwezenlijken en is het moeilijk om het tegenbewijs te leveren dat voor de weerlegging van het vermoeden van beslissende invloed noodzakelijk is.16.Anderzijds heeft Verordening Brussel I-bis eigen doelstellingen en moet zij in het licht daarvan worden uitgelegd. In dat verband is van belang dat, zoals hiervoor in 3.2 is vermeld, art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis eng moet worden uitgelegd, in die zin dat die uitleg zich enkel mag uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen, omdat zij afwijkt van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is. Bevestigende beantwoording van de bedoelde vraag zal in de meeste gevallen ertoe leiden dat in internationale concernverhoudingen rechtspersonen, ongeacht in welke lidstaat zij zijn gevestigd en in welk land de betrokken economische activiteit heeft plaatsgevonden, wegens een gestelde schending van het mededingingsrecht kunnen worden gedaagd voor de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon die direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal bezit. De bijzondere bevoegdheidsgrond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis zou aldus voor het mededingingsrecht een groot toepassingsbereik kunnen krijgen.
In de Nederlandse rechtspraak wordt uiteenlopend geoordeeld over de juiste uitleg van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis in dit verband.17.
De Hoge Raad zal hierover daarom prejudiciële vragen aan het HvJEU voorleggen.
Behandeling van de overige klachten
3.8
Ook de behandeling van de overige klachten van het middel in het principale beroep en van het middel in het (deels) voorwaardelijke incidentele beroep, zal worden aangehouden.
4. Omschrijving van de uitgangspunten en feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast
De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 2.3-2.6 vermelde uitgangspunten en feiten, waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan.
5. Vragen van uitleg
1. Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten Kolassa en Universal Music? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?
6. Beslissing
- de Hoge Raad verzoekt het HvJEU over de hiervoor onder 5 geformuleerde vragen uitspraak te doen;
- houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding tot het HvJEU naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 23 juni 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑06‑2023
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
Rechtbank Amsterdam 9 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3203.
Gerechtshof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:509.
HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc).
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel, 27 september 1968, Trb. 1969, 101, PbEG 1998, C 27/1.
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.
Vgl. HvJEU 16 november 2016, zaak C-417/15, ECLI:EU:C:2016:881 (Schmidt), punt 26.
HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 61.
HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 63.
Zie onder meer HvJEU 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus), punt 26, HvJEU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer), punt 79, HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 20 en HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 65.
HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc), punt 64 en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music), punt 45-46.
Zie onder meer HvJEU 14 maart 2019, zaak C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska), punt 28-47 en HvJEU 6 oktober 2021, zaak C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal), punt 32-44.
Zie onder meer HvJEU 12 mei 2022, zaak C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379 (SEN/AGCM), punt 105-112.
Vgl. HvJEU 15 april 2021, zaak C-694/19 P, ECLI:EU:C:2021:286 (Italmobiliare), punt 58 en de conclusie van de Advocaat-Generaal voor het arrest SEN/AGCM, punt 159-160.
HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 21-25 en 33.
Vgl. HvJEU 15 april 2021, zaak C-694/19 P, ECLI:EU:C:2021:286 (Italmobiliare), punt 58 en de conclusie van de Advocaat-Generaal voor het arrest SEN/AGCM, punt 159-160.
Zie ook de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 25 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:957 en ECLI:NL:GHAMS:2023:961, waarin het voornemen is geuit om prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen over deze problematiek.
Uitspraak 21‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Bevoegdheid, art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis en mededingingsrecht. Is Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van vordering jegens Griekse vennootschap wegens inbreuk op Europees en Grieks mededingingsrecht (misbruik machtspositie op Griekse biermarkt)? Hoofdelijke aansprakelijkheid (Nederlandse) moedervennootschap. Europees mededingingsrecht, vermoeden van beslissende invloed, HvJEU 12 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:379 (SEN/AGCM). Werkt dit mededingingsrechtelijke vermoeden door in beoordeling van het nauwe band-vereiste van art. 8, punt 1, Brussel I-bis en hoe verhoudt zich dat tot maatstaf geformuleerd in HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa) en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music)? Voornemen tot prejudiciële vragen aan HvJEU.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/02116
Datum 21 april 2023
ARREST
In de zaak van
1. ATHENIAN BREWERY S.A.,gevestigd te Aigaleo-Athene, Attica, Griekenland,
hierna: AB,
2. HEINEKEN N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: Heineken,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Heineken c.s.,
advocaat: W.H. van Hemel,
tegen
MACEDONIAN THRACE BREWERY S.A.,gevestigd te Komotini, Griekenland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: MTB,
advocaat: P.A. Fruytier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/13/626096 / HA ZA 17-321 van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2018;
de arresten in de zaak 200.247.349/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2021 en 18 mei 2021.
Heineken c.s. hebben tegen het arrest van het hof van 16 februari 2021 beroep in cassatie ingesteld.
MTB heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Heineken c.s. mede door J.S. Kortmann en A. van Vugt.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
Opmerkingen vooraf
2.1
In deze zaak heeft MTB vorderingen ingesteld tegen Heineken en AB die strekken tot vaststelling van hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens MTB voor een schending op de Griekse biermarkt door AB van art. 102 VWEU en art. 2 van de Griekse mededingingswet. Deze schending is door de Griekse mededingingsautoriteit vastgesteld. Heineken hield gedurende de relevante periode indirect circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de vordering tegen Heineken op grond van art. 4 lid 1 Verordening Brussel I-bis.1.In deze cassatieprocedure gaat het om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de vordering tegen AB. Daarbij is de vraag aan de orde of het vermoeden van beslissende invloed van Heineken op AB ter zake van de betrokken economische activiteit, dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft aanvaard voor het materiële mededingingsrecht, doorwerkt in de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarde van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, en hoe in dit verband invulling moet worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc), en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music).
2.2
Dit tussenarrest dient ertoe partijen gelegenheid te bieden zich uit te laten over het stellen van prejudiciële vragen en over de te stellen prejudiciële vragen.
Feiten
2.3
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) MTB is een Griekse bierbrouwerij die actief is op de Griekse biermarkt.
(ii) AB is een Griekse bierbrouwerij die in haar eigen productiefaciliteiten een aantal bier- en watermerken produceert, alsmede andere merken importeert, en deze vervolgens verkoopt en met gebruikmaking van haar eigen logistieke centra distribueert in Griekenland. Zij verkoopt ook bier onder het merk Heineken. AB maakt als operating company (ook ‘OpCo’ genoemd) deel uit van het Heineken-concern, een wereldwijd opererend concern dat uit honderden verschillende juridische entiteiten bestaat in meer dan zeventig landen.
(iii) Heineken is een beursgenoteerde (houdster)vennootschap die de strategie en doelstellingen van het Heineken-concern vaststelt. Zij heeft en had zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Heineken hield gedurende de in deze procedure relevante periode indirect – als (over)grootmoedervennootschap – circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB.
(iv) Bij beschikking van 19 september 2014 heeft de Griekse mededingingsautoriteit (Hellenic Competition Commission, hierna: HCC) geoordeeld dat AB haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014 door een beleid te voeren dat erop was gericht om concurrenten van de Griekse biermarkt uit te sluiten, en dat dit kwalificeert als één enkele voortdurende inbreuk op art. 102 VWEU en art. 2 van de Griekse mededingingswet.
( v) MTB heeft HCC verzocht Heineken in het onderzoek te betrekken. In haar beschikking van 19 september 2014 heeft HCC geschreven daarvoor geen aanleiding te zien. Ter toelichting schrijft HCC in haar beschikking onder meer:
“(…) there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (...)”
(vi) Het beroep van AB tegen de HCC-beschikking is in 2017 afgewezen. AB heeft daartegen bij de Griekse administratieve appelrechter hoger beroep ingesteld.
Procesverloop
2.4
MTB vordert in dit geding verklaringen voor recht die ertoe strekken dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schending op de Griekse biermarkt van art. 102 VWEU dan wel art. 2 van de Griekse mededingingswet in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014, en hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de gehele als gevolg van die schending door MTB geleden schade.
2.5
Heineken c.s. hebben incidenteel gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen tegen AB kennis te nemen. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de vorderingen tegen AB.2.Volgens de rechtbank is zij op grond van de hoofdregel van art. 4 lid 1 Verordening Brussel I-bis bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken, nu deze woonplaats heeft in Amsterdam. Ten aanzien van AB bestaat naar het oordeel van de rechtbank echter geen bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, omdat niet is voldaan aan het uit die bepaling voortvloeiende vereiste dat tussen de vorderingen tegen Heineken en die tegen AB een nauwe band bestaat.
2.6
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen, en de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.3.Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.
De verwijten die aan Heineken worden gemaakt, zien louter op handelingen op de Griekse markt, die MTB aanmerkt als misbruik van machtspositie. Aangaande dat feitelijk handelen maakt MTB aan AB dezelfde verwijten als zij aan Heineken maakt. Zij baseert daarop haar vorderingen, die jegens Heineken en AB gelijkluidend zijn. Tussen partijen staat vast dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op die markt. Over de handelingen van AB heeft de HCC reeds een oordeel gegeven. Die beschikking legt MTB aan haar verwijten ten grondslag. Dat betekent dat de positie van Heineken wat betreft de feiten in zoverre hetzelfde is als die van AB. (rov. 3.4)
Vast staat ook dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is en dat er een bepaalde centrale beleidsbepaling is, onder meer als het gaat om de internationale presentatie van het merk Heineken. Wel in geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming vormen in de zin van art. 102 VWEU. Het belang van dat geschil, en daarmee dus van het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken, voor de thans voorliggende vraag is echter beperkt. De Nederlandse rechter zal bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken niet anders kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn. Als datzelfde handelen van AB en die HCC-beschikking aan de Griekse civiele rechter worden voorgelegd om te beslissen op de vorderingen van MTB jegens AB valt niet uit te sluiten dat deze komt tot een andere waardering dan de Nederlandse rechter die hoe dan ook dient te beslissen op de vorderingen van MTB jegens Heineken. Dan zou, in een geschil dat draait om de vraag of sprake is van overtreding van het Unierechtelijk verbod op misbruik van machtspositie, de situatie kunnen ontstaan dat het gedrag van AB volgens de ene rechter in de EU wel en volgens de andere niet in strijd is met dat verbod. Gelet op dat risico van onverenigbare beslissingen is in beginsel voldaan aan de eis van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting. (rov. 3.5-3.6)
Of de vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn, zal in de hoofdzaak moeten worden uitgemaakt. Alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht, kan het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van Verordening Brussel I-bis worden beschouwd. Dat geval doet zich hier niet voor. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. (rov 3.9)
Voor de Unierechtelijk relevante vraag of het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd, is van belang dat AB in Griekenland onder het Heineken-merk bier verkoopt en deel uitmaakt van het Heineken-concern. Het verwijt dat haar gemaakt wordt, is dat zij bij de verkoop van onder meer dat bier op die markt misbruik maakt van haar machtspositie. Dat dat verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor haar te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van dat concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen. (rov. 3.11)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel 1.1 van het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken niet anders zal kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC, en dat wanneer datzelfde handelen van AB en die HCC-beschikking aan de Griekse civiele rechter worden voorgelegd om te beslissen op de vorderingen van MTB jegens AB, niet valt uit te sluiten dat deze komt tot een andere waardering dan de Nederlandse rechter, zodat dan het risico van onverenigbare beslissingen bestaat. Het betoogt dat het hof bij de beoordeling van de vordering tegen Heineken niet aan een bepaalde volgorde gebonden was.
Onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van een nauwe band in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis erop neerkomt dat een in een bepaalde lidstaat gevestigde dochtermaatschappij die wordt beschuldigd van feitelijke handelingen op de markt van die staat die misbruik van machtspositie op die markt zouden opleveren, steeds kan worden gedaagd voor de rechter van een andere lidstaat waarin haar moedervennootschap is gevestigd op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat de dochtervennootschap en de moedermaatschappij beide deel uitmaken van één onderneming. Die opvatting is niet alleen strijdig met de op de rechter rustende verplichting uit (onder meer) het Kolassa-arrest4., maar zou ook de toets aan de vereisten van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis uithollen. Dat zou temeer onaanvaardbaar zijn gelet op het feit dat deze bepaling – als bijzondere bevoegdheidsregel – eng moet worden uitgelegd. In elk geval is het hof in onvoldoende mate ingegaan op de gemotiveerde betwisting van de stelling van MTB dat Heineken en AB als één onderneming kunnen worden aangemerkt omdat Heineken beslissende invloed heeft gehad op het gedrag van AB, aldus het onderdeel.
Art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis
3.2
Op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis kan een verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één verweerder is, worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
De door het HvJEU verstrekte uitleg van de voorlopers van deze bepaling, art. 6, punt 1, EEX-Verdrag5.en art. 6, punt 1, Verordening Brussel I6., geldt ook voor art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis.7.De bevoegdheidsregel van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.8.Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (art. 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.9.Uit de rechtspraak van het HvJEU blijkt in dit verband dat beslissingen niet reeds onverenigbaar kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil; daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.10.
3.3
Het HvJEU heeft in de arresten Kolassa en Universal Music ten aanzien van Verordening Brussel I geoordeeld dat het gerecht waarbij een geschil aanhangig is gemaakt, in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking moet nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid echter geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn.11.
Europees mededingingsrecht
3.4
De onderhavige zaak heeft betrekking op de privaatrechtelijke handhaving van het Europese mededingingsrecht. Volgens de rechtspraak van het HvJEU kunnen juridisch verschillende entiteiten voor één mededingingsrechtelijke inbreuk worden aangesproken wanneer deze entiteiten één onderneming vormen, welk begrip in deze context duidt op een economische eenheid. Een moedermaatschappij vormt slechts een en dezelfde onderneming met haar dochteronderneming wanneer zij toezicht uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, hetgeen kan worden bewezen door aan te tonen dat de moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om een beslissende invloed op het gedrag van de dochteronderneming uit te oefenen en dat zij die invloed bovendien daadwerkelijk heeft uitgeoefend, dan wel dat die dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten. Deze beslissende invloed wordt vermoed aanwezig te zijn als de moedermaatschappij direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal bezit van de dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Europese Unie heeft gemaakt (hierna ook: het vermoeden van beslissende invloed). Dit vermoeden kan evenwel worden weerlegd door aan te tonen dat de moedermaatschappij, in weerwil van het feit dat zij het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van de dochtervennootschap in handen had toen de praktijk gaande was, geen instructies heeft gegeven aan de dochtervennootschap, en evenmin direct of indirect, met name via benoemde bestuurders, betrokken was bij de besluitvorming van die dochtervennootschap in verband met de betrokken economische activiteit.12.Het feit dat het moeilijk is om het tegenbewijs te leveren dat voor de weerlegging van het vermoeden van beslissende invloed noodzakelijk is, impliceert op zich niet dat het vermoeden de facto onweerlegbaar is.13.
Aanleiding tot vraagstelling
3.5
Het HvJEU heeft zich over de bevoegdheid op grond van – toen – art. 6, punt 1, Verordening Brussel I in de context van het mededingingsrecht uitgelaten in de zaak CDC/Akzo. In die zaak oordeelde het HvJEU dat sprake was van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, omdat de betrokken ondernemingen op verschillende plaatsen en op verschillende tijdstippen hadden deelgenomen aan één voortdurende, in een beschikking van de Europese Commissie vastgestelde inbreuk op het in het recht van de Europese Unie voorziene kartelverbod. Volgens het HvJEU was voor hen voorzienbaar dat zij zouden worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats had, nu zij volgens de beslissing van de Europese Commissie aan één inbreuk hadden deelgenomen en daarmee hun aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van die inbreuk was vastgesteld.14.
3.6
Het onderhavige geval verschilt, voor zover hier van belang, van het geval dat aan de orde was in de zaak CDC/Akzo, doordat de gestelde schending van het mededingingsrecht niet door de Europese Commissie is vastgesteld, maar door de Griekse mededingingsautoriteit, en uitsluitend ten aanzien van dochtervennootschap AB (zie hiervoor in 2.3 onder (v)). Vast staat dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op de Griekse biermarkt (rov. 3.4 van het bestreden arrest). De vordering tegen Heineken berust op de stelling van MTB dat Heineken en AB in de periode waarin de schending van art. 102 VWEU door AB plaatsvond, één onderneming vormden, doordat Heineken beslissende invloed uitoefende op de betrokken economische activiteit van AB, en dat zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk is voor de gestelde schending. De nauwe band als bedoeld in art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis kan daarom uitsluitend worden gebaseerd op de gestelde beslissende invloed. Indien, zoals in dit geval, de verweerder de stellingen van de eiser op dat punt gemotiveerd betwist, rijst de vraag of de rechter ook in het kader van de beoordeling, overeenkomstig de maatstaf vermeld in de arresten Kolassa en Universal Music, van zijn bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis moet uitgaan van het hiervoor in 3.4 vermelde vermoeden van beslissende invloed, ingeval de moedervennootschap direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van de dochtervennootschap bezit. Bij bevestigende beantwoording zal de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap zijn bevoegdheid ten aanzien van de vordering tegen de buitenlandse dochtervennootschap moeten aannemen, tenzij laatstgenoemde het vermoeden op voorhand (zonder nadere bewijslevering) weet te ontkrachten. Wanneer de rechter in het kader van de beoordeling van zijn bevoegdheid niet mag uitgaan van het vermoeden, dient hij daarentegen op basis van de stellingen en verweren van partijen daaromtrent (zonder nadere bewijslevering) te onderzoeken of er voldoende aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat de moedervennootschap beslissende invloed heeft gehad op de betrokken economische activiteit van de dochtervennootschap.
3.7
Over het antwoord op de hiervoor in 3.6 genoemde vraag is redelijke twijfel mogelijk. Enerzijds dient het door het HvJEU aanvaarde vermoeden van beslissende invloed ertoe de handhaving van het Europese mededingingsrecht in volle omvang te verwezenlijken en is het moeilijk om het tegenbewijs te leveren dat voor de weerlegging van het vermoeden van beslissende invloed noodzakelijk is.15.Anderzijds heeft Verordening Brussel I-bis eigen doelstellingen en moet zij in het licht daarvan worden uitgelegd. In dat verband is van belang dat, zoals hiervoor in 3.2 is vermeld, art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis eng moet worden uitgelegd, in die zin dat die uitleg zich enkel mag uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen, omdat zij afwijkt van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is. Bevestigende beantwoording van de bedoelde vraag zal in de meeste gevallen ertoe leiden dat in internationale concernverhoudingen rechtspersonen, ongeacht in welke lidstaat zij zijn gevestigd en in welk land de betrokken economische activiteit heeft plaatsgevonden, wegens een gestelde schending van het mededingingsrecht kunnen worden gedaagd voor de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon die direct of indirect het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal bezit. De bijzondere bevoegdheidsgrond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis zou aldus voor het mededingingsrecht een groot toepassingsbereik kunnen krijgen.
In de Nederlandse rechtspraak wordt uiteenlopend geoordeeld over de juiste uitleg van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis in dit verband.
De Hoge Raad heeft daarom het voornemen hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU voor te leggen.
Behandeling van de overige klachten
3.8
Ook de behandeling van de overige klachten van het middel in het principale beroep en van het middel in het (deels) voorwaardelijke incidentele beroep, zal worden aangehouden.
4. Omschrijving van de uitgangspunten en feiten waarop de door het HvJEU te geven uitleg moet worden toegepast
De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor in 2.3-2.6 vermelde uitgangspunten en feiten, waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan.
5. Vragen van uitleg
1. Moet in een geval als aan de orde in dit geding, de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap, bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap, in het kader van het vereiste van de nauwe band als in die bepaling bedoeld, uitgaan van het voor het materiële mededingingsrecht aanvaarde vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap die onderwerp is van het geding?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moet in dit verband dan invulling worden gegeven aan de maatstaf geformuleerd in de arresten Kolassa en Universal Music? Is in dat geval, bij betwisting van beslissende invloed van de moedervennootschap ten aanzien van de economische activiteit van de dochtervennootschap, voor het aannemen van bevoegdheid op de voet van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis ten aanzien van de betrokken dochtervennootschap voldoende dat niet op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat van die beslissende invloed sprake is geweest?
6. Uitlating partijen
De Hoge Raad zal de zaak naar de rol verwijzen opdat partijen zich kunnen uitlaten over het voornemen van de Hoge Raad in dit geding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU en over de hiervoor onder 5 geformuleerde vragen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rol van 26 mei 2023 voor de hiervoor onder 6 bedoelde uitlating van partijen.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 21 april 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑04‑2023
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
Rechtbank Amsterdam 9 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3203.
Gerechtshof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:509.
HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc).
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel, 27 september 1968, Trb. 1969, 101, PbEG 1998, C 27/1.
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.
Vgl. HvJEU 16 november 2016, zaak C-417/15, ECLI:EU:C:2016:881 (Schmidt), punt 26.
HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 61.
HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 63.
Zie onder meer HvJEU 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus), punt 26, HvJEU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer), punt 79, HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 20 en HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 65.
HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc), punt 64 en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music), punt 45-46.
Zie onder meer HvJEU 12 mei 2022, zaak C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379 (SEN/AGCM), punt 105-112.
Vgl. HvJEU 15 april 2021, zaak C-694/19 P, ECLI:EU:C:2021:286 (Italmobiliare), punt 58 en de conclusie van de Advocaat-Generaal voor het arrest SEN/AGCM, punt 159-160.
HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 21-25 en 33.
Vgl. HvJEU 15 april 2021, zaak C-694/19 P, ECLI:EU:C:2021:286, punt 58 en de conclusie van de Advocaat-Generaal voor het arrest SEN/AGCM, punt 159-160.
Conclusie 08‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Europees recht. Internationaal privaatrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter; pluraliteit van verweerders (art. 8 lid 1 EEX-Vo); beschikking Griekse mededingingsautoriteit; Nederlandse ankergedaagde; mededingingsrechtelijk begrip ‘onderneming’; arrest Sumal (HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02116
Zitting 8 juli 2022
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. Athenian Breweries S.A.,
2. Heineken N.V.,
eiseressen tot cassatie, verweersters in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. W.H. van Hemel,
tegen
Macedonian Thrace Brewery S.A.,
verweerster in cassatie, eiseres in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. P.A. Fruytier.
Eiseressen tot cassatie worden hierna aangeduid als AB en Heineken en samen als Heineken c.s.. Verweerster in cassatie wordt aangeduid als MTB.
1. Inleiding
1.1
Deze zaak betreft een bevoegdheidsincident. De Griekse bierbrouwerij MTB heeft de eveneens Griekse bierbrouwerij AB gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam wegens schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van mededingingsverstorende gedragingen van AB op de Griekse biermarkt. MTB heeft tevens Heineken gedagvaard, de holdingmaatschappij van AB. MTB stelt dat Heineken en AB in mededingingsrechtelijke zin tot dezelfde onderneming behoren die de inbreuk heeft gepleegd. MTB stelt dat Heineken daarom tegenover haar hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die volgens haar door genoemde inbreuk is veroorzaakt.
1.2
Niet in geschil is dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken. Heineken is immers in Amsterdam gevestigd. Wel in geschil is of de rechtbank op grond van Verordening 1215/2012,1.hierna aan te duiden als Brussel I-bis, bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB. De rechtbank oordeelde van niet en heeft zich in zoverre onbevoegd verklaard. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de rechtbank op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis wél bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB, omdat tussen die vorderingen en de vorderingen van MTB tegen Heineken een nauwe samenhang bestaat. Ik meen dat dit oordeel juist is.
1.3
Deze zaak raakt aan een bredere discussie, namelijk in hoeverre de uitleg van het begrip ‘onderneming’ uit het Europese mededingingsrecht doorwerkt in de geharmoniseerde bevoegdheidsregels van internationaal privaatrecht. Aanleiding voor dit debat is recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU of Hof), waarin is uitgemaakt dat het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip niet alleen van toepassing is op de publiekrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht door mededingingsautoriteiten, maar ook op de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht bij de burgerlijke rechter door partijen die stellen schade te hebben geleden als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht.2.
1.4
Mede gezien het grote aantal kartelschadezaken dat loopt bij Nederlandse gerechten zal ik in par. 4 van deze conclusie toelichten in hoeverre het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ kan doorwerken in de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis. De meeste van deze procedures betreffen vorderingen tot schadevergoeding nadat de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een kartel tussen ondernemingen uit verschillende landen heeft vastgesteld (zogenoemde follow on-acties). De aangezochte rechter kan, als er verschillende gedaagden zijn waarvan er ten minste één in Nederland is gevestigd, ten aanzien van elk van de gedaagden internationale bevoegdheid ontlenen aan art. 8 lid 1 Brussel I-bis (en aan het equivalent daarvan, art. 7 lid 1 Rv, voor zover gedaagden woonplaats hebben buiten de Europese Unie).
1.5
Deze zaak wijkt in feitelijk opzicht nogal af van de meeste follow on-acties bij Nederlandse gerechten:
i) het betreft vorderingen wegens misbruik van machtspositie door één onderneming, niet vorderingen tegen diverse ondernemingen wegens deelname aan een kartel;
ii) deze vorderingen volgen op de vaststelling van een inbreuk door een nationale mededingingsautoriteit, niet op een boetebesluit van de Commissie;
iii) de inbreukmaker is gedagvaard in het forum van de topholding, en niet omgekeerd;
iv) de eiser is hier een concurrent die stelt inkomsten te zijn misgelopen, en niet een afnemer die stelt een prijsopslag te hebben betaald.
Voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, maakt het echter in beginsel niet uit dat deze zaak in genoemde opzichten afwijkt van de stereotype follow on-acties.
2. Feiten
2.1
In cassatie staan de volgende feiten vast.3.
2.2
MTB is een Griekse bierbrouwerij, die actief is op de Griekse biermarkt.
2.3
AB is een Griekse bierbrouwerij die in haar eigen productiefaciliteiten een aantal bier- en watermerken produceert, alsmede andere merken importeert, en deze vervolgens verkoopt en – met gebruikmaking van haar eigen logistieke centra – distribueert in Griekenland. Zij verkoopt ook bier onder het merk Heineken. AB maakt als operating company deel uit van het Heineken-concern, een wereldwijd opererend concern dat uit honderden verschillende juridische entiteiten bestaat in meer dan 70 landen.
2.4
Heineken is een beursgenoteerde houdstervennootschap die de strategie en doelstellingen van het Heineken-concern vaststelt. Zij heeft en had zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Heineken hield gedurende de in deze procedure relevante periode indirect – als (over)grootmoedervennootschap – circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB.
2.5
Op 4 juli 2001 is de Griekse mededingingsautoriteit, in de gedingstukken aangeduid onder de Engelstalige benaming Hellenic Competition Commission (hierna: HCC), ambtshalve een onderzoek gestart naar het algemene handelsbeleid van AB. De HCC heeft bij beschikking van 19 september 2014 geoordeeld dat AB een economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft en die positie heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014, door een beleid te voeren dat erop was gericht om concurrenten van de Griekse biermarkt uit te sluiten, welk gedrag is aan te merken als één enkele voortdurende inbreuk op art. 102 VWEU en het nationale equivalent daarvan, art. 2 van de Griekse Mededingingswet (in het Engels afgekort als GCA).
2.6
MTB heeft HCC verzocht Heineken in het onderzoek te betrekken. De HCC-beschikking vermeldt hierover in de Engelse vertaling (waarvan de juistheid niet in het geding is):
“(..) Submission of Macedonian Thrace Brewery for imputation of liability on the parent company
86 In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB, and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, (..)
88 In the case at hand, the Commission, acting in the context of its discretionary powers and having due regard to all contents of the case file and all facts of the case, held unanimously that there is no evidence or sufficient indications, nor any superior reasons of effectiveness justifying further investigation in that direction. (..)
89 In particular, without disregarding the ability to impute liability on the parent company for an infringement committed by its subsidiary, according to the relevant EU case-law, it is in any case imperative that all conditions imposing such liability based on the principle of proportionality be duly met. Accordingly, such discretion has been exercised by the national competition authorities up to now very scrupulously, and only in special cases. As already mentioned, there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (...)”
2.7
Het beroep van AB tegen de HCC-beschikking is in 2017 door de Griekse bestuursrechter ongegrond verklaard, zij het dat de boete is verlaagd. AB heeft hoger beroep ingesteld. Bij de Griekse Raad van State.4.
3. Procesverloop
3.1
Bij dagvaarding van 23 februari 2017 heeft MTB bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) gevorderd om voor recht te verklaren dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een inbreuk op art. 102 VWEU dan wel art. 2 GCA op de Griekse biermarkt in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014. MTB heeft tevens de volledige vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van die inbreuk(en) gevorderd. Zij legt aan haar vorderingen ten grondslag dat uit de HCC-beschikking blijkt dat AB misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie op de Griekse biermarkt(en) door concurrenten uit te sluiten van die markt (onder andere door afneempunten exclusief aan zich te binden). Volgens MTB vormen Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vanwege de beslissende invloed die Heineken op AB uitoefent, zodat ook Heineken onrechtmatig heeft gehandeld en samen met AB hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die MTB ten gevolge van deze schending van het mededingingsrecht heeft geleden.
3.2
Heineken c.s. hebben in incident gevorderd, primair, dat de rechtbank i) zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen tegen AB en ii) de vorderingen tegen Heineken afwijst, dan wel, subsidiair, de hoofdzaak aanhoudt totdat de HCC-beschikking onherroepelijk is geworden of nietig is verklaard, dan wel, meer subsidiair, een afwijkende procesorde bepaalt waarbij eerst een conclusiewisseling en een beoordeling van het door Heineken c.s. te voeren verjaringsverweer zal plaatsvinden. Heineken c.s. leggen aan hun primaire incidentele vordering ten grondslag dat Heineken en AB zich feitelijk en rechtens in een verschillende situatie bevinden en het voor AB in het geheel niet voorzienbaar was dat MTB haar zou oproepen voor de rechtbank Amsterdam. Daar komt bij dat de constructie van een niet-bestaande vordering tegen Heineken misbruik van (proces)bevoegdheid oplevert, omdat de vordering enkel is ingesteld om een forum te creëren. MTB heeft in het incident gemotiveerd verweer gevoerd.
3.3
Bij vonnis van 9 mei 2018 heeft de rechtbank in het bevoegdheidsincident de primaire vordering onder i) toegewezen en de overige vorderingen afgewezen. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken in de hoofdzaak, maar dat in het incident geen beslissing over materiële punten kan worden genomen (rov. 4.2-4.3). Volgens de rechtbank heeft MTB haar stelling dat tussen de ingestelde vorderingen tegen Heineken en AB een nauwe band in de zin van art. 8 lid 1 Brussel I-bis bestaat onvoldoende met concrete feiten onderbouwd (rov. 4.9). MTB heeft in dat kader niet aangetoond dat Heineken heeft meegewerkt of deelgenomen aan de gestelde mededingingsinbreuk door AB of dat Heineken die gedragingen heeft bepaald (rov. 4.10 en 4.13) en evenmin dat Heineken wist van het gedrag van AB en heeft verzuimd in te grijpen (rov. 4.11). De rechtbank oordeelt dat de vraag of een recht op schadevergoeding jegens de moedervennootschap bestaat, wordt beheerst door Grieks recht. Ook uit het Unierecht volgt volgens de rechtbank niet dat een moedervennootschap op grond van het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip civielrechtelijk verplicht is tot betaling van schadevergoeding zonder dat haar daadwerkelijke betrokkenheid bij de inbreuk is vastgesteld (rov. 4.12). In het verlengde daarvan is de rechtbank van oordeel dat het voor AB niet voorzienbaar was dat zij voor de rechter van de woonplaats van haar (groot)moedermaatschappij zou worden gedaagd (rov. 4.13). De rechtbank wijst de subsidiaire vordering tot aanhouding af omdat de Nederlandse rechter in de procedure tegen Heineken niet gebonden is aan de HCC-beschikking ten aanzien van AB (rov. 4.15).
3.4
In die omstandigheden heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen AB, en bepaald dat de zaak tussen MTB en Heineken wordt voortgezet met een conclusie van antwoord door Heineken. Het verzoek van Heineken om in de hoofdzaak eerst het debat over verjaring te voeren heeft de rechtbank wegens gebrek aan instemming van MTB afgewezen (rov. 4.18).5.
3.5
MTB is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof). Heineken heeft voeging aan de zijde van AB gevorderd. Bij tussenarrest van 25 juni 2019 heeft het hof voeging toegestaan. Heineken c.s. hebben vervolgens gemotiveerd verweer gevoerd.
3.6
Bij arrest van 16 februari 20216.heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, het primaire incidentele beroep van Heineken c.s. op onbevoegdheid alsnog afgewezen, en de zaak verwezen naar de rechtbank voor berechting en beslissing op de vordering van MTB tegen AB. Het hof overweegt dat om de volgende redenen ter ussen de vorderingen tegen AB en Heineken een nauwe band bestaat in de zin van art. 8 lid 1 Brussel I-bis:
i) De positie van Heineken is wat betreft de feiten hetzelfde als die van AB, omdat de verwijten die aan Heineken worden gemaakt louter zien op handelingen op de Griekse markt, en aangaande dat (niet door Heineken zelf, rechtstreeks) feitelijk handelen maakt MTB aan AB dezelfde verwijten als zij aan Heineken maakt en baseert zij daarop gelijkluidende vorderingen tegen Heineken en AB (rov. 3.4).
ii) Heineken is de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB en er bestaat een bepaalde centrale beleidsbepaling over, onder meer, de internationale presentatie van het merk Heineken (rov. 3.5).
iii) In geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vormen. Het belang van dat geschil is echter beperkt, omdat de Nederlandse rechter in deze procedure op de vordering tegen Heineken moet beslissen en daarbij niet anders zal kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken zijn vervuld (rov. 3.5 en 3.7).
iv) Gelet op het risico van onverenigbare beslissingen is in beginsel voldaan aan de eis van art. 8 lid 1 Brussel I-bis. Het valt niet uit te sluiten dat de Griekse civiele rechter hetzelfde handelen van AB en de HCC-beschikking anders zou waarderen dan de Nederlandse rechter die hoe dan ook dient te beslissen op de vorderingen tegen Heineken. Daardoor zou een situatie kunnen ontstaan waarin het gedrag van AB volgens de ene Unierechter wel en volgens de andere niet in strijd is met art. 102 VWEU (rov. 3.6).
v) Van een geval waarin, zoals de rechtbank kennelijk heeft aangenomen, de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis wordt misbruikt om AB van haar gewone rechter af te trekken door een vordering in Nederland tegen Heineken als ankergedaagde in te stellen, is geen sprake. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. In de beschikking van HCC valt ook niet te lezen dat zij van oordeel is dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie, zodat toewijzing van de vordering niet op voorhand redelijkerwijs reeds uitgesloten moet worden geacht (rov. 3.8-3.9).
vi) Ook gaat het MTB niet louter om een oordeel van de Nederlandse rechter over het handelen van AB, maar juist ook om een oordeel over Heineken (rov. 3.10).
vii) AB wordt verweten dat zij bij de verkoop van onder meer bier van het Heineken-merk op de Griekse markt misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie. Dat dit verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor AB te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van het concern en het bier van het merk waarvan de rechten bij dat concern liggen (rov. 3.11).
3.7
Bij arrest van 18 mei 2021 heeft het hof op verzoek van Heineken c.s. bepaald dat tegen het arrest van 16 februari 2021 tussentijds cassatieberoep openstaat.
3.8
Bij procesinleiding van 17 mei 2021 hebben Heineken c.s. tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 16 februari 2021. MTB heeft verweer gevoerd in het principaal cassatieberoep en tevens (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarbij Heineken c.s. zich hebben beperkt tot een reactie op het incidentele cassatieberoep. Daarna heeft repliek en dupliek plaatsgevonden.
4. Juridisch kader
4.1
Voor ik toekom aan het cassatieberoep ga ik in op de juridische achtergronden.
Internationaal privaatrecht: regels internationale bevoegdheid
4.2
De bevoegdheidsvraag wordt beheerst door Brussel I-bis. Deze verordening is materieel en temporeel van toepassing op de onderhavige zaak.
4.3
De belangrijkste doelstelling van Brussel I-bis is het creëren van een stelsel van uniforme en voorspelbare bevoegdheidsregels in burgerlijke en handelszaken. Volgens de algemene regel van art. 4 is de rechter van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, bevoegd om over het geschil te oordelen (het forum rei). Slechts in afwijking van deze algemene regel voorziet de verordening in limitatief opgesomde gevallen in een bijzondere of exclusieve bevoegdheid waardoor de verweerder kan, of naar gelang het geval moet, worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat.7.
4.4
De overwegingen 15 en 16 van Brussel I-bis luiden (mijn onderstreping):
“(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt.(…).
(16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.(…).”
4.5
Art. 4 Brussel I-bis bepaalt:
“Onverminderd deze verordening worden zij die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”
Art. 5 lid 1 Brussel I-bis bepaalt:
“Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.”
4.6
Art. 8 Brussel I-bis, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk II van deze verordening, voorziet in een bijzondere bevoegdheid in geval van pluraliteit van verweerders. Het eerste lid is hier van belang:
“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven; (…).”
4.7
Op grond van dit artikel kan de eiser in geval hij meerdere verweerders uit verschillende EU-lidstaten dagvaardt, bij uitzondering kiezen een verweerder op te roepen voor het gerecht waar één van de verweerders woonplaats heeft, de ‘ankerverweerder’. Voorwaarde is dus dat de bevoegdheid met betrekking tot de vordering tegen de ankerverweerder berust op diens woon- of vestigingsplaats. De woonplaats van de eiser is niet van belang voor de vraag of een zaak binnen de formele werkingssfeer van Brussel I-bis valt.8.Voorts geldt geen hiërarchie tussen verweerders, in die zin dat de vordering tegen de ankerverweerder meer omvattend dient te zijn of een groter belang dient te vertegenwoordigen dan de vordering tegen de andere verweerders.9.
4.8
Om te voorkomen dat rechtsmacht op grond van de alternatieve bevoegdheidsregel in art. 8 Brussel I-bis exorbitant zou zijn, geldt als voorwaarde dat tussen de vorderingen die door eiser tegen verschillende verweerders worden ingesteld, een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling door één rechter teneinde onverenigbare beslissingen van gerechten uit verschillende lidstaten te voorkomen (forum connexitatis). Doel van deze bijzondere bevoegdheid is niet de band tussen het gerecht en de vordering, maar de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken (vgl. overweging (16), geciteerd in 4.4). Samenhang tussen vorderingen houdt in dat er gevaar voor ‘onverenigbare beslissingen’ bestaat wanneer die vorderingen afzonderlijk worden berecht. Het begrip ‘onverenigbare beslissingen’ moet ruim worden uitgelegd als ‘tegenstrijdige beslissingen’, waarbij de tegenstrijdigheid zich moet voordoen in ‘een zelfde situatie, feitelijk en rechtens’.10.
4.9
Het HvJEU heeft in het arrest Freeport/Andersson de eis dat sprake moet zijn van een zelfde juridische situatie in zoverre genuanceerd dat aan die eis ook kan zijn voldaan als vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben.11.In het arrest Painer voegde het Hof daar aan toe – mogelijk als tegenwicht voor de verruiming tot vorderingen met verschillende rechtsgrondslagen – dat voor verweerders voorzienbaar moest zijn dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste een van hen woonplaats heeft.12.
4.10
Uit de Europese rechtspraak blijkt verder dat het antwoord op de vraag of een nauwe band tussen de vorderingen bestaat, beoordeeld moet worden aan de hand van alle noodzakelijke elementen van de zaak.13.Bij die toets moet de rechter ‘alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder’, maar hij hoeft daarbij niet over te gaan tot een bewijsprocedure.14.De bevoegdheid mag dus niet worden bepaald op basis van enkel de door eiser gekozen grondslag en de door hem aangevoerde feiten.15.
4.11
Indien voldaan is aan het vereiste van een voldoende nauwe band lijkt er in beginsel nog maar weinig ruimte om misbruik van procesrecht aan te nemen. Met genoemd vereiste wordt immers beoogd te voorkomen dat de eiser vorderingen instelt tegen verschillende verweerders met het enkele doel een verweerder af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft.16.Een aangezochte rechter kan een eventuele omzeiling van de in art. 8 lid 1 Brussel I-bis vastgelegde bevoegdheidsregel slechts vaststellen, indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.17.Het nationaalrechtelijke leerstuk van misbruik van recht kan eveneens leiden tot onbevoegdheid van de rechter, maar mag geen afbreuk doen aan de volle werking van Brussel I-bis.18.
Mededingingsrecht; begrip onderneming
4.12
De Europese mededingingsregels zijn gericht tot ondernemingen als rechtssubject van de belangrijkste mededingingsrechtelijke verbodsnormen, het kartelverbod (art. 101 VWEU) en het verbod van misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU). Wanneer de Commissie een boete wil opleggen aan een onderneming wegens schending van de mededingingsregels, dan moet zij bepalen aan welke rechtspersoon of rechtspersonen binnen die onderneming zij het boetebesluit zal richten. In de regel zijn dat de rechtspersoon die de inbreukmakende gedragingen feitelijk heeft verricht en/of de (top)holdingvennootschap. Het opleggen van een boete aan de (top)holdingvennootschap is alleen mogelijk indien die vennootschap beslissende invloed heeft uitgeoefend op het beleid van de dochter. Al vrij snel wordt aangenomen dat dit het geval is. Sterker: indien een holdingvennootschap direct of indirect alle of nagenoeg alle aandelen in een dochter houdt, wordt zij vermoed beslissende invloed op het beleid van die dochter uit te oefenen.19.
4.13
De meeste uitspraken over het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ zijn gedaan in zaken waarin art. 101 VWEU is toegepast. Vaststaat dat voor art. 102 VWEU eenzelfde uitleg dient te worden gegeven, met inbegrip van het zojuist genoemde vermoeden. Dit werd onlangs bevestigd in het arrest SEN/AGCM in een geschil tussen een Italiaanse onderneming en de Italiaanse mededingingsautoriteit. Het Hof oordeelde
“(…) dat artikel 102 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat wanneer misbruik wordt gemaakt van een machtspositie door een of meer dochterondernemingen die tot een economische eenheid behoren, het bestaan van deze eenheid volstaat om de moedermaatschappij medeverantwoordelijk te achten voor dit misbruik. Het bestaan van een dergelijke eenheid moet worden vermoed indien ten tijde van de feiten ten minste nagenoeg het gehele kapitaal van deze dochterondernemingen direct of indirect in handen was van de moedermaatschappij. De mededingingsautoriteit hoeft geen aanvullend bewijs te leveren, tenzij de moedermaatschappij aantoont dat zij niet in staat was om het gedrag van haar dochterondernemingen te bepalen, aangezien deze zelfstandig handelen.”20.
4.14
Benadeelde partijen hebben volgens vaste rechtspraak van het HvJEU recht op vergoeding van schade wegens schending van de Europese mededingingsregels. De nationale rechter moet deze Unierechtelijke aanspraak geldend maken met behulp van zijn nationale recht, maar is daarbij gebonden i) aan (de implementatiewetgeving van) Richtlijn 2014/104/EU, de kartelschaderichtlijn,21.ii) aan de rechtspraak waarin genoemde richtlijn dan wel de toepassingsvoorwaarden van art. 101 en 102 VWEU worden uitgelegd, en iii) aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, die grenzen stellen aan de ‘nationale procedurele autonomie’.
4.15
Uit recente rechtspraak van het Hof blijkt dat het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’, zoals dat is ontwikkeld in het kader van de publiekrechtelijke handhaving, ook gevolgen kan hebben voor de kring van vennootschappen waartegen bij de civiele rechter een vordering tot schadevergoeding wegens schending van de mededingingsregels kan worden ingesteld. Tot betrekkelijk kort geleden werd veelal aangenomen dat aan de hand van het toepasselijke nationale aansprakelijkheidsrecht moest worden bepaald of een rechtspersoon die door een mededingingsautoriteit is beboet, civielrechtelijk aansprakelijk is tegenover benadeelden van de inbreuk. In het arrest Skanska van 14 maart 2019 heeft het Hof echter uitgemaakt dat het Unierecht bepaalt welke entiteit gehouden is tot vergoeding van de door een inbreuk op art. 101 VWEU veroorzaakte schade.22.Het (autonome) ondernemingsbegrip dat wordt toegepast bij publiekrechtelijke handhaving wordt aldus doorgetrokken naar de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht bij de civiele rechter.23.
4.16
De feitelijke context van de Skanska-zaak is tamelijk specifiek. Drie deelnemers aan een asfaltkartel in Finland zijn nadien door andere partijen uit de branche overgenomen en vervolgens geliquideerd. De Finse mededingingsautoriteit heeft de verkrijgende vennootschappen een boete opgelegd. Daarbij was de in het Europese mededingingsrecht gebruikelijke figuur van de ‘economische continuïteit’ toegepast: als de activiteiten van een vennootschap die een kartelinbreuk heeft begaan nadien door een andere partij zijn voortgezet en de karteldeelnemer vervolgens is ontbonden, is de aansprakelijkheid voor de kartelinbreuk overgegaan op de verkrijger. Deze rechtsfiguur stond haaks op een beginsel van Fins vermogensrecht dat aansprakelijkheid voor schade uitsluitend kan rusten op de juridische entiteit die de schade heeft veroorzaakt. De Finse rechter die moest oordelen over een schadevergoedingsactie tegen de verkrijgende vennootschappen worstelde met de combinatie van genoemd vermogensrechtelijk beginsel en de omstandigheid dat de feitelijke inbreukmakers niet meer bestonden waardoor de benadeelde partij (een gemeente) achter het net dreigde te vissen.
4.17
Onder verwijzing naar het Skanska-arrest hebben Nederlandse gerechten inmiddels enkele malen ‘opwaartse aansprakelijkheid’ van een moedermaatschappij aangenomen voor inbreukmakend gedrag van een dochtermaatschappij.24.Daarnaast is in ten minste één zaak ‘neerwaartse aansprakelijkheid’ van een dochtermaatschappij voor gedragingen van de moedermaatschappij aangenomen.25.Dat was nog vóór het arrest van 6 oktober 2021 in de zaak Sumal, welke zaak betrekking heeft op neerwaartse aansprakelijkheid.
4.18
In Sumal26.verduidelijkte het Hof in de eerste plaats dat ook buiten de nogal specifieke context van de Skanska-zaak (waar een risico van omzeiling aan de orde was) op grond van het Unierecht moet worden bepaald welke partijen aansprakelijk gehouden kunnen worden voor schade die het gevolg is van een inbreuk op de mededingingsregels. Het Hof verduidelijkte in de tweede plaats aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voor het aannemen van neerwaartse aansprakelijkheid van een dochtermaatschappij: (a) de dochter- en de moedermaatschappij vormden gedurende de periode van de inbreuk een economische eenheid en (b) ten tijde van de inbreuk bestond er een ‘concreet verband’27.tussen de activiteit van de dochtermaatschappij en het voorwerp van de inbreuk.28.
4.19
Het criterium onder (b) maakt duidelijk dat voor neerwaartse toerekening niet enkel volstaat dat beide entiteiten deel uitmaken van dezelfde onderneming.29.Over de invulling van de aanvullende voorwaarde ‘een concreet verband’ is het laatste woord vermoedelijk nog niet gezegd. Zij die een ruime uitleg van Sumal verdedigen, erkennen alleen een exceptie voor conglomeraten. Als een concern bijvoorbeeld actief is in de sectoren chemie en farmacie en de topholding is beboet voor deelname aan een chemiekartel, kunnen de dochtervennootschappen van de farmacietak niet aansprakelijk gesteld worden (vgl. punt 47 van het arrest), maar alle vennootschappen van de chemietak wel, ook dochter-, zuster- en andere vennootschappen die geen enkele betrokkenheid bij het kartel of zelfs maar het kartelproduct hebben gehad. Ik geef een fictief voorbeeld: als een Zweedse moeder is beboet voor deelname van een Duitse dochter aan een kartel op de markt van Roemenië en Bulgarije, dan kan in Nederland een schadevergoedingsactie worden ingesteld indien hier te lande een zustervennootschap van de Duitse dochter is gevestigd, zelfs als die Nederlandse vennootschap zich uitsluitend bezig houdt met andere chemische producten dan waar de inbreuk op ziet.
Doorwerking ondernemingsbegrip in regels over internationale rechtsmacht?
4.20
Ik ga nu verder met de vraag of de hiervoor genoemde mededingrechtelijke rechtspraak kan doorwerken in bevoegdheidsvragen en meer in het bijzonder art. 8 lid 1 Brussel I-bis van nieuwe dynamiek kan voorzien. Een uitbreiding van het aantal rechtspersonen dat aansprakelijk kan worden gehouden voor schade, kan het aantal potentiële ankergedaagden fors uitbreiden. De verleiding kan bestaan op zoek te gaan naar vennootschappen die zijn gevestigd in een jurisdictie die voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding als gunstig wordt gepercipieerd.
4.21
Ik doe even een stapje terug en noem de Europese en Nederlandse rechtspraak waarin een uitleg is gegeven aan art. 8 lid 1 Brussel I-bis in follow-on acties en waarbij het ging om vorderingen tegen dochtermaatschappijen en/of hun holdingmaatschappij die door de Commissie als karteldeelnemer waren geïdentificeerd.
4.22
Het belangrijkste Europese precedent is (nog steeds) het arrest CDC/Akzo uit 2015. Het Hof aanvaardde in die zaak de rechtsmacht van Landgericht Dortmund, omdat een van de verweerders daar haar zetel had. Het oordeelde dat in het betreffende geval was voldaan aan de voorwaarde van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’. De ingestelde vorderingen waren gebaseerd op één enkele voortdurende inbreuk op het Europese mededingingsrecht. Het Hof oordeelde verder dat deelnemers aan een kartel er rekening mee moeten houden dat zij kunnen worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin één van hen zijn vestigingsplaats heeft, wanneer de Commissie een bindende beslissing heeft gegeven waarin een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie is vastgesteld.30.
4.23
Er zijn andere Europese arresten over de rechterlijke bevoegdheid in kartelschadezaken, maar die gaan over de bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in art. 7 lid 2 Brussel I-bis.31.
4.24
De nationale rechtspraak kent voorbeelden van zaken waarin een Nederlandse holdingvennootschap als ankergedaagde diende. Deze holdingvennootschap was niet zelf partij geweest bij een door de Commissie vastgestelde inbreuk op het kartelverbod, maar de Commissie had de door een dochtervennootschap begane inbreuk wel aan die vennootschap toegerekend. De holdingvennootschap stond dus in het besluit van de Commissie genoemd en had ook een boete gekregen. De Nederlandse rechter was op grond van art. 4 Brussel I-bis bevoegd ten aanzien van de holdingvennootschap, die vervolgens als ankergedaagde fungeerde. De Nederlandse rechter was op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis daarom tevens bevoegd ten aanzien van de andere gedaagden met vestigingsplaats binnen de Europese Unie.32.
4.25
Er zijn ook uitspraken waarin een beroep op art. 8 lid 1 Brussel I-bis c.q. art. 7 lid 1 Rv is afgewezen. Een eerste zaak betreft (geen mededingingszaak, maar) een collectieve actie tegen banken wegens LIBOR benchmarkmanipulatie. Rabobank was de Nederlandse ankergedaagde, maar de rechtbank Amsterdam oordeelde dat ten aanzien van andere gedaagden niet aan het vereiste van een nauwe band was voldaan omdat eiseres in die zaak (een claimstichting) de aangesproken banken zelfstandige gedragingen verweet.33.
4.26
Een tweede uitspraak, eveneens van de rechtbank Amsterdam, betreft een follow-on actie van nutsbedrijven uit het Midden-Oosten tegen rechtspersonen van ondernemingen die hebben deelgenomen aan het door de Commissie beboete stroomkabelkartel. Tot de gedagvaarde rechtspersonen behoorde enkele in Nederland gevestigde rechtspersonen die kennelijk behoren tot de onderneming van enkele inbreukmakers. De vraag of zij gelet op deze Nederlandse ankergedaagden rechtsmacht had ten aanzien van de verschillende buitenlandse gedaagden beantwoordde de rechtbank ontkennend. Het feit dat de Nederlandse ankergedaagden, die in het besluit van de Commissie niet waren genoemd als deelnemer aan het kartel, deel uitmaken van ondernemingen waarvan wél is vastgesteld dat zij daaraan hebben deelgenomen, was volgens de rechtbank onvoldoende om een ‘nauwe band’ tussen de vorderingen te kunnen aannemen.34.
4.27
Daarmee ben ik aangeland bij de kernvraag of de arresten Skanska en Sumal, die niet gingen over een bevoegdheidskwestie, toch van invloed zijn op de uitleg en toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels, in het bijzonder art. 8 lid 1 Brussel I-bis. Hierover is al het nodige geschreven in de vakliteratuur. Ik geef daarvan hieronder een – verre van uitputtend – overzicht (onderstrepingen zijn steeds door mij toegevoegd).35.
4.28
Boersen en De Jong schrijven (na Skanska, voor Sumal):
“Naast deze meer dogmatische vraagstukken, zou een ruimere benadering van de overwegingen in de Skanska-beslissing ook praktische consequenties hebben. In kartelschadezaken, die in de regel een grensoverschrijdend karakter hebben, wordt bij het aanzoeken van een bevoegde rechter regelmatig een beroep gedaan op art. 8 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening. Daarin is bepaald dat een gedaagde kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een medegedaagde (de ‘ankergedaagde’), op voorwaarde dat er tussen de vorderingen op beide partijen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Ongetwijfeld zullen eisers bij toekomstige zaken op zoek gaan naar groepsvennootschappen van de inbreukmakende onderneming die zijn gevestigd in een ‘gunstige’ jurisdictie, om daarmee een forum te creëren waarin alle overige karteldeelnemers kunnen worden gedagvaard. Naar onze mening kan een eiser evenwel niet naar believen elke entiteit binnen een onderneming als ankergedaagde betrekken, simpelweg omdat de Commissie ook niet iedere groepsvennootschap kan beboeten voor het gedrag van één rechtspersoon binnen de onderneming. Dochter- en zustervennootschappen van de vennootschap die de concurrentiebeperkende gedragingen heeft verricht, zijn niet (boete)aansprakelijk, uitzonderingen daargelaten. Dit laat uiteraard onverlet dat sinds de Skanska-zaak er allicht wel meer ruimte zal worden gezocht voor cherry-picking uit moedervennootschappen die beslissende invloed hebben uitgeoefend op de inbreukmakende dochtervennootschap. (…)”36.
Omwille van de transparantie merk ik op dat ik mij in een annotatie bij het Skanska-arrest in vergelijkbare zin heb uitgelaten als weergegeven in de onderstreepte passage: de Commissie doet zelf niet aan ‘toerekening naar beneden’ en al helemaal niet aan ‘zijwaartse toerekening’ aan zustervennootschappen. Gelet op de nagestreefde parallellie met publieke handhaving zou private handhaving ook niet zo ver moeten gaan, of daar zouden bijzondere redenen voor moeten zijn.37.
4.29
Van Dijken wijst in een ipr-rechtelijk ingestoken artikel op het gevaar van forum shopping, maar schrijft (eveneens na Skanska en voor Sumal)) dat nog geen duidelijkheid bestaat over de doorwerking van het Skanska-arrest in de bepaling van de rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Brussel I bis.38.Van Dijken is van mening dat:
“(…) Skanska Industrial Solutions geen directe doorwerking heeft in artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, om ten minste drie (samenhangende) redenen: (i) het maakt een te vergaande inbreuk op het beginsel van oproeping voor het forum rei (….), (ii) het leidt tot onvoorzienbaarheid in de aanneming van rechtsmacht (…), en (iii) het [zou] ongerijmd zijn met artikel 6 lid 3 onder b Rome II (..).”
Van Dijken merkt verder op dat de toekenning van rechtsmacht onverenigbare beslissingen niet kan voorkómen en de inbreukplegende ondernemingen af kan houden van de eigen rechter.
4.30
De hierna te noemen artikelen dateren van na het Sumal-arrest. Ik begin met een artikel van Cornelissen c.s. van zeer kort daarna. De auteurs benadrukken de beperkende voorwaarden die het Hof volgens hen heeft gesteld aan ‘toerekening naar beneden’:39.
“Het Sumal-arrest van het HvJ EU leidt er in ieder geval toe dat de meest ruime uitleg van het 'ondernemingsbegrip' en het toerekeningsvraagstuk op grond waarvan elke entiteit binnen een vennootschapsrechtelijk concern aansprakelijk gehouden kan worden – (…) – definitief van tafel is. Deze uitleg is onverenigbaar met het functionele karakter van het 'ondernemingsbegrip' en het voor toerekening 'naar beneden' vereiste concreet verband. Hiermee wordt ook de mogelijkheid van 'forum shopping' door claimende partijen beperkt tot die jurisdicties waarin concreet inbreukmakend gedrag heeft plaatsgevonden. Jurisdictie trachten te creëren in vestigingslanden van concernentiteiten waarvan de activiteiten niet in concreet verband staan met de inbreuk behoort dan niet meer tot de mogelijkheden.”
4.31
S.A. van Dijk ziet ook grenzen aan het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip als grondslag voor (het creëren van) internationale rechtsmacht:40.
“Het lijkt erop dat het Unierecht forum shopping in kartelschadezaken in vergaande mate toestaat. Als bewezen kan worden dat er een verband bestaat tussen de economische activiteit van de groepsvennootschap en het voorwerp van de inbreuk, zal die groepsvennootschap aansprakelijk zijn. Dat creëert rechtsmacht in de lidstaat van de verweerder. Dit is een logisch gevolg van de toepassing van het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip. Niettemin bestaat in het Europese internationaal bevoegdheidsrecht de wens om de bevoegdheid enigszins te beperken tot die jurisdicties waarmee een concrete band bestaat, om een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting mogelijk te maken (vgl. Asser/Vonken 10-I 2018/3). Mogelijk zorgt de mogelijkheid tot forum shopping voor een verhoging van de druk op de rechtspraak in populaire jurisdicties (bijv. Nederland). De confrontatie van deze belangen leidt ongetwijfeld op korte termijn tot nieuwe discussie bij het Hof van Justitie.”
4.32
Kroes ziet in de ‘Sumal-doctrine’ gevolgen voor de mogelijkheden tot forum shopping:41.
“De Sumal-doctrine heeft vooral gevolgen voor de mogelijkheden tot forum shopping bij toepassing van artikel 8 lid 1 EEX-Vo. Aangezien de Europese Commissie in inbreukbeschikkingen vrijwel steeds één voortdurende inbreuk vaststelt, zal in de meeste kartelschadezaken zijn voldaan aan het vereiste voor toepassing van artikel 8 lid 1 EEX-Vo. Dat geeft op zichzelf al ruime mogelijkheden voor forum shopping. De Sumal-doctrine vergroot die evenwel aanzienlijk. Een eiser hoeft zich nu immers niet beperkt te weten tot de gerechten van de vestigingsplaatsen van de geadresseerde inbreukmakers. Hij kan ook een procedure beginnen voor de gerechten in bijvoorbeeld Boekarest met als ankergedaagde de aldaar gevestigde dochtermaatschappij die 1% van de concernverkopen vertegenwoordigt in het product dat voorwerp is van de inbreuk.”
4.33
Hoyer pleit voor een ruime uitleg van Sumal en heeft kritiek op het in 4.26 genoemde vonnis van de rechtbank Amsterdam in de zaak stroomkabels:42.
“Het enige en doorslaggevende criterium voor aansprakelijkheid is of [de moeder- en dochtermaatschappij] behoren tot de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd. Voor zover hierover al onduidelijkheid zou hebben bestaan, dan is die met het arrest Sumal definitief weggenomen.
Omdat het in deze procedure gaat om neerwaartse dan wel zijwaartse toerekening, dient voor de aansprakelijkheid van de Nederlandse gedaagden nog wel te worden nagegaan of de Prysmian Groep, ABB Groep en Nexans Groep zich mogelijk bezighouden met meerdere, volledig opzichzelfstaande economische activiteiten. In dat geval behoren de Nederlandse entiteiten immers niet ipso facto tot de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd en zal toerekening enkel mogelijk zijn indien er sprake is van een specifieke band als bedoeld in Sumal (ervan uitgaande dat de Nederlandse entiteiten onder de beslissende invloed staan van de (beboete) moedermaatschappijen). Dat hoeft (ook volgens het gerechtshof Amsterdam) ook helemaal niet vast te staan in het bevoegdheidsincident.”
Zie ik het goed dan legt de auteur de eis van concreet verband in die zin uit dat daar voor alle rechtspersonen binnen een economische eenheid per definitie aan is voldaan en dat dit alleen anders is tussen onderdelen van een conglomeraat (vgl. hiervoor, 4.19).
4.34
Tuinenga toont zich eveneens pleitbezorger van een ruime uitleg van Sumal, om daaruit af te leiden dat iedere groepsvennootschap binnen de economische eenheid die de inbreukmakende onderneming vormt, civielrechtelijk aansprakelijk is en daarom in aansprakelijkheidszaken als ankergedaagde kan fungeren. Althans geldt dit voor vennootschappen die hetzelfde product verkopen:43.
“Selling the same products or services at issue in the Commission cartel decision is clearly sufficient following the Sumal judgment, and this likely also applies to the sale of products downstream or upstream of the cartelized product. However, the assessment becomes less clear when it concerns the provision of administrative services for group companies or the sale of complementary products.”
4.35
Deze laatste nuancering illustreert dat gemakkelijk discussie kan ontstaan, bijvoorbeeld of alleen vennootschappen met een speciale functie in de groep (die bijvoorbeeld het vastgoed bezitten of waarbij de werknemers in dienst zijn, etc.) buiten schot blijven, of dat moet worden aangeknoopt bij de mededingingsinbreuk en daarom alleen de vennootschappen kunnen worden aangesproken die direct of indirect betrokken zijn (geweest) bij de producten of diensten die het voorwerp van de inbreuk vormen. Ik sluit niet uit dat over deze materie snel nieuwe prejudiciële vragen aan het HvJEU zullen worden gesteld, met name om meer duidelijkheid te krijgen over de betekenis van het criterium ‘concreet verband’ genoemd in de punten 51 en 52 van het Sumal-arrest.
4.36
In dat verband wil ik ten slotte benadrukken dat het uitgangspunt bij het bevoegdheidsrecht is dat een inhoudelijke beoordeling van de vordering(en) moet worden vermeden én dat Brussel I-bis ‘verordeningsautonoom’ moet worden uitgelegd. Begrippen uit Brussel I-bis kunnen niet per definitie worden ingevuld met behulp van begrippen uit een andere Unierechtelijke context.44.Met deze caveat keer ik terug naar de onderhavige zaak.
5. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 vecht het oordeel aan dat tussen de vorderingen van MTB jegens AB en Heineken een voldoende nauwe band bestaat. Onderdeel 2 acht het onjuist dan wel onbegrijpelijk dat MTB volgens het hof geen misbruik van procesrecht maakt. Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel dat voor AB voorzienbaar was dat zij door MTB voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd.
Onderdeel 1 (vereiste van nauwe band)
5.2
Onderdeel 1 bestrijdt rechtsoverwegingen 3.3-3.7, waarin het hof oordeelt dat tussen de vorderingen van MTB jegens AB en jegens Heineken een nauwe band bestaat als bedoeld in art. 8 lid 1 Brussel I-bis en/of dat in beginsel voldaan is aan de eis van die bepaling dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting. Het onderdeel valt in twee subonderdelen uiteen.
5.3
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 3.5 als uitgangspunt neemt dat de Nederlandse rechter pas toekomt aan een beoordeling van de vordering jegens Heineken als aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, zodat de rechter een oordeel over het handelen van AB moet geven. In de bedoelde passage overweegt het hof:
“(…) De Nederlandse rechter is in elk geval bevoegd kennis te nemen van de vordering jegens Heineken en zal in deze procedure op die vordering beslissen. De Nederlandse rechter zal, bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken, niet anders kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC. Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn.”
5.4
Volgens het subonderdeel heeft het hof aldus miskend dat de volgorde waarin de rechter zijn beslissingen neemt aan het procesbeleid van de rechter is overgelaten. Het subonderdeel stelt voor dat de rechter veronderstellenderwijs kan uitgaan van de juistheid van de stellingen van MTB ‘over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC’, zonder daarover een oordeel te geven en aldus eerst kan beoordelen of de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn. In het geval dat de rechter tot het oordeel komt dat niet aan de extra eisen is voldaan, dan zal hij bij de beoordeling van de vordering tegen Heineken niet toekomen aan een oordeel over het handelen van AB, zodat het risico van onverenigbare beslissingen zich niet zal kunnen verwezenlijken.
5.5
Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat de rechter vrij is in de volgorde waarin hij zijn beslissingen neemt. Heineken c.s. gaan er echter aan voorbij dat linksom of rechtsom de rechter een inhoudelijk oordeel moet geven over het handelen van AB omdat Heineken alleen aansprakelijk kan zijn voor de gestelde schade indien is vastgesteld dat AB aansprakelijk is. Het omgekeerde, dat AB niet aansprakelijk wordt gehouden maar Heineken wel, is niet goed voorstelbaar. De klacht faalt derhalve. De voortbouwende klachten tegen rov. 3.3.3, 3.6, 3.7 en 3.1345.kunnen om dezelfde reden niet slagen.
5.6
Subonderdeel 1.2 voert aan dat het hof bij de beantwoording van de vraag of een (voldoende) nauwe band als bedoeld in art. 8 lid 1 Brussel I-bis bestaat, blijkens het Kolassa-arrest op zijn minst (kenbaar) inhoudelijk diende in te gaan op de betwisting van Heineken c.s. dat sprake is van één onderneming en ook op de stelling van Heineken dat het behoren tot één onderneming niet voldoende is voor aansprakelijkstelling omdat het Skanska-arrest alleen ziet op de situatie van economische opvolging, althans had het hof (kenbaar) moeten nagaan of MTB op die punten aan haar stelplicht heeft voldaan. Volgens het subonderdeel impliceert de opvatting van het hof dat een in een bepaalde staat gevestigde dochteronderneming die wordt beschuldigd van misbruik van machtspositie op de markt van die staat, steeds voor de rechter kan worden gedaagd van de staat waarin haar moedervennootschap/topholding is gevestigd, op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat de dochtervennootschap en de moedervennootschap beide deel uitmaken van één onderneming. Deze opvatting is niet alleen in strijd met de op de rechter rustende verplichting uit het Kolassa-arrest, maar holt ook de toets van art. 8 lid 1 Brussel I-bis uit terwijl deze bepaling als bijzondere bevoegdheidsgrond eng moet worden uitgelegd.
5.7
Zoals uiteengezet onder het juridische kader (zie hiervoor, 4.10), volgt uit het Kolossa-arrest van het HvJEU dat de rechter bij de beoordeling van de bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking dient te nemen, waaronder de betwistingen van de verweerder. Deze verplichting gaat naar mijn mening echter niet zo ver dat de rechter pas zou kunnen beslissen op een bevoegdheidsverweer als hij voorshands heeft geoordeeld of aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan, of dat hij over zou moeten gaan tot een bewijsprocedure.46.Subonderdeel 1.2 gaat dan ook uit van een te ruime uitleg van de genoemde verplichting uit het Kolassa-arrest.
5.8
Daar komt bij dat het hof, zoals onder 32 van de procesinleiding ook wordt erkend, de beide verweren van Heineken c.s. heeft betrokken in zijn beoordeling. In rov. 3.5 overweegt het hof dat in geschil is of ‘Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of Heineken en AB één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vormen.’ Het hof vervolgt dat het belang van het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken voor de bevoegdheidsvraag beperkt is. Het hof doelt hierbij mijns inziens op de feitelijke dan wel juridische positie in de context van de inhoudelijke aansprakelijkheidskwestie. In rov. 3.7 oordeelt het hof in dezelfde zin immers dat ‘de omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan die van de aangesproken partij in de Skanska-zaak, zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is, is om dezelfde reden als hiervoor onder 3.5 toegelicht, voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is.’
5.9
Het hof vervolgt dan in rov. 3.6:
“Als hetzelfde handelen van AB en die HCC-beschikking aan de Griekse civiele rechter worden voorgelegd om te beslissen op de vorderingen van MTB jegens AB valt niet uit te sluiten dat deze komt tot een andere waardering dan de Nederlandse rechter die hoe dan ook dient te beslissen op de vorderingen van MTB jegens Heineken. Dan zou, in een geschil dat draait om de vraag of sprake is van overtreding van het Unierechtelijk verbod op misbruik van machtspositie, de situatie kunnen ontstaan dat het gedrag van AB volgens de ene Unierechter wel en volgens de andere niet in strijd is met dat verbod.
Gelet op dat risico van onverenigbare beslissingen is in beginsel voldaan aan de eis van art. 8 lid 1 van verordening Brussel Ibis, dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting.”
5.10
Dit oordeel van het hof is niet onjuist of onbegrijpelijk. Het gebruik van de term ‘Unierechter’, welke aanduiding is voorbehouden aan het Hof van Justitie (HvJEU) en het Gerecht (GEU), maakt dit niet anders.47.Het is immers genoegzaam duidelijk dat het hof hier bedoelt de situatie waarin twee nationale gerechten uit verschillende EU-lidstaten over dezelfde Unierechtelijke geschilpunten verschillend oordelen.
Onderdeel 2 (misbruik van procesrecht)
5.11
Onderdeel 2 vecht het oordeel aan dat MTB zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht door Heineken c.s. gezamenlijk te dagvaarden voor de Nederlandse rechter en de uitleg van de HCC-beschikking in dat kader. Het onderdeel keert zich tegen rov. 3.9 van het bestreden arrest, dat als volgt luidt (ik citeer ook rov. 3.8):
“3.8 Van een geval waarin, zoals de rechtbank kennelijk heeft aangenomen, de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 van verordening Brussel Ibis wordt misbruikt om AB van haar gewone rechter af te trekken door een vordering in Nederland tegen Heineken als ankergedaagde in te stellen is gelet op het navolgende geen sprake.
3.9
Of de vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn zal in de hoofdzaak moeten worden uitgemaakt. Alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht kan het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van verordening Brussel Ibis worden beschouwd. Dat geval doet zich hier niet voor. Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. valt op dit moment niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt. In de beschikking van HCC valt ook niet te lezen dat zij meent dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie. HCC heeft slechts, (bij herhaling) vermeld en toegelicht dat het haar vrij staat om het gedrag van Heineken niet bij het onderzoek te betrekken en dat zij aanleiding heeft gezien om inderdaad af te zien van zulk onderzoek, (vgl. 2.5) Die beslissing heeft zij kennelijk mede genomen omdat zij niet beschikte over aanwijzingen dat ook Heineken zich schuldig had gemaakt aan misbruik van machtspositie. Dat is echter, in tegenstelling tot wat Heineken c.s. stelt, voorshands iets anders dan een oordeel van HCC dat Heineken zich niet aan dergelijk gedrag heeft schuldig gemaakt.
Voorts is uit de positie van MTB duidelijk dat het haar niet louter gaat om een oordeel van de Nederlandse rechter over het handelen van AB, maar juist ook om een oordeel over Heineken. Ook in zoverre is van misbruik van de vestigingsplaats van Heineken als ankergedaagde dus geen sprake.”
5.12
Subonderdeel 2.1 voert een rechtsklacht aan. Het hof zou in rov. 3.9 hebben miskend dat misbruik van procesrecht zich ook in andere gevallen kan voordoen, zoals wanneer Unierechtelijke bevoegdheden worden aangewend met als enig doel om een verweerder af te trekken van de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft en/of wanneer alle aanknopingspunten in een zaak naar een lidstaat verwijzen en eiser geen enkel redelijk belang heeft om een gerecht in een andere lidstaat aan te zoeken. Voor zover het oordeel in rov. 3.9 juist is, voert het middel vervolgens een motiveringsklacht aan. Genoemd oordeel van het hof zou onbegrijpelijk zijn in het licht van de volgende stellingen van Heineken c.s.. Ten eerste dat MTB de vordering tegen Heineken enkel heeft ingesteld om AB op grond van de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis van de Griekse rechter af te houden. Ten tweede de stelling dat alle aanknopingspunten in de onderhavige zaak verwijzen naar Griekenland, zodat problemen zullen zijn verbonden aan de behandeling van het geschil tussen MTB en AB in Nederland en MTB ook geen enkel redelijk belang heeft om hier te procederen.
5.13
De rechtsklacht kan niet slagen. Het hof heeft in rov. 3.9 expliciet onder ogen gezien dat van misbruik van procesrecht sprake kan zijn als MTB de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis zou gebruiken om AB van haar gewone rechter af te trekken door een vordering in Nederland tegen Heineken in te stellen waardoor eveneens tegen AB in Nederland vorderingen kunnen worden ingesteld. Om te toetsen of sprake zou zijn van misbruik gaat het hof na of toewijzing van de vordering tegen Heineken reeds op voorhand uitgesloten moet worden. Dat lijkt mij een juiste maatstaf.
5.14
Voorts acht ik niet onbegrijpelijk het oordeel dat zich hier zich geen geval voordoet van het kunstmatig creëren van bevoegdheid c.q. het instellen van een kansloze vordering om een mede-verweerder van de eigen rechter af te houden.48.Het hof oordeelt (i) dat met inachtneming van het Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s niet met voldoende zekerheid valt uit te sluiten dat AB en Heineken in mededingingsrechtelijk opzicht als één onderneming moeten worden aangemerkt (in cassatie onbestreden), (ii) dat in de beschikking van de HCC niet valt te lezen dat de HCC meent dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie (welk oordeel met subonderdeel 2.2 wordt aangevochten) en (iii) dat MTB van de Nederlandse rechter een oordeel verwacht over het gedrag van Heineken om te komen tot een schadevergoeding die (ook) door Heineken verschuldigd is. In het licht van deze overwegingen, en in combinatie met de overwegingen in rov. 3.5-3.7 dat tussen de vorderingen tegen AB en Heineken een nauwe band in de zin van art. 8 lid 1 Brussel I-bis bestaat, is niet onbegrijpelijk wat het hof bedoelt met de ‘positie’ van MTB.
5.15
Met het betoog dat van misbruik van procesrecht (ook) sprake kan zijn als alle aanknopingspunten in een zaak naar één lidstaat verwijzen en eiser geen enkel redelijk belang heeft om een gerecht in een andere lidstaat aan te zoeken, gaan Heineken c.s. voorbij aan het feit dat Heineken als (over)grootmoedermaatschappij van AB in Amsterdam is gevestigd, zodat de Nederlandse rechter aan art. 8 lid 1 Brussel I-bis rechtsmacht jegens AB kan ontlenen als aan de vereisten van die bepaling is voldaan.
5.16
Ten overvloede merk ik op dat aan Heineken c.s. kan worden toegegeven dat het gelet op de nabijheid van de Griekse rechter mogelijk meer voor de hand had gelegen als MTB een vordering tot schadevergoeding tegen AB zou hebben ingesteld bij de rechter in Athene en dan eventueel tevens Heineken voor díe rechter zou hebben gedaagd. MTB heeft echter gekozen voor het omgekeerde.49.Dat dit minder voor de hand ligt, betekent niet dat er sprake is van misbruik van procesrecht. Art. 8 lid 1 Brussel I-bis laat de eiser op zichzelf de keus om het forum van een van de verwerende partijen te kiezen, ook als een ander forum objectief gezien meer aanknopingspunten vertoont met het betrokken geschil.
5.17
Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof aan zijn oordeel over misbruik van procesrecht in rov. 3.9 (hiervoor geciteerd) een verkeerde uitleg van de HCC-beschikking ten grondslag heeft gelegd. Het subonderdeel betoogt dat de beschikking voor de Griekse civiele rechter negatief bindende werking zou hebben gehad (omdat deze op grond van art. 9 Richtlijn 2014/104/EU50.gebonden is aan de vaststelling van de Griekse mededingingsautoriteit dat Heineken geen overtreder is van het Griekse mededingingsrecht), dat MTB dit – voor Heineken gunstige – effect probeert te ontwijken door zich tot de Nederlandse rechter te wenden, wat volgens haar misbruik van procesrecht oplevert.
5.18
Mij lijkt deze klacht te berusten op het uitgangspunt dat Heineken in de HCC-beschikking volledig zou zijn vrijgepleit. Zo lees ik die beschikking niet. Ik wijs op de in rov. 3.5 geciteerde passage daaruit, waarnaar de aangevochten rov. 3.9 verwijst:
“(..) Submission of Macedonian Thrace Brewery for imputation of liability on the parent company
86 In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB, and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, (..)
88 In the case at hand, the Commission, acting in the context of its discretionary powers and having due regard to all contents of the case file and all facts of the case, held unanimously that there is no evidence or sufficient indications, nor any superior reasons of effectiveness justifying further investigation in that direction. (..)
89 In particular, without disregarding the ability to impute liability on the parent company for an infringement committed by its subsidiary, according to the relevant EU case-law, it is in any case imperative that all conditions imposing such liability based on the principle of proportionality be duly met. Accordingly, such discretion has been exercised by the national competition authorities up to now very scrupulously, and only in special cases. As already mentioned, there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (...)”
Daarop concludeert de HCC:
“90 For all the aforementioned reasons, and in light of the fact that no further postponement is justified, based also on the cost-benefit analysis relating to implementation of the rules of competition for the purpose of restoring competition in the market, the Hellenic Competition Commission finds that no investigation is required with respect to the parent company in the context of this case.”
5.19
Ik lees deze passages zo dat de HCC zegt geen aanwijzingen te hebben van directe betrokkenheid van Heineken bij de inbreuk van AB op de Griekse markt en het om beleidsmatige redenen niet nodig acht om onderzoek te doen naar de vraag of het gedrag van AB aan Heineken kan worden toegerekend op grond van het Unierechtelijke leerstuk van parental liability.
5.20
Heineken c.s. verwijzen (in voetnoot 62 van de procesinleiding) naar voetnoot 111 bij randnummer 89 van de beschikking van de HCC, welke voetnoot niet is opgenomen in het door het hof weergegeven citaat van randnummer 89. Die bewuste voetnoot luidt:
“On the contrary, internal corporate compliance procedures were identified, which were intended to prevent infringements of competition laws (this, of course, does not preclude a priori the ability to impute liability on the parent company in future cases). Hence, the absence of sufficient evidence and/or findings justifying the imputation of liability on the parent company (at least for part of the investigated time period) is confirmed even by the evidence adduced by the intervener itself.”
5.21
Deze voetnoot is opgenomen achter het zinsdeel ‘(…) there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements’. De voetnoot ziet dan ook niet op het zinsdeel van rov. 89 dat volgt, te weten ‘or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary’, waarin het criterium van de beslissende invloed en het daarbij geldende ‘Akzo-vermoeden’ centraal staat.
5.22
Gelet hierop acht ik het aangevochten oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 3 (voorzienbaarheid)
5.23
Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.11 van het bestreden arrest, waarin het hof beoordeelt of het voor AB voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd. De rechtsoverweging luidt als volgt.
“Voor de Unierechtelijk relevante vraag of het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd is van belang dat AB in Griekenland onder het Heineken-merk bier verkoopt en deel uitmaakt van het Heineken-concern. Het verwijt dat haar gemaakt wordt is dat zij bij de verkoop van onder meer dat bier op die markt misbruik van haar machtspositie maakt. Dat dat verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap was in redelijkheid voor haar te voorzien, nu het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van dat concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen. Ook dit aspect staat dus aan bevoegdheid niet in de weg.”
5.24
Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen.
5.25
Subonderdeel 3.1 acht de overwegingen dat, kort gezegd, het aan AB gemaakte verwijt (rechtstreeks) verband zou houden met het feit (a) dat AB lid is van het Heineken-concern en/of (b) dat AB Heineken bier verkoopt, niet dragend voor het oordeel dat voor AB voorzienbaar was dat zij voor een Nederlandse rechter kon worden gedaagd. Het oordeel is onjuist en/of onbegrijpelijk, en dat geldt eveneens voor de conclusie dat dit aspect niet aan bevoegdheid van de rechtbank in de weg staat.
5.26
Volgens subonderdeel 3.2 is het hof met dit oordeel buiten de door art. 24 Rv. gestelde grenzen van de rechtsstrijd getreden en/of heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. MTB heeft gesteld dat aan het vereiste van voorzienbaarheid is voldaan vanwege de beslissende invloed die Heineken als (over)grootmoedervennootschap op AB zou hebben, maar het hof heeft zich nu juist niet uitgesproken over die invloed en ook niet of Heineken en AB één onderneming vormen.
5.27
De twee subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voorop moet worden gesteld dat de rechter ambtshalve moet toetsen of hij internationale rechtsmacht heeft. De appelrechter moet tot een dergelijke toets overgaan, ook als geen van de partijen zich over die vraag heeft uitgelaten en de vraag buiten de grenzen van het door de appelgrieven ontsloten gebied valt. Tegen deze achtergrond kan van een verrassingsbeslissing reeds geen sprake zijn.
5.28
Het hof heeft zijn bevoegdheid gegrond op het gegeven dat de positie van Heineken wat betreft de feiten in zoverre hetzelfde is als die van AB (rov. 3.4), dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is, en dat er ‘een bepaalde centrale beleidsbepaling is’ (rov. 3.5). Het hof gaat er in het kader van de voorzienbaarheid vervolgens terecht van uit dat AB lid is van het Heineken-concern en de vermeende mededingingsinbreuk heeft begaan met betrekking tot (ook) Heineken-bier (rov. 3.11). Daarmee heeft het hof niet getoetst of er één onderneming is.
5.29
Wat het hof wel duidelijk maakt, is dat het voor AB als onderdeel van het concern voorzienbaar is dat een verwijt ten aanzien van haar marktgedrag ook kan worden voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van de topvennootschap van het concern. Ik acht die overweging juist en dragend in het kader van het vereiste van voorzienbaarheid. Hoewel het HvJEU zich nog niet over een situatie als hier aan de orde heeft uitgelaten, meen ik dat het gegeven oordeel niet indruist tegen het doel van de Brussel I-bis om voorspelbare bevoegdheidsregels te creëren.51.
5.30
De klachten falen derhalve.
5.31
Subonderdeel 3.3 voert aan dat, voor zover mag worden aangenomen dat het aan AB gemaakte verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van het Heineken-concern en met de biermerken die bij dat concern liggen en indien het hof dat verband wel in zijn oordeel mag meewegen, het oordeel dat het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd, ook in dat geval onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Dit geldt eens te meer in het licht van de volgende door Heineken c.s. gestelde omstandigheden:
i. de HCC heeft geoordeeld dat er geen bevindingen of bewijs voorhanden zijn waaruit zou volgen dat Heineken betrokken is geweest bij het vermeende misbruik van machtspositie door AB;
ii. alle aanknopingspunten in deze zaak verwijzen naar Griekenland en de feiten in deze zaak zijn sterk met de Griekse jurisdictie verbonden
iii. MTB en AB zijn beide Griekse partijen;
iv. Heineken heeft geen beslissende invloed op AB uitgeoefend; en
v. Heineken en AB vormen niet één onderneming in de zin van art. 102 VWEU.
5.32
Ik stel vast dat de klacht een herhaling van eerdere stellingen vormt en daarom het lot van de hiervoor besproken klachtenmoet delen.
Slotsom
5.33
Ik concludeer dat geen van de klachten van Heineken c.s. slaagt.
6. Bespreking van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel
6.1
Het incidentele cassatieberoep bevat zes onderdelen. Onderdelen 2 en 5 zijn voorwaardelijk aangevoerd. Ik zal de klachten in volgorde bespreken.
Incidenteel onderdeel 1 (vergelijking met het Skanska-arrest)
6.2
Onderdeel 1 acht het oordeel in rov. 3.7 onjuist, voor zover het hof daarbij tot uitgangspunt heeft genomen dat het ondernemingsbegrip uit art. 102 VWEU enkel bij economische opvolging in de context van het opleggen van geldboeten door de Commissie geen andere betekenis heeft dan in de context van een schadevergoedingsactie wegens schending van het Europees mededingingsrecht. Daarmee heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven van het Skanska-arrest.
6.3
Ik lees in het bestreden arrest niet wat MTB daar kennelijk in meent te lezen. Het hof oordeelt in rov. 3.7 dat de omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan die van de aangesproken partij in de Skanska-zaak, zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is, om dezelfde reden als hiervoor onder 3.5 toegelicht, voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is. Deze overweging ziet enkel op de bevoegdheidsvraag, niet op een oordeel over het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip. Over de vraag of AB en Heineken één onderneming vormen heeft het hof géén oordeel gegeven. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.
Incidenteel onderdeel 2 (voorzienbaarheid)
6.4
Onderdeel 2 heeft net als de klachten in onderdeel 3 van het principaal cassatieberoep betrekking op de eis van voorzienbaarheid en is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van die klachten slaagt. Nu geen van deze klachten slaagt, behoeft de onderhavige incidentele klacht geen bespreking. Ik merk kort nog het volgende op.
6.5
MTB voert aan dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.11 heeft miskend dat de eis van voorzienbaarheid op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis slechts geldt als de vordering(en) op de verschillende verweerders een verschillende rechtsgrondslag hebben. Ik wijs erop dat de juistheid van die opvatting weliswaar niet vaststaat,52.maar dat zij zonder meer verdedigbaar is (zie hiervoor 4.9, en noot 12). Wat daar ook van zij, MTB heeft geen belang bij deze klacht nu zij op dit punt in het gelijk is gesteld. Het hof heeft in rov. 3.11 immers geoordeeld dat voor AB in redelijkheid was te voorzien dat het haar gemaakte verwijt ook wordt gericht aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap.
Incidenteel onderdeel 3 (niet toelaten deskundigenrapporten)
6.6
Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.1.2 dat de door MTB als producties 24 en 25 overlegde opinies van prof. Whish (van 6 februari 2020) respectievelijk van prof. Athanassiou en prof. Liappis (van 20 maart 2020) buiten beschouwing dienen te blijven omdat MTB in de eerste termijn van haar schriftelijke pleidooi op 14 juli 2020 deze producties en het belang daarvan niet nader heeft toegelicht, hetgeen niet strookt met de eisen van een goede procesorde. Het onderdeel voert aan dat het overleggen van producties bij de eerste termijn van een schriftelijk pleidooi als uitgangspunt tijdig is, tenzij bijzondere omstandigheden maken dat overlegging op dat moment in strijd is met de goede procesorde. Mocht het oordeel van het hof echter juist zijn, dan is het onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar is nagegaan of de aard en de omvang van de opinies een beletsel zou vormen om binnen de beschikbare tijd van 14 dagen daarvan voldoende kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, en of dit een voldoende bijzondere omstandigheid oplevert om af te wijken van de hoofdregel. MTB voert verder aan dat haar aan het schriftelijke pleidooi voorafgaande processtukken dateren van vóór het Skanska-arrest en zij nog niet op dat arrest had kunnen ingaan, terwijl AB die gelegenheid wél heeft gehad bij haar memorie van antwoord van 6 augustus 2019. Bovendien zien de producties op de uitleg van een rechterlijk oordeel en niet op feitelijke kwesties. Tot slot wijst MTB erop dat er voor het indienen van producties voorafgaand aan een mondeling pleidooi volgens art. 4.5 Procesreglement voor de Hoven 2019 jo. art. 87 lid 6 Rv een termijn van 10 dagen geldt, terwijl Heineken c.s. hier 14 dagen hadden om te reageren.
6.7
Hoewel in dit geval schriftelijk pleidooi is gehouden, meen ik dat aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak waarin is uitgemaakt dat het indienen van stukken binnen de door het procesreglement gestelde termijn toch in strijd kan zijn met de goede procesorde. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 december 2010 hierover het volgende geoordeeld:53.
“3.3.2 Wel kan aan de in een procesreglement gestelde termijn voor indiening van nadere stukken het uitgangspunt worden ontleend dat in het algemeen indiening van nadere stukken (ruimschoots) voor het in het procesreglement bedoelde tijdstip heeft te gelden als zodanig tijdig dat de wederpartij er voldoende van kennis zal kunnen nemen om er adequaat op te kunnen reageren, zo nodig met een gemotiveerd verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak, dan wel om bij nadere akte op de ingediende stukken te mogen reageren. Dit brengt mee dat de rechter op binnen de geldende termijn overgelegde nadere stukken bij de beoordeling acht dient te slaan, tenzij de rechter - naar aanleiding van het door de wederpartij daartegen gemaakt bezwaar of ambtshalve - gemotiveerd anders beslist op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval, waarvan uit de uitspraak of het proces-verbaal van de zitting dient te blijken. Daarbij zal de rechter hebben te beoordelen of het gaat om stukken waarvan de aard en omvang een beletsel vormen om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren, en, zo dat niet van de wederpartij kon worden gevergd, of aanleiding bestaat een maatregel te treffen teneinde een voldoende kennisneming en voorbereiding van een reactie alsnog mogelijk te maken. Hierbij kan van belang zijn of met het oog op het belang van de wederpartij verwacht had mogen worden dat de stukken bij een eerdere gelegenheid in de procedure werden overgelegd, en dat, zeker in de procedure in hoger beroep, de pleitzitting in het algemeen de laatste gelegenheid zal zijn tot nadere feitelijke onderbouwing van een vordering of verweer.”
6.8
In het licht hiervan heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat MTB in strijd met de goede procesorde de producties in haar pleitnota in eerste termijn niet nader heeft toegelicht en evenmin heeft uitgelegd in welk opzicht zij deze van belang acht, omdat het gaat om uitvoerige rapporten die blijkens hun datering reeds maanden daarvoor gereed waren. Evenmin is deze processuele beslissing van het hof onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen MTB had aangevoerd. MTB heeft geen reden gegeven waarom zij de beide opinies niet eerder in het geding heeft gebracht en ook niet eerder melding heeft gemaakt van het feit dat zij over die opinies beschikte.54.
Incidenteel onderdeel 4 (volgorde rechterlijke beslissingen)
6.9
6.10
De klacht faalt. Met ‘extra eisen’ waaraan moet zijn voldaan voor toewijzing van de vordering jegens Heineken wordt klaarblijkelijk gedoeld op de vraag of Heineken als topholding beslissende invloed heeft (gehad) op AB. Indien van een dergelijke invloed sprake is, hetgeen het hof in het kader van de bevoegdheidsvraag voorshands aanneemt maar niet vaststelt, dan vormen Heineken en AB een ‘onderneming’ in de zin van art. 102 VWEU en zijn zij, als voldaan is aan de voorwaarden voor het aannemen van een onrechtmatige daad, hoofdelijk aansprakelijk voor de gestelde schade die het gevolg is van de inbreuk op het daarin genoemde verbod.
6.11
Het onderdeel klaagt verder dat het hof heeft miskend dat de vraag of Heineken voor de schade van MTB aansprakelijk is tegelijkertijd kan en mag worden beantwoord met de vraag of AB als zodanig voor de schade aansprakelijk is. Net als Heineken c.s. in subonderdeel 1.1 van het principaal cassatieberoep, gaat MTB eraan voorbij dat de rechter een inhoudelijk oordeel moet geven over het handelen van AB, omdat AB wordt verweten misbruik te hebben gemaakt van haar economische machtspositie op de Griekse biermarkt. Alleen indien AB aansprakelijk is voor de inbreuk op art. 102 VWEU, kan Heineken eveneens voor de inbreuk aansprakelijk worden gehouden.
Onderdeel 5 (misbruik van procesbevoegdheid; maatstaf)
6.12
Onder de voorwaarde dat een van de klachten van principaal onderdeel 2 slaagt, klaagt dit onderdeel dat het hof in rov. 3.9 voor het aannemen van misbruik van art. 8 lid 1 Brussel I bis heeft miskend dat daarvan slechts sprake kan zijn als het instellen van een vordering voor de Nederlandse rechter gelet op de evidente ongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent dan wel behoorde te kennen of stellingen waarvan hij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. Het oordeel is volgens het onderdeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd omdat daaruit niet blijkt dat het hof aan deze criteria heeft getoetst.
6.13
Het onderdeel hoeft geen bespreking, nu onderdeel 2 van het principale cassatieberoep in het geheel faalt. Ik verwijs nog wel naar 4.11, waar ik ben ingegaan op de vraag wanneer in zijn algemeenheid sprake kan zijn van misbruik van art. 8 lid 1 Brussel I-bis en naar 5.13 en 5.14 hiervoor.
Onderdeel 6 (uitleg HCC-beschikking)
6.14
Met onderdeel 6 komt MTB op tegen de uitleg die het hof in rov. 3.9 van de HCC-beschikking geeft. MTB acht de uitleg dat de HCC enkel heeft afgezien van een onderzoek naar de vraag of Heineken schuld heeft aan misbruik van machtspositie in Griekenland onbegrijpelijk. Volgens haar heeft de HCC afgezien van een onderzoek naar de feitelijke handelingen van Heineken en in dat licht is niet navolgbaar dat en waarom de HCC zich zou hebben uitgelaten over het ontbreken van aanwijzingen met betrekking tot de schuld van Heineken.
6.15
Onderdeel 6 gaat uit van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. Ik verwijs naar hetgeen ik heb opgemerkt onder 5.19-5.22.
Slotsom
6.16
Ik concludeer dat de in het incidenteel beroep aangevoerde klachten op het voorgaande afstuiten.
7. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principaal cassatieberoep als het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑07‑2022
Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012 L 351/1. Deze verordening wordt ook aangeduid als ‘herschikte EEX-Vo’.
Zie HvJEU 14 maart 2019, C-624/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortmann (Skanska) en HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal).
Vergelijk het bestreden arrest van het hof van 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2019:2144, rov. 2.1-2.6.
Uit het procesdossier blijkt niet wat de stand van zaken in de hoger beroepsprocedure is. Voor deze cassatieprocedure lijkt de uitkomst van het hoger beroep van AB mij overigens niet relevant, omdat het hier enkel gaat om de internationale rechtsmacht tegenover AB. Mocht het besluit van de HCC in hoger beroep geheel onderuit gaan, dan zou de feitelijke grondslag aan de vordering tot schadevergoeding jegens AB en – nu de gestelde aansprakelijkheid van Heineken primair wordt gebaseerd op het handelen van AB – ook jegens Heineken komen te ontvallen, maar dit hoeft niet van invloed te zijn op de bevoegdheid van de rechtbank.
Recent oordeelde de rechtbank Amsterdam bij tussenvonnis dat het verjaringsverweer van Heineken moet worden verworpen (Rechtbank Amsterdam 25 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2866.
Vaste rechtspraak, zie recent HvJEU 12 mei 2021, C-709/19, ECLI:EU:C:2021:377, NJ 2022/127, m.nt. A.J. Berends (VEB/BP), punt 25.
Zie Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019/55.
Zie L.M. van Bochove, ‘Internationaalprivaatrechtelijke aspecten van kartelschade’, in: Hoogervorst e.a. (red.) Kartelschade (O&R nr. 108) 2019, p. 207/216, onder verwijzing naar H. Muir Watt, ‘Article 8’, in: U. Magnus en P. Mankowski (red.), Brussel Ibis Regulation, Keulen: Otto Schmidt 2016, nr. 24.
HvJEG 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas (Roche/Primus), punten 25 en 26, nadien bevestigd in o.a. HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda (CDC/Akzo), punt 20.
HvJEU 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80, m.nt. P. Vlas, Ars Aequi 2007, p. 987-995, m.nt. M.V. Polak (Freeport/Arnoldsson), punt 47.
HvJEU 1 december 2011, C-145/10, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer en P.B. Hugenholtz, IER 2012/16, m.nt. S.J. Schaafsma (Painer/Standard Verlags), punt 81. In zijn noot in IER, punt 10, merkt Schaafsma op dat de eis van voorzienbaarheid ‘kennelijk alleen geldt voor het geval dat de rechtsgrondslagen van de vorderingen verschillen’. Het arrest CDC/Akzo (noot 10), punt 23, lijkt voor die opvatting een aanknopingspunt te bieden. Voor de uitleg van de arresten Freeport en Painer verwijs ik verder naar A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2019:123 vóór HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, onder 3.7.
Zie Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019/48.
HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332, m.nt. L. Strikwerda (Kolassa/Barclays Bank); HvJEU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38, m.nt. L. Strikwerda (Universal Music).
Zie HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418, m.nt. L. Strikwerda (Zürich/LAG), rov. 4.2.3 (slot).
Vgl. reeds HvJEG 27 september 1988, 189/87, ECLI:EU:C:1988:459, NJ 1990/425, m.nt. J.C. Schultsz (Kalfelis/Banque Schröder), punt 9, onder verwijzing naar het rapport Jenard, de toelichting van het comité van deskundigen bij het (oorspronkelijke) EEX-Verdrag.
HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, CDC/Akzo, punten 28 en 29. Zie ook S.J. Schaafsma, NIPR 2016, p. 704.
Zie o.a. HR 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3651, NJ 2010/566, m.nt. Th. De Boer en Ars Aequi 2010, p. 615 e.v., m.nt. M.V. Polak, rov. 3.6.
Het zogenoemde ‘Akzo-vermoeden’, zie HvJEG 10 september 2009, C-97/08 P, ECLI:EU:C:2009:536 (Akzo Nobel), vele maken bevestigd onder meer in HvJEU 8 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:289 (Eni) en HvJEU 5 maart 2015, C-512/09 P, ECLI:EU:C:2011:620 (Elf Aquitaine).
HvJEU 12 mei 2022, C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379 (Servizio Electtrico Nazionale/Autorità Garante della Concurrenza e del Mercato), punt 123.
Richtlijn 2014/104/EU betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, PbEU 2014 L 349. Deze richtlijn definieert in art. 2 lid 2 de inbreukpleger als de onderneming of ondernemersvereniging die een inbreuk op het mededingingsrecht heeft begaan’.
HvJEU 14 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58, m.nt. J.S. Kortman (Skanska), punt 28 e.v., bevestigd in HvJEU 12 december 2019, zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 februari 2020, C-435/18, ECLI:EU:C:2019:1069 (Otis).
Arrest Skanska, punt 47 e.v.
Zie o.a. Rechtbank Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636 (SECC/Kone e.a.) rov. 4.31 e.v. en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2341 (Deutsche Bahn/Nedri Spanstaal e.a.), rov. 6.25 e.v.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10165 (Alstom/TenneT). Het betrof daar de dochtervennootschap Cogelex, die de inbreukmakende producten op de markt had verkocht, maar niet in het besluit van de Commissie was genoemd. Zie daarover R. Meijer, ‘Concernaansprakelijkheid bij inbreuken op het EU mededingingsrecht: Skanska in actie’, M&M 2020/3, p. 118-124; en H.M. Cornelissen, E.H. Groen & R. van Dijken, ‘Aansprakelijkheid voor kartelschade: zijn dochterentiteiten het kind van de (toe)rekening’, Ondernemingsrecht 2021/109, par. 4 (slot).
Sumal was een Spaanse onderneming die vrachtauto’s had afgenomen van een Spaanse dochter van Daimler. Zij stelde die dochter aansprakelijk (en niet de Duitse moeder die als deelnemer aan het truckkartel was geïdentificeerd). Dat Sumal achter de Spaanse dochter aanging lag zakelijk gezien ook voor de hand.
Franse taalversie van het arrest: ‘un lien concret’; Engelse taalversie: ‘a special link’.
Arrest Sumal, punten 51 en 52.
Lezing van de punten 47 en 48 van het Sumal-arrest zou mogelijk de indruk kunnen wekken dat het enkele bestaan van een economische eenheid volstaat om neerwaartse aansprakelijkheid aan te nemen. De punten 51 en 52 maken echter duidelijk dat het om een tweetrapsraket gaat. Dat naast het bestaan van een economische eenheid een aanvullende voorwaarde wordt gesteld (‘concreet verband’) is ook daarom logisch omdat voor opwaartse toerekening ook een bijkomende voorwaarde geldt, namelijk ‘beslissende invloed’. Het zou een anomalie zijn als voor toerekening ‘naar beneden’ minder strikte voorwaarden zouden gelden dan voor de – veel meer voor de hand liggende – toerekening ‘naar boven’.
HvJEU 21 mei 2015, C-352/13 (CDC/Akzo Nobel), punt 24. Dit zou erop kunnen wijzen dat ‘peilmoment’ voor het aannemen van voorzienbaarheid niet is de periode waarin het inbreukmakend handelen plaatsvond, maar het moment waarop de mededingingsautoriteit de inbreuk formeel heeft vastgesteld. Logischer zou ik vinden om uit te gaan van het moment van handelen.
HvJEU 5 juli 2018, C-27/17, ECLI:EU:C:2018:533 (flyLAL-Lithuanian Airlines), HvJEU 29 juli 2019, C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor-Trans/DAF Trucks) en HvJEU 15 juli 2021, C-30/20, ECLI:EU:C:2021:604 (RH/Volvo). In flyLAL (punt 40) en Tibor-Trans (punt 34) geeft het Hof een tamelijke soepele uitleg van het voorzienbaarheidscriterium, overigens in zaken waarin de uitleg van art. 7 lid 2 Brussel I-bis aan de orde was en niet, zoals hier, art. 8 lid 1 van die verordening. Zie hierover T.S. Hoyer en J.W. Fanoy, ‘Jurisdictie bij schade als gevolg van een inbreuk op het Europees mededingingsrecht’, NtER 2020/1-2, p. 19-25.
Rechtbank Den Haag 1 mei 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1870 (CDC/Shell Petroleum B.V. e.a.) en Gerechtshof Amsterdam 21 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3006 (CDC/Akzo Nobel).
Rechtbank. Amsterdam 14 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5827 (Stichting Elco/Rabobank e.a.).
Rechtbank Amsterdam 25 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5882 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain e.a./ Prysmian Netherlands B.V. e.a.), rov. 5.41.
Ik bespreek niet de commentaren op Skanska waarin niet of nauwelijks wordt ingegaan op de eventuele betekenis van dat arrest voor art. 8 lid 1 Brussel I-bis: J.S. Kortmann, NJ 2020/58; M. Goorts & B. Nijhoff, ‘Skanska en de opmars van het ondernemingsbegrip in de civiele procespraktijk’, MP 2019/4; R. Jaspers & T. Binder, ‘Van een kikker kan men geen veren plukken: het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip in het kader van de civielrechtelijke handhaving’, M&M 2019/3, p. 112-119; en S. Tuinenga & M.A. Meijssen, ‘Kroniek civiele rechtspraak 2019’, M&M 2020/2, p. 43-57 en W. Wurmnest, CMLRev. 2020, p. 915-934.
S.L. Boersen en S. de Jong, ‘Skanska, de onderneming en de laedens: gamechanger of buitencategorie?’, MvV 2019, afl. 7-8, p. 279-285.
B.J. Drijber, ‘Unierecht bepaalt welke vennootschappen aansprakelijk zijn voor kartelschade’ Ondernemingsrecht 2019/74, onder 7.
R. Van Dijken, ‘Skanska en de pluraliteit van verweerders bij kartelschadezaken’, NIPR 2019, afl. 4, p. 771-788.
H.M. Cornelissen, E.H. Groen & R. van Dijken, ‘Aansprakelijkheid voor kartelschade: zijn dochterentiteiten het kind van de (toe)rekening’, Ondernemingsrecht 2021/109.
JOR 2022/22.
Ch.F. Kroes, Rolled into one: de ‘onderneming‘ als rechtssubject bij de ‘privaatrechtelijke handhaving’ van het mededingingsrecht, MvO, afl. 3-4, 2022.
T.S. Hoyer, Aspecten van civiele aansprakelijkheid wegens een inbreuk op het Europees mededingingsrecht, MvV 2021, afl. 11, p. 363-373.
S. Tuinenga en R. Lamberti, ‘Kroniek civiele rechtspraak mededingingsrecht 2021’, M&M 2022/1, p. 14-25 (op p. 16) en S. Tuinenga, ‘The Road Ahead for Liability in Damages Actions: Case C-882/19 Sumal’, Journal of European Competition Law & Practice, 21 June 2022.
Ze voor een voorbeeld HvJEU 14 september 2017, C-168/16, ECLI:EU:C:2017:688 (Nogueira), punt 65.
Zie de procesinleiding, onder 29. De op die plaats aangevoerde motiveringsklacht tegen het door het hof in rov. 3.5 geformuleerde uitgangspunt is niet toegelicht.
Zie HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332, m.nt. L. Strikwerda (Kolassa/Barclays Bank); HvJEU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38, m.nt. L. Strikwerda (Universal Music).
Feit is dat de ‘gewone’ rechter het Unierecht moet toepassen. Voorheen werd in dit verband wel gesproken van le juge commun du droit communautaire. Maar dat wil niet zeggen dat de nationale rechter in zoverre is aan te merken als ‘Unierechter’ (voorheen: ‘gemeenschapsrechter’).
Ook is geen sprake van een mogelijke misbruiksituatie zoals omschreven in het arrest CDC/Akzo (waar eiseres CDC met de Duitse ankergedaagde hangende de procedure een schikking had getroffen en het Hof oordeelde dat de nationale rechter moest nagaan of daarbij een ‘opzetje’ in het spel was om de andere gedaagden van de rechter van hun vestigingsplaats af te trekken). Zie HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, punt 31-33.
Wat MTB heeft doen kiezen om in Amsterdam te procederen in plaats van in Athene blijkt niet uit de gedingstukken. Is de verklaring daarvoor niet traditioneel wantrouwen van Macedonië ten aanzien van Attica, dan zou een rol kunnen spelen de verwachting dat procederen bij de Nederlandse rechter sneller gaat (inmiddels zijn wel meer dan vijf jaar opgegaan aan het bevoegdheidsincident). Ook kan niet worden uitgesloten dat MTB ervoor heeft gekozen om de kosten van deze procedure (gedeeltelijk) extern te financieren en dat dit voor een procedure in Griekenland moeilijk te realiseren is.
Art. 9 van de Kartelschaderichtlijn bevat een compromis. Ingevolge het eerste lid is een besluit van een nationale mededingingsautoriteit bindend voor de gerechten van dezelfde lidstaat, zoals een besluit van de Commissie dat is op grond van art. 16 Verordening 1/2003/EG. Ingevolge het tweede lid van art. 9 is een besluit van een nationale mededingingsautoriteit voor rechters in een andere lidstaat niet bindend, maar kan door deze wel worden gebruikt als prima facie bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan. Daarom wordt de vraag in hoeverre de HCC-beschikking bindend is voor de rechtbank Amsterdam beheerst door het toepasselijke nationale recht. Naar kennelijk vaststaat is dat het Griekse recht (vgl. het in voetnoot 5 genoemde tussenvonnis van de rechtbank van 25 mei 2022, rov. 4.13). De rechtbank heeft beslist om een deskundigenbericht in te winnen bij het Internationaal Juridisch Instituut over de vraag, kort gezegd, of de Nederlandse rechter formeel gebonden is aan de aan AB gerichte beschikking van de HCC als die eenmaal onherroepelijk is geworden.
In andere situaties kan daar mogelijk wel twijfel over rijzen. Als voorbeeld noem ik het fictieve geval dat de HCC een kartel op de Griekse biermarkt heeft vastgesteld tussen AB en drie kleinere Griekse bierproducenten en MTB als concurrent bij de rechtbank Amsterdam vorderingen instelt tegen Heineken en de vier kartelleden. Het is dan de vraag of het voor de drie kleinere Griekse brouwers voorzienbaar was dat zij op de voet van art. 8 Brussel I-bis in Amsterdam zouden kunnen worden gedagvaard. Voor de volledigheid merk ik ook nog op dat de vraag naar de voorzienbaarheid van het forum alleen relevant is voor de mede-gedaagden en niet voor de ankergedaagde. De laatste kan menen met de mededingingsinbreuk niets te maken te hebben en daarom een dagvaarding niet te hebben voorzien, maar dat betreft dan de inhoudelijke beoordeling van de vordering en is niet relevant voor de internationale bevoegdheid van de rechter (van zijn vestigingsplaats).
Vgl. ook de schriftelijke toelichting van Heineken c.s., onder 15-17.
HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197, NJ 2010/650, JBPR 2011/16, m.nt. K. Teuben. In die zaak waren binnen de in het Landelijk Procesreglement gestelde termijn van vier dagen voor de pleitzitting nadere stukken ingediend, maar oordeelde het hof dat dit te laat want in strijd met de goede procesorde was. De Hoge Raad duidt de termijn van vier dagen voor de pleitzitting als ‘aanwijzing’ (rov. 3.3.1), waarvan op grond van de goede procesorde kan worden afgeweken ten nadele van de partij die deze termijn in acht heeft genomen.
Vgl. J.G.A. Linssen, ‘Over (laat)tijdige overlegging van stukken en hoor en wederhoor’, JBPR 2017/909, onder 4.3.a: “Maar later in het geding gebrachte stukken zouden terzijde gelaten kunnen worden op basis van nadere omstandigheden zoals de omstandigheid dat de stukken niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden en er geen redelijke grond voor de indiener bestond om de stukken in aanvang achter te houden.”
Beroepschrift 27‑08‑2021
Hoge Raad der Nederlanden
Zitting van 27 augustus 2021
VERWEERSCHRIFT TEVENS (DEELS VOORWAARDELIJK) INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
Inzake:
De vennootschap naar buitenlands recht
MACEDONIAN THRACE BREWERY S.A.
gevestigd te Komotini (Griekenland),
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. P.A. Fruytier
hierna: MTB
tegen:
- 1.
De vennootschap naar buitenlands recht
ATHENIAN BREWERY S.A.
gevestigd te Aigaleo, Attica (Griekenland),
(‘AB’)
- 2.
De naamloze vennootschap HEINEKEN N.V.
gevestigd te Amsterdam, (‘Heineken’)
eiseressen in cassatie,
advocaat: mr. W.H. van Hemel
hierna gezamenlijk: AB c.s.
Principaal cassatieberoep
MTB voert als verweer in het principaal cassatieberoep:
dat in het aangevallen arrest niet op de in het principaal cassatieberoep aangevoerde gronden het recht is geschonden, terwijl evenmin op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen zijn verzuimd, zodat het principaal cassatieberoep moet worden verworpen met veroordeling van AB c.s. in de kosten van dit geding. MTB vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
(Voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep
MTB stelt hierbij incidenteel cassatieberoep in, wat onderdeel 2 en 5 betreft onder voorwaarde dat (een van) de in middelonderdeel 3.1–3.3 resp. middelonderdeel 2.1–2.2 geformuleerde klachten van het principale cassatieberoep slaagt/slagen, tegen het arrest dat het Gerechtshof Amsterdam (het ‘hof’) heeft gewezen in de zaak met nummer 200.247.349/01 tussen MTB als appellante en AB c.s. als geïntimeerden en heeft uitgesproken op 16 februari 2021 (het ‘arrest’), onder aanvoering van het navolgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
1. Skanska-arrest trekt publiekrechtelijke en privaatrechtelijke uitleg begrip ‘onderneming’ volledig gelijk
1.1.
Het hof oordeelt in rov. 3.7 dat de omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan die van de aangesproken partij in de Skanska-zaak (HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska Industrial Solutions), zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is, om dezelfde redenen als in rov. 3.5 toegelicht, voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is. Datzelfde geldt volgens het hof voor de positie van een (overgroot)moedervennootschap naar het op deze kwestie toepasselijke Griekse recht. Het hof lijkt met deze overwegingen te reageren op het betoog van AB c.s. dat het begrip ‘onderneming’ in de zin van art. 102 VWEU in de context van het opleggen van geldboeten door de commissie (de ‘publiekrechtelijke betekenis’) en in de context van vorderingen ter vergoeding van schade wegens schending van de mededingingsregels van de EU (de ‘privaatrechtelijke betekenis’) slechts gelijkelijk moet worden uitgelegd voor de gevallen waarin vanwege economische opvolging twee zelfstandige rechtspersonen kwalificeren als ‘een onderneming’ in de zin van art. 102 VWEU — de situatie die zich voordeed in Skanska. De Skanska-uitspraak zou volgens AB c.s. daarom niet het oog hebben op de aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor feitelijke gedragingen van de dochtervennootschap, omdat zij gezamenlijk kwalificeren als onderneming in de zin van art. 102 VWEU.1.
1.2.
Het hof geeft met voornoemd oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof daarbij tot uitgangspunt heeft genomen dat het begrip ‘onderneming’ in de zin van art. 102 VWEU slechts bij economische opvolging in de context van het opleggen van geldboeten door de commissie geen andere betekenis heeft dan in de context van vorderingen ter vergoeding van schade wegens schending van de mededingingsregels van de EU. Die gelijke publiekrechtelijke en privaatrechtelijke betekenis van het begrip onderneming geldt namelijk in zijn algemeenheid, en/althans beperkt zich in ieder geval niet tot de situatie waarin twee (of meer) zelfstandige rechtspersonen vanwege economische opvolging als één onderneming in de zin van art. 102 VWEU kwalificeren.2.
MTB overlegt ter onderbouwing van deze klacht (a) een opinie van prof. Whish (productie 1) die het voorgaande in met name § 41–52 van zijn rapport op grond van een analyse van de Europese regelgeving, jurisprudentie en literatuur ondersteunt en (b) een opinie van prof. Athanassiou en prof. Liappis die in met name § 2–11 eveneens op grond daarvan tot de conclusie komen dat het begrip onderneming in publiekrechtelijke en privaatrechtelijke zin gelijk moet worden uitgelegd (productie 2).
2. Voorzienbaarheidseis geldt alleen bij vorderingen op verschillende rechtsgrond3.
2.1.
Het hof oordeelt in rov. 3.11 — samengevat — dat voor de Unierechtelijk relevante vraag of het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd het volgende van belang is:
- (i)
AB verkoopt in Griekenland onder het Heineken-merk bier,
- (ii)
AB maakt deel uit van het Heineken-concern,
- (iii)
haar wordt het verwijt gemaakt dat zij bij de verkoop van onder meer dat Heineken-bier op die Griekse markt misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie,
- (iv)
het was voorzienbaar dat dat verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern, nu dat verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van het concern en met het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen.
Het voorzienbaarheidsvereiste staat daarom volgens het hof evenmin aan zijn bevoegdheid in de weg.
2.2.
Het hof miskent met dit oordeel dat de eis van voorzienbaarheid voor de bevoegdheid van de rechter ex art. 8 lid 1 Brussel I Bis slechts geldt als de vordering(en) op de verschillende verweerders een verschillende rechtsgrond hebben. Voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de vorderingen van MTB op AB c.s. op verschillende rechtsgronden zijn gebaseerd, is 's hofs oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. MTB grondt haar vorderingen jegens zowel Heineken als AB — naar het hof in rov. 3.2 ook zelf vaststelt — immers in verband met dezelfde feitelijke gedragingen op dezelfde schending van art. 102 VWEU dan wel art. 2 Griekse Mededingingswet (‘GCA’) in Griekenland in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014.4.
3. Deskundigenrapporten tijdig ingebracht
3.1.
In rov. 3.1.2 oordeelt het hof dat Heineken en AB terecht bezwaar hebben gemaakt tegen toelating van de bij de eerste termijn van het schriftelijke pleidooi door MTB in de procedure ingebrachte producties 24 en 25. Het betreft de twee opinies van prof. Whish respectievelijk prof. Athanassiou en prof. Liappis over (onder meer)5. het op 14 maart 2019 gewezen Skanska-arrest (thans ter adstructie van middelonderdeel 1.2 als productie 1 en 2 overgelegd). Daaraan legt het hof het volgende ten grondslag:
- (i)
MTB heeft in haar pleitnota niet nader toegelicht en evenmin uitgelegd in welk opzicht zij deze rapporten van belang acht;
- (ii)
Het gaat om uitvoerige rapporten die blijkens hun datering reeds maanden daarvoor gereed waren;
- (iii)
Dat tussen de eerste en tweede termijn de gebruikelijke termijn van 14 dagen is verstreken doet er niet aan af dat deze gang van zaken strijdt met de goede procesorde.
3.2.
Het hof miskent met voornoemd oordeel dat het overleggen van producties bij de eerste termijn van een schriftelijk pleidooi als uitgangspunt tijdig is en ervan mag worden uitgegaan dat de wederpartij daarvan voldoende kennis zal kunnen nemen om daarop adequaat te reageren, indien de wederpartij veertien dagen later bij de tweede termijn de gelegenheid heeft daarop te reageren. Dat lijdt uitzondering als overlegging daarvan gezien de bijzondere omstandigheden strijdt met de goede procesorde. Ter beantwoording van de vraag of zich zulke bijzondere omstandigheden voordoen, is van (doorslaggevend) belang of de aard en omvang van de overgelegde productie(s) voor de wederpartij een beletsel vormen daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop adequaat te reageren. Daarbij kan van belang zijn of met het oog op het belang van de wederpartij verwacht had mogen worden dat de stukken bij een eerdere gelegenheid in de procedure werden overgelegd. Deze door de Hoge Raad voor het mondeling pleidooi geformuleerde regel6. geldt in het onderhavige geval evenzeer, nu de situatie in normatief opzicht vergelijkbaar is. Het procesreglement voor de hoven 2019 en 2021 geeft op grond van art. 4.5 jo. art. 87 lid 6 Rv voor de indiening van producties voorafgaand aan een mondeling pleidooi bovendien zelfs een kortere (wettelijke) termijn van tien dagen.
3.3.
In ieder geval is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet kenbaar nagaat of de aard en omvang van de overgelegde producties 24 en 25 voor AB c.s. een beletsel vormen om binnen de beschikbare tijd van 14 dagen daarvan voldoende kennis te nemen en daarop adequaat te reageren en dat een voldoende bijzondere omstandigheid oplevert om af te wijken van de in middelonderdeel 3.2 geformuleerde hoofdregel. Het hof beperkt zich enkel tot een tweetal losse observaties: de beperkte toelichting die MTB volgens het hof zou hebben gegeven op de producties en het moment waarop de rapporten gereed waren. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat AB c.s. — overigens bijgestaan door een van de grootste kantoren van Nederland — van die producties geen voldoende kennis hebben kunnen nemen en daarop niet adequaat hebben kunnen reageren. Het hof trekt die conclusie ook niet kenbaar uit die observaties.
3.4.
's Hofs oordeel is voorts/in ieder geval om de volgende, mede in onderlinge samenhang te beschouwen, redenen onvoldoende gemotiveerd:
- (a)
MTB heeft in haar pleitnotitie uit de eerste termijn d.d. 14 juli 20207. in voetnoot 5, 8, 13, 16 en in § 13 en 39 steeds duidelijk gemaakt in welk verband zij een beroep deed op het rapport van prof. Whish en welke passages uit het rapport daartoe relevant waren. In § 13 van haar pleitnota (eerste termijn) licht MTB verder toe dat het rapport van prof. Athanassiou en prof. Liappis relevant is voor de uitleg van het Skanska-arrest. In dit licht valt reeds niet in te zien waarom MTB volgens het hof niet nader zou hebben toegelicht of uitgelegd in welk opzicht zij de rapporten van belang acht: zij deed dat beroep blijkens die vindplaatsen — samengevat — ter toelichting hoe het Skanska-arrest op de onderhavige zaak moet worden toegepast.
- (b)
MTB heeft in § 13 van haar pleitnotities (eerste termijn) voorts toegelicht dat zij in haar memorie van grieven (d.d. 18 december 2018) nog geen rekening kon houden met het van 14 maart 2019 daterende Skanska-arrest, aangezien het HvJEU dat arrest toen nog niet had gewezen. Het enige andere processtuk dat MTB in deze procedure heeft genomen tussen de memorie van grieven en de eerste termijn van het schriftelijke pleidooi — en dus de enige eerdere (logische) gelegenheid dat zij producties had kunnen overleggen — betreft een antwoordmemorie inzake de voeging van Heineken en dateert van 12 februari 2019. Ook toen was het Skanska-arrest nog niet gewezen. In dit licht valt zonder nadere, ontbrekende, motivering niet in te zien waarom het feit dat de rapporten al maanden voor het pleidooi gereed waren kan bijdragen aan de conclusie dat het inbrengen daarvan strijdt met de goede procesorde. Het pleidooi was immers de eerste aangewezen gelegenheid om die opinies in te brengen.
- (c)
AB c.s. hebben bij gelegenheid van hun memorie van antwoord (d.d. 6 augustus 2019) wel de kans gehad — en gegrepen (MvA § 173 e.v.) — om in te gaan op het Skanska-arrest, terwijl MTB die kans eerst bij pleidooi had. In dit licht valt evenmin/teminder in te zien waarom het inbrengen van de rapporten ter ondersteuning van MTB's uitleg van het Skanska-arrest zou strijden met de goede procesorde: AB c.s. hadden het Skanska-arrest blijkens hun memorie van antwoord uitvoerig bestudeerd en hebben de gelegenheid gekregen hun visie op het arrest uiteen te zetten. MTB heeft vervolgens ondersteund door de rapporten haar visie op het arrest willen geven op de eerste aan haar daartoe gegeven gelegenheid.
- (d)
De rapporten zien op een zuivere kwestie van uitleg van het recht en niet op een feitelijke kwestie waarvoor (eventueel) het leveren van tegenbewijs nodig zou kunnen zijn. Ook in dat licht is niet/teminder voldoende navolgbaar waarom het inbrengen van de rapporten zou strijden met de goede procesorde.
- (e)
Voor de indiening van producties voorafgaand aan een mondeling pleidooi gold in dit geval ex art. 4.5 Procesreglement voor de Hoven 2019 jo. art. 87 lid 6 Rv een termijn van 10 dagen. Die 10-daagse termijn wordt als uitgangspunt aanvaardbaar geacht om kennis te nemen van de producties en daarop voldoende adequaat te reageren. AB c.s. had ten opzichte daarvan in dit geval zelfs vier dagen meer. In dat licht valt evenmin/teminder in te zien waarom het inbrengen van de rapporten zou strijden met de goede procesorde.
4. Ondernemingsbegrip vloeit enkel uit art. 102 VWEU voort; beslissing op vorderingen jegens AB en Heineken vereist geen chronologie, maar kan gelijktijdig
4.1.
Het hof oordeelt in rov. 3.5 (onder meer) als volgt:
- (i)
De Nederlandse rechter is in elk geval bevoegd kennis te nemen van de vordering jegens Heineken en zal in deze procedure op die vordering beslissen;
- (ii)
De Nederlandse rechter zal bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken niet anders kunnen dat een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de HCC-beschikking;
- (iii)
Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan doet zich immers de vraag voor of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn.
4.2.
Voor zover het hof met voornoemd oordeel, met name als bedoeld onder (iii), heeft geoordeeld dat voor de kwalificatie van Heineken, tezamen met AB, als ‘onderneming’ in de zin van art. 102 VWEU meer of andere eisen gelden dan uit art. 102 VWEU zelf voortvloeien, is dat oordeel onjuist. Immers, zowel het antwoord op de vraag of AB als het antwoord op de vraag of Heineken als onderneming kwalificeren, worden enkel bepaald door art. 102 VWEU.
4.3.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat ter toewijzing van de vordering van MTB jegens AB c.s. in chronologische zin éérst moet worden vastgesteld dat AB als onderneming in de zin van art. 102 VWEU kwalificeert en wegens schending daarvan voor de door MTB geleden schade aansprakelijk is en pas daarna kan worden vastgesteld of ook Heineken als zodanig kwalificeert en voor die schade aansprakelijk is, heeft het hof eveneens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag of Heineken als onderneming kwalificeert en wegens schending van art. 102 VWEU voor de door MTB geleden schade aansprakelijk is kan en mag immers tegelijkertijd beantwoord worden met de vraag of AB als zodanig kwalificeert en voor die schade aansprakelijk is. Daartoe is immers enkel relevant of Heineken — naast AB — aan de door art. 102 VWEU (en het Griekse recht) gestelde vereisten voor aansprakelijkheid voor de door MTB geleden schade voldoet. Een gelijktijdige behandeling en beslissing is op gronden van proceseconomie zelfs het meest voor de hand liggend.
5. Hof hanteert te ruim misbruik van bevoegdheid-criterium8.
5.1.
Het hof oordeelt in rov. 3.9 (onder meer) als volgt:
- (i)
Of vorderingen jegens Heineken toewijsbaar zijn zal in de hoofdzaak moeten worden uitgemaakt. Alleen als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht kan het toch aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van Brussel I Bis worden beschouwd.
- (ii)
Dat geval doet zich hier niet voor. Op dit moment valt, ook met inachtneming van het Griekse recht en de betwisting van AB c.s., niet met voldoende zekerheid uit te sluiten dat AB en Heineken als één onderneming moeten worden aangemerkt. De HCC-beschikking biedt daartoe ook geen aanknopingspunten.
5.2.
Het hof miskent met voornoemd oordeel dat van misbruik van de bevoegdheid ex art. 8 lid 1 Brussel I Bis nog geen sprake kan zijn als voorshands ‘redelijkerwijs’ uitgesloten moet worden geacht dat een vordering moet worden toegewezen en dat daarvan evenmin reeds sprake kan zijn als met ‘voldoende zekerheid’ kan worden uitgesloten dat aan een van de aansprakelijkheidsvereisten (in casu: kwalificatie als onderneming) is voldaan. Van misbruik van de door art. 8 Brussel I Bis gegeven bevoegdheid kan immers eerst sprake zijn als het instellen van de vordering voor de Nederlandse rechter gelet op de evidente ongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege moet blijven.9. Daartoe is vereist dat de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent dan wel behoort te kennen of op stellingen waarvan de eiser op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben.
5.3.
In ieder geval is 's hofs oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat uit de vaststelling dat ‘niet met voldoende zekerheid valt uit te sluiten’ dat AB en Heineken als één onderneming moeten worden aangemerkt, nog niet volgt (a) dat MTB's vordering jegens Heineken evident ongegrondheid is en evenmin (b) dat MTB haar vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. Het hof had daartoe moeten onderzoeken of aan dat criterium is voldaan.
6. Hof geeft te ruime uitleg aan HCC-beschikking
6.1.
Het hof oordeelt in rov. 3.9 voorts (onder meer) als volgt:
- (i)
In de HCC-beschikking valt ook niet te lezen dat de HCC meent dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie.
- (ii)
De HCC heeft slechts bij herhaling vermeld en toegelicht dat het haar vrij staat om het gedrag van Heineken niet bij het onderzoek te betrekken en dat zij aanleiding heeft gezien om inderdaad af te zien van zulk onderzoek. Die beslissing heeft zij kennelijk genomen omdat zij niet beschikte over aanwijzingen dat ook Heineken zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie.
- (iii)
Dat is echter wat anders dan een oordeel van de HCC dat Heineken zich niet aan dergelijk gedrag schuldig heeft gemaakt.
6.2.
Deze overwegingen zouden aldus kunnen worden begrepen dat de HCC enkel heeft afgezien van een onderzoek naar de vraag of Heineken schuld heeft aan enig misbruik van machtpositie in Griekenland. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn. De HCC heeft immers geoordeeld dat zij (zelfs) het feitelijke gedrag van Heineken in Griekenland of jegens AB met betrekking tot dier gedragingen in Griekenland niet heeft onderzocht, laat staan dat zij zou zijn toegekomen aan de schuldvraag. Voor zover het hof met het hiervoor geciteerde oordeel uit rov. 3.9 dus tot uitgangspunt heeft genomen dat de HCC enkel zou hebben afgezien van een onderzoek naar Heinekens schuld met betrekking tot de schending van art. 102 VWEU of artikel 2 GCA, is dat oordeel onbegrijpelijk, omdat de HCC reeds heeft afgezien van een onderzoek naar het feitelijke gedrag van Heineken in Griekenland en/of jegens AB. De HCC maakt dat in haar, door het hof in rov. 2.5 ook zelf aangehaalde, beschikking zelf ook zonder omhaal van woorden duidelijk. Het HCC overweegt in rov. 89 immers als volgt:
- ‘89.
In particular, without disregarding the ability to impute liability on the parent company for an infringement committed by its subsidiary, according to the relevant EU case-law, it is in any case imperative that all conditions imposing such liability based on the principle of proportionality be duly met. Accordingly, such discretion has been exercised by the national competition authorities up to now very scrupulously, and only in special cases. As already mentioned. there are no specific findings and/or evidence provina any direct, i.e. active. involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (…)’
MTB heeft bovendien steeds onder verwijzing naar de relevante overwegingen uit de HCC-beschikking (rov. 86–90) aangevoerd dat de HCC het gedrag van Heineken volledig buiten haar onderzoek heeft gehouden.10. In rov. 90 laat de HCC, voortbouwend op die eerdere overwegingen, daarover ook geen enkele onduidelijkheid bestaan:11.
- ‘90.
For all the aforementioned reasons, and in the light of the fact that no further postponement is justified, based also on the cost-benefit analysis relating to implementation of the rules of competition for the purpose of restoring competition in the market, the Hellenic Competition Commission finds that no investigation is required with respect to the parent company in the context of this case.’
In dat licht is niet navolgbaar dat en waarom de HCC zich zou hebben uitgelaten over het aan haar ontbreken van aanwijzingen met betrekking tot de schuld van Heineken. De HCC heeft afgezien van een onderzoek naar de feitelijke handelingen van Heineken en heeft dus a fortiori afgezien van een onderzoek naar eventuele schuld van Heineken.
Met conclusie
MTB vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten. MTB vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
Productie 1: Opinie d.d. 6 februari 2020 prof. Whish
Productie 2: Opinie d.d. 20 maart 2020 prof. Athanassiou en prof. Liappis
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 27‑08‑2021
MvA § 186–198.
Zie ook o.a. pleitnota II d.d. 28 juli 2020 zijdens MTB § 21–28.
MTB stelt deze klachten in onder de voorwaarde dat (een van) de klachten uit middelonderdeel 3.1–3.3 slaagt/slagen.
Zie onder meer Dgv. § 363 en petitum onder A; MvG § 11; 78–90; pleitnota II d.d. 28 juli 2020, § 10;
Het Whish-rapport is in grotere mate aan de uitleg van het Skanska-arrest gewijd dan het rapport van Athanassiou en Liappis. Dat laatste rapport gaat onder meer ook in op de aansprakelijkheid van Heineken onder het Griekse recht. Daarbij speelt het — daarin doorwerkende — EU-recht weer een rol. MTB wilde dat laatste rapport blijkens de genoemde vindplaatsen in de pleitnota op dat moment alleen overleggen ter adstructie van de door haar verdedigde uitleg van Skanksa.
HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197, NJ 2010/650, gewezen in een situatie waarin zelfs een termijn van vier dagen gold.
De pleitnotities zijdens MTB zijn beide gedateerd op de zittingsdatum van 28 juli 2020. De pleitnoties van de eerste termijn dateren uiteraard, net als die van AB c.s., van 14 juli 2020. Het betreft de pleitnotitie die loopt tot § 62 (eerste termijn). MTB heeft haar reactie op de eerste termijn van AB c.s. vervolgens opgenomen in de tweede pleitnotitie d.d. 28 juli 2020 vanaf § 63 onder het kopje ‘tweede termijn’.
MTB stelt deze klachten in onder de voorwaarde dat (een van) de klachten uit middelonderdeel 2.1–2.2 slaagt/slagen.
Vgl. MvG § 91.
Plta II d.d. 28 juli 2020, § 41–48.
Plta II d.d. 28 juli 2020, § 47–48..
Beroepschrift 17‑05‑2021
PROCESINLEIDING IN CASSATIE (VORDERINGSPROCEDURE)
Datum van indiening:
Maandag 17 mei 2021.
Bevoegde rechter:
Hoge Raad der Nederlanden, Korte Voorhout 8, 2511 EK Den Haag.
Eiseressen tot cassatie:
- 1.
de vennootschap naar buitenlands recht Athenian Brewery S.A., gevestigd in Aigaleo — Athene, Attica (Griekenland) (hierna: ‘AB’), en
- 2.
de naamloze vennootschap Heineken N.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: ‘Heineken’)
AB en Heineken kiezen voor deze cassatieprocedure woonplaats aan het Beethovenplein 10 (1077 WM) in Amsterdam, op het kantoor van mr. W.H. van Hemel (Stibbe N.V.). Zij stellen hem tot advocaat bij de Hoge Raad.
Verweerster in cassatie:
de vennootschap naar buitenlands recht Macedonian Thrace Brewery S.A., gevestigd te Komotini Griekenland (hierna: ‘MTB’).
MTB heeft in vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen op het kantoor van mr. M.H.J. van Maanen (BarentsKrans), die kantoor houdt aan het Lange Voorhout 3 (2514 EA) in Den Haag.
Bestreden arrest:
AB en Heineken stellen cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam (‘het hof’), gewezen en uitgesproken op 16 februari 2021, in de zaak met zaaknummer 200.247.349/01.
Uiterste verschijningsdatum verweerster:
MTB kan, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, in deze procedure uiterlijk verschijnen op vrijdag 9 juli 2021.
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur. De behandeling vindt plaats in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 in (2511 EK) Den Haag.
AB en Heineken voeren tegen het bestreden arrest aan het navolgende:
Middel van cassatie:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof in zijn te dezen bestreden arrest op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in het dictum van dat arrest is aangegeven, zulks om de navolgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
Inleiding
Te beantwoorden vraag
1.
MTB en AB zijn Griekse bierbrouwers. MTB heeft zich op het standpunt gesteld dat AB misbruik heeft gemaakt van machtspositie op de Griekse biermarkt. MTB vordert verklaringen voor recht die daarop zien.1. De onderhavige cassatieprocedure betreft de vraag of de Nederlandse rechter internationale rechtsmacht heeft om over die vorderingen te oordelen.
Aanknopingspunten
2.
MTB en AB zijn beide vennootschappen naar Grieks recht die in Griekenland zijn gevestigd.2. De vorderingen van MTB zien louter op handelingen die AB zou hebben verricht in Griekenland. Volgens MTB vormen die handelingen misbruik door AB van machtspositie op de Griekse biermarkt.3. MTB stelt dat zij daardoor schade heeft geleden. Het zou schade betreffen die in Griekenland is ingetreden. MTB baseert zich voor haar verwijten op een beschikking (‘Beschikking’) die de Griekse mededingingsautoriteit, de Hellenic Competition Commission (‘HCC’) op 19 september 2014 heeft gegeven.4. De vorderingen van MTB tot schadevergoeding worden beheerst door Grieks recht.5.
3.
Alle aanknopingspunten in deze zaak wijzen dus naar Griekenland.6. De hoofdregel van art. 4 Verordening Brussel I-bis7. wijst de Griekse rechter ook aan als bevoegd forum om te oordelen over de vorderingen van MTB tegen AB.8. Omdat de gestelde schadeveroorzakende handelingen hebben plaatsgevonden in Griekenland en het schade zou betreffen die in Griekenland is ingetreden, zijn zowel ‘Handlungsort’ als ‘Erfolgsort’ in Griekenland gelegen. Dit brengt mee dat ook de bijzondere regel van art. 7 Verordening Brussel I-bis geen grondslag biedt om een andere rechter aan te zoeken dan de rechter in Griekenland.
Standpunt MTB
4.
Desondanks heeft MTB ervoor gekozen om AB te dagen voor de Nederlandse rechter. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht zou ontlenen aan art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Deze uitzonderingsbepaling — die eng moet worden uitgelegd9. — ziet op het geval waarin twee verweerders zijn gedagvaard en er ‘een zo nauwe band’ tussen de tegen hen ingestelde vorderingen bestaat ‘dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.’ In het onderhavige geval heeft MTB twee verweerders gedagvaard: zij heeft behalve AB ook Heineken gedagvaard.
5.
Als (over)grootmoedermaatschappij hield Heineken in de voor deze procedure relevante periode indirect circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB.10. Heineken is een naamloze vennootschap naar Nederlands recht die in Nederland is gevestigd. Volgens MTB is de Nederlandse rechter op grond van de hoofdregel van art. 4 Verordening Brussel I-bis bevoegd om over de vorderingen tegen Heineken te oordelen. Omdat sprake zou zijn van een nauw verband als bedoeld in art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis tussen de vorderingen tegen Heineken en de vorderingen tegen AB, is de Nederlandse rechter naar de mening van MTB ook bevoegd om kennis te nemen van laatstgenoemde vorderingen.
Verweer AB/Heineken en oordeel rechtbank
6.
AB heeft er in eerste aanleg echter al op gewezen dat Heineken — ook uitgaande van de stellingen van MTB zelf — geen enkele handeling op de Griekse biermarkt heeft verricht die volgens MTB misbruik van machtspositie op die markt zou opleveren. Het betreft alleen feitelijke handelingen die rechtstreeks door AB — en dus niet door Heineken — op die markt zijn verricht.11. Heineken heeft en had zelf geen operationele activiteiten in Griekenland.12.
7.
MTB grondt haar verwijten op de zojuist genoemde Beschikking van de HCC.13. De HCC heeft in haar Beschikking echter niet vastgesteld dat Heineken op enige wijze aansprakelijk is. MTB heeft verschillende pogingen gedaan om — eerst de Europese Commissie, en vervolgens — de HCC ertoe te bewegen om Heineken als (over)grootmoedermaatschappij van AB mededingingsrechtelijk wél aansprakelijk te houden.14. Dat heeft zij onder meer gedaan in memoranda die zij in de al tegen AB lopende procedure bij de HCC heeft ingediend15. maar ook in een separate — uitgebreid toegelichte — klacht die zij tegen Heineken heeft gericht.16.
8.
De HCC heeft de inhoud van het dossier en alle feiten van de zaak in overweging genomen17. en is toen tot het oordeel gekomen dat er geen bewijs of voldoende aanwijzingen waren om verder onderzoek (‘further investigation’) naar Heineken te doen.18. Zij heeft in haar Beschikking bovendien geoordeeld dat de afwezigheid van voldoende bewijs en of bevindingen die toerekening van aansprakelijkheid aan Heineken zouden rechtvaardigen, bevestigd wordt door de aanwijzingen die MTB zelf naar voren heeft gebracht.19.
9.
In een afzonderlijke brief heeft de HCC ten aanzien van de separate klacht van MTB nog eens aan Heineken bevestigd dat zij de bezwaren van MTB tegen Heineken al in haar Beschikking had onderzocht (‘examined’) en beoordeeld (‘decided’) en dat die klacht geen nieuwe informatie of gegevens bevatte die zij bij haar beslissing in de Beschikking niet al in aanmerking had genomen.20.
10.
Mede in het licht van dat oordeel van de HCC,21. heeft de rechtbank bij vonnis van 9 mei 2018 geconcludeerd dat MTB haar stelling dat tussen de ingestelde vorderingen tegen AB en Heineken een nauwe band in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis bestaat, onvoldoende met concrete feiten heeft onderbouwd.22.
11.
De rechtbank heeft eveneens geoordeeld dat het voor AB gezien de aard van de verweten gedraging — misbruik van economische machtspositie op de Griekse markt — niet voorzienbaar was dat zij voor een andere dan haar eigen (Griekse) rechter zou kunnen worden opgeroepen.23.
12.
Op deze gronden heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van MTB voor zover die tegen AB waren ingesteld.24. De rechtbank is gelet daarop niet toegekomen aan de beoordeling van de stelling van Heineken en AB dat MTB door het kunstmatig creëren van de voorwaarden voor toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis misbruik heeft gemaakt van procesbevoegdheid.25.
13.
De rechtbank heeft zich bij vonnis van 9 mei 2018 wel bevoegd geacht om kennis te nemen van de vorderingen van MTB voor zover die tegen Heineken waren ingesteld omdat Heineken is gevestigd in het arrondissement van de rechtbank.26.
Oordeel hof
14.
MTB heeft hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Dat hoger beroep richtte zich alleen tegen AB en niet tegen Heineken. Ten aanzien van Heineken was het vonnis gunstig voor MTB omdat de rechtbank zich daarin wél bevoegd verklaarde om kennis te nemen van de tegen Heineken ingestelde vorderingen. Heineken heeft zich in het hoger beroep aan de zijde van AB gevoegd.
15.
Het hof heeft in hoger beroep geoordeeld:
- —
dat er wél een nauw verband in de zin van art. 8 van de Verordening Brussel I-bis bestaat tussen de vorderingen jegens AB en Heineken (rov. 3.3.3-3.7),
- —
dat MTB geen misbruik heeft gemaakt van procesrecht (rov. 3.8–3.10),
- —
dat voor AB voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd (rov. 3.11), en het hof heeft geconcludeerd,
- —
dat de Nederlandse rechter, in het bijzonder de rechtbank Amsterdam, bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB (rov. 3.13).
16.
AB en Heineken zullen deze oordelen van het hof nader aan de orde stellen ter inleiding op de cassatieklachten die zij daartegen in het navolgende zullen aanvoeren. Die klachten hebben een zaaksoverschrijdend belang.
17.
Vooral het door onderdeel 1 bestreden oordeel van het hof kan verstrekkende rechtspolitieke gevolgen hebben, zoals AB en Heineken in subonderdeel 1.2 zullen beschrijven. Dat oordeel impliceert dat een in een bepaalde staat gevestigde dochtermaatschappij die wordt beschuldigd van feitelijke handelingen in die staat, steeds voor de rechter kan worden gedaagd van een andere staat waar haar moedermaatschappij is gevestigd op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat aan dochtermaatschappij en moedermaatschappij dezelfde verwijten worden gemaakt, ook als tussen partijen vaststaat dat de moedermaatschappij niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht in de staat waarin haar dochtermaatschappij is gevestigd. Mogelijk zal uit het oordeel van het hof zelfs worden afgeleid dat één en ander toepassing kan vinden buiten de context van het mededingingsrecht. Die opvatting zou de toets aan de vereisten van art. 8 lid 1 verordening Brussel I bis (in feite, vrijwel) zinledig maken. Zij zou in de praktijk de deur wagenwijd open kunnen zetten voor procedures in Nederland over gedragingen van buitenlandse dochtermaatschappijen in dat buitenland.
18.
Ook het door onderdeel 3 bestreden oordeel kan tot een (veel) te ruim beroep op de Nederlandse rechter leiden aangezien het aan de loop gaat met het vereiste dat voor een verweerder voorzienbaar is dat hij wordt gedaagd voor een rechter van een staat waarin hij niet zijn woonplaats heeft. Het hof neemt daarvoor in aanmerking dat AB onder meer bier verkoopt waarvan het merk toebehoort aan Heineken. Als aldus in feite voldoende zou zijn dat een dochter het merkproduct van een Nederlandse multinational verkoopt, is het einde zoek.
19.
Overigens is het bestreden arrest van het hof een tussenarrest. Het hof heeft op verzoek van AB en Heineken tussentijds cassatieberoep tegen zijn arrest opengesteld bij arrest van 18 mei 2021 (welk arrest het hof op 17 mei 2021 aan partijen heeft toegezonden).
ONDERDEEL 1 (nauw verband, rov. 3.3.3-3.7)
Inleiding
20.
In rov. 3.3.3-3.7 oordeelt het hof dat tussen de vorderingen van MTB jegens AB en de (anker)vorderingen van MTB jegens Heineken, een (voldoende) nauw verband bestaat als bedoeld in art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis.
21.
In rov. 3.4 stelt het hof voorop:
- i.
dat de verwijten aan Heineken louter zien op handelingen op de Griekse markt, die MTB aanmerkt als misbruik van machtspositie;
- ii.
dat MTB aangaande dat feitelijk handelen dezelfde verwijten aan AB maakt als aan Heineken en zij daarop haar vorderingen baseert, die jegens Heineken en AB gelijkluidend zijn;
- iii.
dat tussen partijen vaststaat dat Heineken niet zelf, rechtstreeks, feitelijke handelingen heeft verricht op die markt;
- iv.
dat de HCC reeds een oordeel over de handelingen van AB gegeven heeft, dat MTB de beschikking van de HCC aan haar verwijten ten grondslag legt en dat dit betekent dat de positie van Heineken wat betreft de feiten in zoverre hetzelfde is als die van AB.
22.
In de eerste twee zinnen van rov. 3.5 neemt het hof vervolgens in overweging:
- v.
dat vaststaat (en niet in geschil is) dat Heineken de vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is en dat er een bepaalde centrale beleidsbepaling is, onder meer als het gaat om de internationale presentatie van het merk Heineken, maar,
- vi.
dat wél in geschil is, of (a) Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en of (b) Heineken en AB één onderneming in de zin van artikel 102 VWEU vormen.
23.
In de derde zin van rov. 3.5 overweegt het hof vervolgens dat het belang van het geschil over de genoemde punten sub (a) en (b) — die het hof ziet als het verschil in feitelijke dan wel juridische positie tussen AB en Heineken — beperkt is voor de thans voorliggende vraag. Redengevend daarvoor acht het hof in de daaropvolgende zinnen:
- vii.
dat de Nederlandse rechter in elk geval bevoegd is kennis te nemen van de vordering jegens Heineken en dat de Nederlandse rechter in deze procedure op die vordering zal beslissen;
- viii.
dat de Nederlandse rechter, bij de beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken niet anders zal kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van HCC, en,
- ix.
dat pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan, zich immers de vraag voordoet of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken zijn vervuld.
24.
In rov. 3.6 borduurt het hof op deze overwegingen voort. Het hof overweegt daar:
- x.
dat als de Griekse rechter zou oordelen over de vorderingen tegen AB, niet uit te sluiten is dat hij tot een andere waardering zou komen over het handelen van AB en de HCC-beschikking dan de Nederlandse rechter die ‘hoe dan ook’ dient te beslissen op de vorderingen van MTB jegens Heineken;
- xi.
dat dan de situatie zou kunnen ontstaan dat het gedrag van AB volgens de ene Unierechter wel en volgens de andere niet in strijd is met het Unierechtelijke verbod op misbruik van machtspositie;
- xii.
dat gelet op dat risico van onverenigbare beslissingen in beginsel is voldaan aan de eis van art. 8 lid 1 van verordening Brussel I-bis dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting.
25.
In rov. 3.7 zegt het hof tot slot nog iets over het Skanska-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.27. MTB heeft met een beroep op dat arrest bepleit dat Heineken civielrechtelijk aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van de feitelijke handelingen van AB op de Griekse markt (die volgens MTB misbruik van machtspositie opleveren), indien zou komen vast te staan dat AB en Heineken één onderneming vormen.28. AB en Heineken hebben aangevoerd dat (i) — kort gezegd — MTB dat arrest aldus onjuist heeft uitgelegd omdat het alleen van toepassing is in gevallen van economische opvolging, welke situatie zich i.c. niet voordoet,29. en — afgezien daarvan — ook dat (ii) zij niet samen als één onderneming mogen worden aangemerkt.30. Het hof overweegt in rov. 3.7 dat punt (i) — evenals punt (ii) — voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is, en wel om dezelfde reden als het hof in rov. 3.5 heeft toegelicht. Volgens het hof geldt hetzelfde voor de positie van een (overgroot)moedervennootschap naar het op deze kwestie toepasselijke Griekse recht.
Subonderdeel 1.1 (rechter niet gebonden aan volgorde die hof beschrijft)
26.
Zoals in het voorgaande is gebleken, neemt het hof in rov. 3.5 tot uitgangspunt dat de Nederlandse rechter bij beoordeling van de verwijten aan het adres van Heineken ‘niet anders’ zal ‘kunnen dan een oordeel geven over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC.’ Redengevend daarvoor acht het hof dat ‘Pas nadat aan alle eisen voor toewijzing van de vordering jegens AB is voldaan’ zich de vraag zal voordoen ‘of ook de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn.’
27.
Met deze overwegingen miskent het hof dat de volgorde waarin de rechter zijn beslissingen neemt, aan zijn procesbeleid is overgelaten.31. Bij beoordeling van de vordering op Heineken is de Nederlandse rechter (dus) niet gebonden aan de volgorde die het hof hier beschrijft.
28.
De rechter kan (i) veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van de stellingen van MTB ‘over het handelen van AB en de betekenis van de beschikking van de HCC’, zonder daarover een oordeel te geven en — aldus uitgaande van de juistheid van die stellingen — (ii) (eerst) beoordelen of ‘de extra eisen die nodig zijn voor toewijzing van de vordering jegens Heineken vervuld zijn.’ Doet de rechter dat en komt hij tot het oordeel dat die extra eisen niet zijn vervuld, dan zal hij bij de beoordeling van de vordering tegen Heineken niet toekomen aan een oordeel over (de stellingen van MTB betreffende) het handelen van AB en de betekenis van de Beschikking van de HCC daarvoor. Het risico van onverenigbare beslissingen daarover zal zich in dat geval niet kunnen verwezenlijken.
29.
Het hof heeft het voorgaande miskend, als gevolg waarvan zijn hierboven weergegeven overwegingen in rov. 3.5 rechtens onjuist zijn, althans — zonder (nadere) motivering, die ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, wat meebrengt dat die overwegingen niet in stand kunnen blijven. Ook zijn (daarop voortbouwende) oordelen (in onder meer rov. 3.3.3, 3.6 en 3.13) — dat tussen de vorderingen jegens AB en jegens Heineken een (voldoende) nauwe band bestaat in de zin van art. 8 Verordening Brussel I-bis en/of dat in beginsel is voldaan aan de eis van die bepaling dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting — kunnen als gevolg daarvan niet in stand blijven.
30.
Hetzelfde geldt voor zijn overweging in rov. 3.7 dat voor de thans voorliggende kwestie niet van voldoende belang is de omstandigheid dat de positie van Heineken niet gelijk is aan de aangesproken partij in de Skanska-zaak,32. zodat Heineken niet zonder meer aansprakelijk is als AB dat is. Het hof grondt die overweging immers eveneens op hetgeen het in rov. 3.5 heeft overwogen.33.
Subonderdeel 1.2 (hof miskent verplichting Kolassa en zijn oordeel is ook overigens onjuist)
31.
In feitelijke instanties hebben AB en Heineken zich meermalen34. beroepen op het arrest Kolassa van het HvJ EU.35. Ingevolge (onder meer36.) dit arrest zal de aangezochte rechter zich bij de beoordeling van zijn bevoegdheid niet mogen beperken tot alleen hetgeen de eiser aan zijn vordering ten grondslag legt, maar zal hij alle beschikbare gegevens moeten beschouwen, waaronder de betwisting van gedaagde. AB en Heineken hebben de vorderingen van MTB tegen Heineken betwist met (onder meer) de stelling dat niet is voldaan aan de (door het hof zo in rov. 3.5 genoemde) ‘extra eisen’ die voor aansprakelijkheid van Heineken gelden. In dat kader hebben zij (onder meer) gesteld (a) dat niet sprake is van één onderneming37. en ook — dat als daarvan wel sprake zou zijn — (b) dit niet voldoende zou zijn omdat het Skanska-arrest alleen ziet op economische opvolging.38.
32.
Het hof heeft beide punten sub a en b wel ter sprake gebracht in rov. 3.5 en doelt daar (wat punt b betreft) ook op in rov. 3.7. In feite volstaat het hof daar echter met de overweging dat het die punten voor de ‘thans voorliggende vraag’ beperkt39. en ‘niet van voldoende belang’40. acht (vanwege de reden die het in rov. 3.5 in overweging heeft genomen). Het hof gaat (daarom) in rov. 3.3.3-3.7 niet (althans, niet kenbaar) inhoudelijk op die punten in.
33.
Mede in het licht van de (hiervoor in nr. 31 vermelde) stellingen die AB en Heineken ten aanzien van die punten hebben ingenomen, had het hof bij beantwoording van de vraag of een (voldoende) nauw verband als bedoeld in art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis bestaat, wel op zijn minst op enige wijze en/of in enige mate (kenbaar) inhoudelijk op die punten moeten ingaan, en/of had het hof (in ieder geval) (kenbaar) moeten nagaan of MTB wat die punten betreft aan haar stelplicht heeft voldaan. Het hof heeft dat niet (althans, niet kenbaar) gedaan.
34.
Daarmee heeft het hof (i) de op hem blijkens (onder meer) het arrest Kolassa rustende verplichting41. miskend, waardoor zijn bevestigende antwoord op die vraag rechtens onjuist is, althans (ii) een oordeel gegeven dat — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk is.
35.
Daarmee heeft het hof een oordeel gegeven dat ook onjuist, althans — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk is, omdat het de opvatting impliceert (althans, omdat het tot gevolg heeft) dat een in een bepaalde staat gevestigde dochtermaatschappij die wordt beschuldigd van feitelijke handelingen op de markt van die staat die misbruik van machtspositie op die markt zouden opleveren, steeds voor de rechter kan worden gedaagd van een andere staat waarin haar moedervennootschap is gevestigd op de enkele grond dat de eiser de stelling inneemt dat de dochtervennootschap en de moedermaatschappij beide deel uitmaken van één onderneming. MTB heeft deze opvatting (althans, dat gevolg) in feitelijke instanties ook bepleit.42. Die opvatting (althans, dat gevolg) is — om bovengenoemde redenen — niet alleen strijdig met de op de rechter rustende verplichting uit (onder meer) het Kolassa-arrest, maar aanvaarding van die opvatting (althans, dat gevolg) zou ook de toets aan (de vereisten van) art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis (althans art. 7 lid 1 Rv)43. uithollen, hetgeen temeer onaanvaardbaar zou zijn gelet op het feit dat deze bepaling — als bijzondere bevoegdheidsregel — eng moet worden uitgelegd.44.
ONDERDEEL 2 (misbruik van procesrecht, rov. 3.8–3.10)
Inleiding
36.
AB en Heineken hebben in feitelijke instanties toegelicht dat MTB misbruik van procesrecht heeft gemaakt door hen gezamenlijk voor de Nederlandse rechter te dagvaarden.45.
37.
Het hof oordeelt in rov. 3.8 dat geen sprake is van misbruik van procesrecht door MTB en het motiveert dat oordeel in rov. 3.9 en 3.10.
38.
In de eerste alinea van rov. 3.9 overweegt het hof dat voor misbruik van procesrecht is vereist dat toewijzing van de vordering tegen Heineken redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht. In de tweede alinea van rov. 3.9 past het hof die maatstaf toe. Het overweegt daar:
- i.
dat ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht en de betwisting van Heineken c.s. op dit moment niet met voldoende zekerheid valt uit te sluiten dat AB en Heineken mededingingsrechtelijk gesproken als één onderneming moeten worden aangemerkt;
- ii.
dat in de Beschikking van de HCC ook niet te lezen valt dat zij meent dat Heineken zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van machtspositie;
- iii.
dat HCC slechts (bij herhaling) heeft vermeld en toegelicht dat het haar vrij staat om het gedrag van Heineken niet bij het onderzoek te betrekken en dat zij aanleiding heeft gezien om inderdaad af te zien van zulk onderzoek;
- iv.
dat HCC die beslissing kennelijk mede heeft genomen omdat zij niet beschikte over aanwijzingen dat ook Heineken zich schuldig had gemaakt aan misbruik van machtspositie, en,
- v.
dat dit — in tegenstelling tot wat Heineken c.s. stelt — voorshands iets anders is dan een oordeel van HCC dat Heineken zich niet aan een dergelijk gedrag heeft schuldig gemaakt.
39.
In rov. 3.10 voegt het hof daaraan toe:
- vi.
dat uit de positie van MTB duidelijk is dat het haar niet louter gaat om een oordeel van de Nederlandse rechter over het handelen van AB, maar juist ook om een oordeel over Heineken.
Subonderdeel 2.1 (onjuiste maatstaf misbruik van procesrecht, onbegrijpelijk oordeel)
40.
Zoals in het voorgaande ter sprake is gebracht, overweegt het hof in (de eerste alinea van) rov. 3.9 dat het aanbrengen van de zaak bij de Nederlandse rechter alleen als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van Verordening Brussel I-bis kan worden aangemerkt als toewijzing van de vorderingen jegens Heineken redelijkerwijs op voorhand uitgesloten moet worden geacht. Deze overweging is rechtens onjuist. Het hof miskent daarmee dat van misbruik van procesrecht ook in andere gevallen sprake kan zijn, zoals (onder meer) (i) wanneer Unierechtelijke bevoegdheden worden aangewend met als enkel doel om een verweerder af te trekken van de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft46. en/of (ii) wanneer alle (of vrijwel alle) aanknopingspunten in een zaak naar een lidstaat verwijzen en eiser er geen enkel redelijk (of geen enkel in rechte te respecteren) belang bij heeft om een gerecht in een andere lidstaat aan te zoeken.47.
41.
Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel dat geen sprake is van misbruik van procesrecht — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk in het licht van de stellingen die AB en Heineken in feitelijke instanties hebben aangevoerd.
- A.
Ten eerste hebben AB en Heineken betoogd dat MTB de vordering tegen Heineken bij de Nederlandse rechter hebben ingesteld met als enkel doel om AB daarmee met een beroep op de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis af te trekken van de Griekse civiele rechter48. In het arrest is geen begrijpelijke motivering te vinden waarom dit betoog niet zou opgaan.
In rov. 3.10 overweegt het hof wel dat uit de positie van MTB duidelijk is dat het haar niet louter gaat om een oordeel van de Nederlandse rechter over het handelen van AB, maar juist ook om een oordeel over Heineken. Volgens het hof is dus ook in zoverre geen sprake van misbruik van de vestigingsplaats van Heineken als ankergedaagde.
Ook deze overwegingen van het hof zijn onjuist, althans — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk. Het is onbegrijpelijk wat moet worden verstaan onder ‘de positie van MTB’ en ook waarom uit die positie zou volgen dat het MTB niet louter gaat om een oordeel van de Nederlandse rechter over het handelen van AB, maar juist ook om een oordeel over Heineken. Het enkele feit dat MTB (ook) een vordering bij de Nederlandse rechter tegen Heineken heeft ingesteld, sluit in ieder geval geenszins uit dat sprake is van het bedoelde misbruik. De vraag waar het om gaat is immers juist of MTB misbruik van procesrecht maakt door een vordering bij de Nederlandse rechter tegen Heineken in te stellen (en zich op grond daarvan vervolgens op de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 van Verordening Brussel I-bis te beroepen).
Ook rov. 3.10 vormt aldus geen (voldoende) grond voor het oordeel van het hof dat MTB geen misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 van Verordening Brussel I-bis.
- B.
Ten tweede hebben AB en Heineken betoogd dat alle aanknopingspunten in de onderhavige zaak naar Griekenland verwijzen, dat daadwerkelijke en reële problemen zullen zijn verbonden aan het uitprocederen van het geschil tussen MTB en AB in Nederland en dat MTB er geen enkel redelijk belang bij heeft om in Amsterdam te procederen. In dit verband hebben zij onderbouwd dat de civiele rechtbank te Athene overduidelijk de juiste plaats is om deze zaak te berechten:49.
- i.
De vermeende onrechtmatige handelingen en omissies hebben allemaal plaatsgevonden op de Griekse biermarkt. Dit is evident het geval voor AB, maar dit geldt ook voor MTB's verwijt dat Heineken op een onrechtmatige wijze de bedrijfsvoering van AB zou hebben beïnvloed (of dat Heineken ten onrechte niet ingegrepen zou hebben op die bedrijfsvoering).
- ii.
Alle (vermeende) schade van MTB is gelokaliseerd in Griekenland. Hoewel zij het bestaan van deze schade tot dusver nog met geen enkel feit heeft onderbouwd, is het evident dat een eventueel schadedebat volledig zal gaan over de (historische) omstandigheden op de Griekse biermarkt, de inhoud van Griekse contracten, de wijze waarop het bier op de Griekse markt gedistribueerd werd en Griekse wet- en regelgeving (waaronder de Griekse subsidieregimes).
- iii.
Er ligt een besluit van de Griekse mededingingsautoriteit waarin een overtreding van de Griekse mededingingswet is vastgesteld. Alle processtukken, memo's en brieven van de Griekse mededingingsautoriteit zijn in het Grieks. Vrijwel al het (vermeende) bewijsmateriaal, inclusief de transcripties van getuigenverhoren, zijn Grieks. Daar komt bij dat op de pretense vorderingen van MTB het Griekse civiele recht van toepassing is.
In het bestreden arrest is geen reden te vinden waarom dit door AB en Heineken gevoerde betoog niet zou opgaan. Die is ook niet gelegen in rov. 3.10, gelet op de klachten die AB en Heineken in het voorgaande sub A tegen die overweging hebben aangevoerd. Ook daarom is onjuist, althans — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat geen sprake is van het door AB en Heineken gestelde misbruik van procesrecht door MTB.
Subonderdeel 2.2 (onbegrijpelijke uitleg oordeel HCC)
42.
AB en Heineken hebben verder betoogd (a) dat de Beschikking voor de Griekse civiele rechter negatieve bindende werking zou hebben gehad op grond van artikel 9 lid 1 van de Kartelschaderichtlijn50. en dat de Griekse civiele rechter op die grond de vorderingen tegen Heineken had moeten afwijzen,51. (b) dat MTB dit effect probeert te ontwijken door zich in plaats van tot de Griekse rechter te wenden tot de Nederlandse rechter en (c) dat dit misbruik van Unierecht oplevert.52.
43.
In het bestreden arrest is geen juiste of begrijpelijke motivering gelegen waarom dit door AB en Heineken gevoerde betoog niet zou opgaan. (Ook) gelet daarop is het oordeel van het hof dat geen sprake is van misbruik van procesrecht onjuist, althans — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk.
44.
De bedoelde negatieve bindende werking van de Beschikking voor de Griekse civiele rechter veronderstelt dat in de Beschikking een oordeel besloten ligt over de mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid van Heineken.53.
45.
Voor zover het hof in rov. 3.9 (of elders in het bestreden arrest) heeft geconcludeerd dat een zodanig oordeel niet in de Beschikking besloten ligt en/of dat de HCC de mededingingsrechtelijke aansprakelijkheid van Heineken niet heeft onderzocht, is (zijn) die conclusie(s) van het hof — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk gezien (één of meer van) de stellingen van AB en Heineken daarover hebben ingenomen en/of (één of meer van) de (volgende) vaststaande feiten in deze zaak:
- i.
MTB heeft (uitgebreid onderbouwde) pogingen gedaan om de HCC te brengen tot het oordeel dat Heineken as the parent company of AB mededingingsrechtelijk ook aansprakelijk is voor misbruik van economische machtspositie.54. MTB heeft dat onder meer gedaan met (a) haar verzoek aan de HCC om het al naar AB lopende onderzoek uit te breiden naar Heineken55. en met (b) indiening bij de HCC van een separate klacht tegen Heineken;56.
- ii.
die pogingen zijn mislukt, in het bijzonder doordat de HCC in haar Beschikking afwijzend heeft beslist op zowel dat verzoek als op die klacht, welke beslissing zij ten aanzien van die klacht nog eens uitdrukkelijk heeft bevestigd in haar brief aan Heineken van 10 april 2017;57.
- iii.
bij die beslissingen heeft de HCC door MTB overgelegde memoranda,58. door MTB aangedragen bewijs,59. de hele inhoud van het procesdossier60. en alle feiten van de zaak61. in aanmerking genomen;
- iv.
de HCC is onder meer op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat voldoende bewijs en of bevindingen ontbreken die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat Heineken als ‘parent company’ mededingingsrechtelijk aansprakelijk is;62.
- v.
deze conclusie wordt volgens de HCC bevestigd door bewijs dat MTB zelf heeft aangedragen;63.
- vi.
de HCC heeft overwogen dat er geen bewijs of voldoende aanwijzingen zijn om verder onderzoek naar Heineken te doen (hetgeen — eens te meer — veronderstelt dat de HCC onderzoek naar Heineken heeft gedaan voordat zij tot haar bedoelde beslissingen is gekomen).64.
Indien in rov. 3.9 of in enige andere overweging van het arrest het oordeel besloten zou liggen dat één of meer van deze feiten niet zou(den) vaststaan, is dat oordeel — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk gelet op de stellingen van AB en Heineken waarmee zij die feiten naar voren hebben gebracht en/of de inhoud van de Beschikking van de HCC.65.
46.
Aan de klachten in dit subonderdeel doet — in het bijzonder — niet af:
- a.
dat de HCC in haar Beschikking heeft besloten om het naar AB lopende onderzoek niet uit te breiden naar Heineken.
Het gaat erom hoe de HCC tot die beslissing is gekomen. Verwezen zij naar de bovengenoemde in nr. 45 vermelde feiten. Kort (en onvolledig) gezegd: de HCC heeft (onder meer) de door MTB aangedragen argumenten onderzocht waarom Heineken mededingingsrechtelijk aansprakelijk zou zijn en de HCC heeft geoordeeld dat die argumenten niet overtuigen.
- b.
dat de HCC die beslissing mede heeft genomen omdat zij niet beschikte over aanwijzingen dat ook Heineken zich schuldig had gemaakt aan misbruik van machtspositie;
Het klopt dat de HCC die beslissing mede heeft genomen op de grond dat zij niet beschikte over aanwijzingen dat Heineken zich aan dergelijk gedrag heeft schuldig gemaakt. Dat pleit echter niet voor de door dit subonderdeel bestreden oordelen van het hof maar — in het licht van de hiervoor in nr. 45 beschreven feiten en omstandigheden — juist daartegen.
- c.
het (door het hof aangenomen) feit dat in de Beschikking niet het oordeel te lezen is dat Heineken zich niet aan misbruik van machtspositie heeft schuldig gemaakt.
Ook hier is weer beslissend dat MTB bij de HCC heeft betoogd dat Heineken wél aansprakelijk is voor misbruik van machtspositie en dat de HCC — nadat zij de door MTB daarvoor aangevoerde argumenten en het door haar aangevoerde bewijs in overweging heeft genomen — tot het oordeel is gekomen dat zij daarvoor geen aanwijzingen heeft gezien (zie hierboven, nr. 45). De HCC heeft op dit punt dus een door MTB bepleit en onderbouwd standpunt verworpen en dat is waarom de Beschikking geacht moet worden het oordeel van de HCC te behelzen dat dit standpunt van MTB niet juist is.
ONDERDEEL 3 (rov. 3.11, niet voorzienbaar)
Inleiding
47.
AB en Heineken hebben betoogd dat het voor AB redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat zij voor een Nederlandse rechter zou worden gedaagd en dat dit ook aan diens bevoegdheid in de weg staat.66. In het kader daarvan hebben zij zich onder meer beroepen op het arrest CDC/AkzoNobel. Daarin heeft het HvJ EU geoordeeld dat aan het vereiste van voorzienbaarheid is voldaan in de situatie dat ‘de Commissie een bindende beslissing heeft gegeven waarin één inbreuk op het recht van de Unie wordt vastgesteld en daarmee de aansprakelijkheid van elke deelnemer voor de schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van elk van de deelnemers aan die inbreuk wordt vastgesteld.’67. In dat geval moeten de deelnemers aan de inbreuk ‘er immers rekening mee houden dat zij zouden worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats heeft.’
48.
Onder verwijzing naar deze overwegingen hebben AB en Heineken er in feitelijke instanties op gewezen (a) dat de HCC in haar Beschikking expliciet heeft overwogen dat er geen bevindingen of bewijs voorhanden is waaruit volgt dat Heineken betrokken is geweest bij het vermeende misbruik, (b) dat de feiten in deze zaak juist sterk met de Griekse jurisdictie zijn verbonden en (c) dat zowel MTB als AB Griekse partijen zijn.68.
49.
AB en Heineken hebben geconcludeerd dat het gelet op deze sterke verwevenheid met de Griekse jurisdictie, voor AB niet voorzienbaar was dat zij zich voor de gestelde gedragingen zou moeten verantwoorden voor de Nederlandse rechter. Het enkele feit dat AB een Nederlandse (groot)moedervennootschap heeft, betekent niet dat zij er rekening mee moet houden dat zij voor iedere gedraging — ongeacht aard ervan en de plaats waar die gedraging ten uitvoer is gelegd — voor een Nederlandse rechter kan worden gedagvaard.69.
50.
In rov. 3.11 oordeelt het hof dat het vereiste van voorzienbaarheid niet aan bevoegdheid in de weg staat. Het hof grondt dat oordeel op de overwegingen:
- i.
dat AB in Griekenland bier onder het Heineken-merk verkoopt en zij deel uitmaakt van het Heineken-concern;
- ii.
dat het verwijt dat aan haar gemaakt wordt, is dat zij bij de verkoop van onder meer dat bier op die markt misbruik van haar machtspositie maakt;
- iii.
dat dit verwijt ook gericht wordt aan de topvennootschap van het Heineken-concern en wordt voorgelegd aan de rechter van de vestigingsplaats van die vennootschap;
- iv.
dat dit laatste in redelijkheid ook voor AB te voorzien was, omdat ‘het verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van dat concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen.’
Subonderdeel 3.1
51.
De bedoelde overwegingen sub i-iv van het hof vormen geen dragende grond voor zijn oordeel dat het voor AB voorzienbaar is dat zij voor een Nederlandse rechter zou worden gedaagd. In het bijzonder valt niet in te zien waarom het aan AB gemaakte verwijt (rechtstreeks) verband zou houden met (a) het feit dat AB lid is van het Heineken-concern en/of met (b) het bier van het merk waarop de rechten bij het Heineken-concern liggen. Dat oordeel zelf is (alleen al) daarom onjuist, althans — zonder (nadere) motivering welke ontbreekt — onbegrijpelijk waardoor het niet in stand kan blijven en hetzelfde geldt voor de daarop gebaseerde conclusie van het hof in de laatste zin van rov. 3.11 dat dit aspect niet aan bevoegdheid in de weg zou staan.
Subonderdeel 3.2
52.
MTB heeft het door het hof in de voorlaatste zin van rov. 3.11 vermelde verband ook niet gesteld en al helemaal niet ten grondslag gelegd aan haar betoog dat aan het vereiste van voorzienbaarheid zou zijn voldaan.
MTB heeft betoogd dat aan het vereiste van voorzienbaarheid is voldaan omdat — kort gezegd — Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB zou hebben uitgeoefend.70. Blijkens rov. 3.5 van zijn arrest heeft het hof erkend dat in geschil is of Heineken als (over)grootmoedervennootschap beslissende invloed op AB uitoefent en ook of Heineken en AB één onderneming vormen, maar heeft het zich daar zelf niet over uitgesproken. Aldus kan het (wél) door MTB aangevoerde argument in ieder geval niet de conclusie dragen dat aan het vereiste van voorzienbaarheid is voldaan. Het hof verwijst in rov. 3.11 ook niet naar dat (wél) door MTB aangevoerde argument.
53.
Door het bedoelde (in de voorlaatste zin van rov. 3.11 vermelde) verband bij zijn oordeel in rov. 3.11 desondanks in overweging te nemen, is het hof getreden buiten de door art. 24 Rv gestelde grenzen, althans, heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. Het hof had AB en Heineken in ieder geval de gelegenheid moeten geven zich daarover uit te laten, wat het hof niet heeft gedaan. Ook gelet op deze redenen kan niet in stand blijven de conclusie van het hof in rov. 3.11 dat het vereiste van voorzienbaarheid niet aan bevoegdheid in de weg staat.
Subonderdeel 3.3
54.
Ook indien wél tot uitgangspunt zou mogen worden genomen dat het aan AB gemaakte verwijt rechtstreeks verband houdt met haar lidmaatschap van het Heineken-concern en het bier van het merk waarop de rechten bij dat concern liggen en indien het hof dat verband wél bij zijn oordeel in rov. 3.11 in overweging zou hebben mogen nemen, kan niet in stand blijven het oordeel van het hof dat het voor AB redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd. Dat oordeel zou (ook) in dat geval onjuist, althans — zonder (nadere) motivering, welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn. Het door het hof in aanmerking genomen verband vormt geen dragende grond voor dat oordeel. Dit geldt eens te meer in het licht van (één of meer van) de volgende (door AB en Heineken gestelde) omstandigheden:
- i.
de HCC heeft geoordeeld dat er geen bevindingen of bewijs voorhanden zijn waaruit zou volgen dat Heineken betrokken is geweest bij het vermeende misbruik van machtspositie door AB;71.
- ii.
alle aanknopingspunten in deze zaak verwijzen naar Griekenland en de feiten in deze zaak zijn sterk met de Griekse jurisdictie verbonden;72.
- iii.
zowel MTB als AB zijn Griekse partijen;73.
- iv.
Heineken heeft geen beslissende invloed op AB uitgeoefend;74.
- v.
Heineken en AB vormen niet één onderneming in de zin van artikel 102 VWEU.75.
Op grond van dit middel
vorderen AB en Heineken dat het arrest waartegen het cassatieberoep is gericht door de Hoge Raad zal worden vernietigd, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend zal achten, met veroordeling van MTB in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑05‑2021
Zie: hof, rov. 3.2.
Zie: hof, rov. 2.1 en 2.2.
Zie: hof, rov. 3.2 en 3.4.
Zie: hof, rov. 3.4. Zie voor de Beschikking, hof, rov. 2.4 en 2.5. MTB heeft (een Engelse vertaling van) de Beschikking bij Inleidende Dagvaarding overgelegd als productie 1.
Zie: hof, rov. 3.7 (‘Datzelfde geldt voor de positie van een (overgroot)moedervennootschap naar het op deze kwestie toepasselijke Griekse recht.’) en 3.9, tweede alinea (‘Ook met inachtneming van het toepasselijke Griekse recht … .’). (Onderstrepingen toegevoegd). Zie ook: rb, rov. 4.12; MvG, nr. 198 (‘MTB's vorderingen tot schadevergoeding worden beheerst door Grieks recht.’)
Zie onder meer: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nr. 63; MvA, nr. 251.
De Verordening (EU) nr. 1215/20212 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Zie: hof, rov. 3.3.1 (‘De hoofdregel van die verordening (art. 4) wijst de Griekse rechter aan als het bevoegde forum als het gaat om de thans aan de orde zijnde vorderingen tegen AB.’)
Zie: hof, rov. 3.3.1; HvJ EU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer), rov. 74.
Zie: hof, rov. 2.3.
Zie: hof, rov. 3.4.
Zie: hof, rov. 2.3.
Zie: hof, rov. 3.4.
Zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 3–4, 112–115; MvA, nrs. 6–13, 22, 73, 276–282; Pleittnota AB en Heineken in hoger beroep, nr. 11 en nt 9.
Zie: hof, rov. 2.5. Het hof haalt hier rov. 86 uit de Beschikking aan (‘In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB, and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, (…).’) Zie ook: Inleidende Dagvaarding, nr. 141 (‘MTB heeft in diverse memoranda aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Heineken.’). MTB heeft ook getuigenverklaringen laten afleggen over onder meer de rol die Heineken volgens haar zou hebben gespeeld. Zie daarvoor: Inleidende Dagvaarding, nr. 133 (‘MTB was als derde partij bij het onderzoek van de HCC betrokken en heeft in die hoedanigheid getuigenverklaringen gegeven over de praktijken van AB en de rol van Heineken als moedermaatschappij van AB bij die praktijken.’).
MTB heeft de klacht tegen Heineken ingediend op 23 mei 2014 (zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 3, 112 nt 69; MvA, nrs. 9, 73, 278; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 11 nt 9). AB en Heineken hebben die klacht bij hun Incidentele Conclusie van 21 juni 2017 overgelegd als productie 2. De klacht omvat een betoog van 23 bladzijden waarom Heineken aansprakelijk zou zijn. De rechtbank heeft deze klacht vermeld in rov. 2.11 van haar vonnis. Het is opmerkelijk dat het hof de klacht nergens vermeldt en dat het hof in rov. 2.5 van zijn arrest bij de weergave van rov. 86 van de Beschikking de zin weglaat waarin de klacht wordt vermeld (‘At the same time, it stated that ‘it has lodged an independent complaint against Heineken NV (…) seeking acknowledgement that it is a party jointly and severally liable with Athenian Brewery SA for the potential abuse of the latter's (AB's) dominant position, as its parent company.’)
Zie: hof, rov. 2.5 (Beschikking, rov. 88: ‘… having due regard to all contents of the case file and all facts of the case …’).
Zie: hof, rov .2.5 (Beschikking, rov. 88: ‘… held unanimously that there is no evidence or sufficient indications, nor any superior reasons of effectiveness justifying further investigation in that direction.’ en rov. 89 Beschikking: ‘As already mentioned, there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (…).’)
Zie: Beschikking, rov. 89, nt 111 (‘On the contrary, internal corporate compliance procedures were identified, which were intended to prevent infringements of competition laws (this, of course, does not preclude a priori the ability to impute liability on the parent company in future cases). Hence, the absence of sufficient evidence and/or findings justifying the imputation of liability on the parent company (at least for part of the investigated time period) is confirmed by the evidence adduced by the intervener itself.’) Het hof heeft deze passage uit de Beschikking niet vermeld. AB en Heineken hebben zich daar in feitelijke instanties wél — meermalen — uitdrukkelijk op beroepen (zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nr. 113; MvA, nrs. 78 en 276). AB en Heineken hebben zich ook meermalen beroepen op de verklaring die mevrouw [betrokkene 1] — in de bewuste periode directeur-generaal van de HCC — heeft afgelegd tijdens een getuigenverhoor in een gerelateerde Griekse strafrechtelijke procedure op 4 februari 2019. Zij heeft expliciet verklaard dat de HCC alle gegevens had bekeken en dat op grond daarvan is geconcludeerd ‘dat er geen betrokkenheid van Heineken was.’ (MvA, nrs. 12, 80 en 281; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 11). Het hof heeft ook deze verklaring niet vermeld.
Het betreft een brief van 10 april 2017 die AB en Heineken bij Incidentele Conclusie van 21 juni 2017 hebben overgelegd als productie 1 (zie daarover: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 3, 114; MvA, nrs. 11, 280; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 11, nt 10).
Zie: rb, rov. 4.10. (‘MTB heeft ten aanzien van de betrokkenheid van Heineken bij de gestelde mededingingsinbreuk nauwelijks concrete feitelijke stellingen ingenomen. Voor de feitelijke onderbouwing van haar vorderingen verwijst zij voornamelijk naar de HCC-beschikking, maar daarin zijn alleen gedragingen van AB op de Griekse biermarkt vermeld en expliciet geen feitelijke gedragingen van Heineken. Integendeel, de Griekse Mededingingsautoriteit heeft juist overwogen dat er geen specifieke bevindingen en/of bewijzen zijn voor directe betrokkenheid van Heineken bij het door haar vastgestelde misbruik van machtspositie door AB (zie 2.12).’)
Zie: rb, rov. 4.9–4.12.
Zie: rb, rov. 4.13.
Zie: rb, rov. 4.14.
Zie: rb, rov. 4.14.
HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska).
Zie onder meer: Pleitnota MTB hoger beroep, nrs. 4–7.
Zie onder meer: MvA, nrs. 181–191; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 4 en 26–34.
MTB heeft betoogd dat daarvan wel sprake is omdat Heineken volgens haar een beslissende invloed uitoefende op het gedrag van AB (zie onder meer: Pleitnota MTB hoger beroep, nrs. 30–36). AB en Heineken hebben betwist dat Heineken beslissende invloed heeft uitgeoefend op het gedrag van AB (zie onder meer: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 99-110; MvA, nrs. 124–167 en Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 43–47). Voor hun betwisting van de stelling van MTB dat zij samen één onderneming zouden vormen, hebben zij zich ook beroepen op de Beschikking van de HCC (zie onder meer: MvA, nrs. 195–198; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 35–47).
HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska).
Zie: rov. 3.7, ‘… is om dezelfde reden als hiervoor onder 3.5 toegelicht, … .’
Zie onder meer: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nr. 6; MvA, nrs. 93–95 en 286–289; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 20–24.
HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 punt 58–65. Het hof brengt dit arrest ter sprake in rov. 3.3.2.
Zie daarvoor ook: HvJEU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:499 (Universal Music/Schilling), punt 42–46; HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:230 (rov. 3.2); HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566 (rov. 3.4.3 en 3.4.4); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443 (rov. 4.1.3–4.1.5).
MTB heeft betoogd dat daarvan wel sprake is omdat Heineken volgens haar een beslissende invloed uitoefende op het gedrag van AB (zie onder meer: Pleitnota MTB hoger beroep, nrs. 30–36). AB en Heineken hebben betwist dat Heineken beslissende invloed op AB heeft uitgeoefend op het gedrag van AB (zie onder meer: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 99-110; MvA, nrs. 124–167 en Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 43–47). Voor hun betwisting van de stelling van MTB dat zij samen één onderneming zouden vormen, hebben zij zich ook beroepen op de Beschikking van de HCC (zie onder meer: MvA, nrs. 195–198; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 35–47).
Zie onder meer: MvA, nrs. 181–191; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 4 en 26–34.
Zie: hof, rov. 3.5.
Zie: hof, rov. 3.7.
De op de rechter rustende verplichting om zich bij de beoordeling van zijn bevoegdheid niet te beperken tot hetgeen de eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, maar alle beschikbare gegevens, waaronder de betwisting van gedaagde, te beschouwen.
Zie: Pleitnota MTB hoger beroep, nr. 7 (‘Uw Gerechtshof hoeft in dit bevoegdheidsincident alleen maar te bevestigen dat, wanneer er schadevorderingen worden ingesteld tegen meerdere partijen op de grond dat zij beide deel uitmaken van de onderneming die het Europese mededingingsrecht heeft geschonden, er tussen die vorderingen een voldoende nauwe band bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Vo.’). Zie in dezelfde zin: Pleitnota MTB hoger beroep, nr. 62.
Zo ook: hof, rov. 3.3.1; HvJ EU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer), rov. 74.
Zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nr. 6; MvA, nrs. 93–95, 286–289; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 20–24.
Zie: MvA, nrs. 248–250 en 255.
Zie: MvA, nrs. 251 en 256.
Zie: MvA, nrs. 248–250 en 255.
Zie: MvA, nr. 252 en 256.
Het betreft Richtlijn 2014/104/EU. Zie: Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 13 noot 11 (‘O.g.v. artikel 9 lid 1 van Richtlijn 2014/104/EU is de Griekse civiele rechter gebonden aan de vaststelling van de Griekse mededingingsautoriteit dat Heineken geen overtreder is van het Griekse mededingingsrecht.’).
Zie: Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 13 (‘Zou MTB haar vorderingen voor de Griekse civiele rechter hebben gebracht, dan zou die rechter ook alle vorderingen jegens Heineken onmiddellijk moeten afwijzen. Voor de Griekse civiele rechter zou immers de Beschikking, inclusief het oordeel dat Heineken niet betrokken was, geacht worden onweerlegbaar vast te staan.’)
Zie: Pleitnota AB en Heineken in hoger beroep, nrs. 13 en 14 (‘Bovendien levert MTB's processuele ‘uitwijkmanoeuvre’ naar Amsterdam in casu misbruik van Unierecht op. Deze manoeuvre is er evident op gericht om Athenian Brewery van haar eigen forum (de Griekse rechter) weg te houden en — in het verlengde daarvan — om de negatieve bindende werking van de Beschikking te ontwijken. Dat is in strijd met de uitgangspunten van het Unierecht en met het doel de EEX-Verordening (waaronder de voorspelbaarheid van het bevoegde forum.’).
Zie daarvoor: het door partijen besproken arrest Martinair (Gerecht EU 16 december 2015, zaak T-67/11, ECLI:EU:T:2015:984, rov. 35 en 36).
Zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 3–4, 112–115; MvA, nrs. 6–13, 22, 73, 276–282; Pleittnota AB en Heineken in hoger beroep, nr. 11 en nt 9.
Zie: hof, rov. 2.5. Het hof haalt hier rov. 86 uit de Beschikking aan (‘In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB, and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, (…).’) Zie ook: Inleidende Dagvaarding, nr. 141 (‘MTB heeft in diverse memoranda aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Heineken.’). MTB heeft ook getuigenverklaringen laten afleggen over onder meer de rol die Heineken volgens haar zou hebben gespeeld. Zie daarvoor: Inleidende Dagvaarding, nr. 133 (‘MTB was als derde partij bij het onderzoek van de HCC betrokken en heeft in die hoedanigheid getuigenverklaringen gegeven over de praktijken van AB en de rol van Heineken als moedermaatschappij van AB bij die praktijken.’).
MTB heeft de klacht tegen Heineken ingediend op 23 mei 2014 (zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 3, 112 nt 69; MvA, nrs. 9, 73, 278; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 11 nt 9). AB en Heineken hebben die klacht bij hun Incidentele Conclusie van 21 juni 2017 overgelegd als productie 2. De klacht omvat een betoog van 23 bladzijden waarom Heineken aansprakelijk zou zijn. De rechtbank heeft deze klacht vermeld in rov. 2.11 van haar vonnis. Het is opmerkelijk dat het hof de klacht nergens vermeldt en dat het hof in rov. 2.5 van zijn arrest bij de weergave van rov. 86 van de Beschikking de zin weglaat waarin de klacht wordt vermeld (‘At the same time, it stated that ‘it has lodged an independent complaint against Heineken NV (…) seeking acknowledgement that it is a party jointly and severally liable with Athenian Brewery SA for the potential abuse of the latter's (AB's) dominant position, as its parent company.’)
AB en Heineken hebben deze brief bij Incidentele Conclusie van 21 juni 2017 overgelegd als productie 1 (zie daarover: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 3, 114; MvA, nrs. 11, 280; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 11, nt 10). Het hof maakt in zijn arrest geen melding van deze brief.
Zie: Beschikking (door MTB bij Inleidende Dagvaarding overgelegd als productie 1), rov. 73 (‘Moreover, after submitting a series of memoranda, as above, and after attending the oral procedure and presenting its views during the hearing, MTB submitted to HCC multiple-page memoranda, whereby it presented and elaborated on its assertions ‘thoroughly and extensively’.) rov. 86 (‘In its memoranda, Macedonian Thrace Brewerey ….’). Zie voor laatstgenoemde passage ook: hof, rov. 2.5.
Zie: Beschikking (door MTB bij Inleidende Dagvaarding overgelegd als productie 1), rov. 89, nt 11 (‘ … is even confirmed by evidence adduced by the intervener itself’).
Zie: Beschikking (door MTB bij Inleidende dagvaarding overgelegd als productie 1), rov. 88 (‘In the case at hand, the Commission, having due regard to all contents of the case file …’). Zie ook: hof, rov. 2.5.
Zie: Beschikking (door MTB bij Inleidende dagvaarding overgelegd als productie 1), rov. 88 (‘In the case at hand, the Commission, having due regard to … all facts of the case, … ’). Zie ook: hof, rov. 2.5
Zie: Beschikking (door MTB bij Inleidende Dagvaarding overgelegd als productie 1), rov. 89, nt 111 (‘On the contrary, internal corporate compliance procedures were identified, which were intended to prevent infringements of competition laws (this, of course, does not preclude a priori the ability to impute liability on the parent company in future cases). Hence, the absence of sufficient evidence and/or findings justifying the imputation of liability on the parent company (at least for part of the investigated time period) is confirmed by the evidence adduced by the intervener itself.’) Het hof heeft deze passage uit de Beschikking niet vermeld. AB en Heineken hebben zich daar in feitelijke instanties wél — meermalen — uitdrukkelijk op beroepen (zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nr. 113; MvA, nrs. 78 en 276).
Zie: vorige noot.
Zie: Beschikking (door MTB bij Inleidende Dagvaarding overgelegd als productie 1), rov. 89, nt 111 (‘… held unanimously that there is no evidence or sufficient indications nor any superior reasons of effectiveness justifying further investigation in that direction.’)
Voor vindplaatsen van die stellingen en van de desbetreffende overwegingen in de Beschikking zij verwezen naar de bronnen die in dit nummer per feit zijn vermeld.
Zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 10, 128–130; MvA, nrs. 245–247; Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nr. 25.
HvJ EU 21 mei 2015, zaak C-352113, ECLT:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo Nobel NV), rov. 24.
Zie: MvA, nrs. 245–246.
Zie: MvA, nr. 247.
Zie: MvG, nrs. 172–173 (‘Kortom: AB's banden met Heineken en Nederland zijn dermate evident en dermate bepalend voor het gedrag van AB op de Griekse biermarkt dat AB moet worden verondersteld volledig bekend te zijn geweest met de mogelijkheid dat haar gedrag (naast dat van Heineken) voor een Nederlandse rechter zou worden beoordeeld’).
Zie: MvA, nr. 246,
Zie: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nr. 63; MvA, nrs. 246, 251.
Zie: MvA, nr. 246.
Het hof overweegt in rov. 3.5 dat dit in geschil is. Het hof geeft daarover zelf geen oordeel, zodat er in cassatie veronderstellenderwijs vanuit moet worden gegaan dat het gelijk op dit punt aan de zijde van AB en Heineken ligt en dus dat Heineken geen beslissende invloed op AB heeft uitgeoefend. Zie voor de desbetreffende stellingen van AB en Heineken onder meer: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 99–110; MvA, nrs. 124–167 en Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 43–47.
Het hof overweegt in rov. 3.5 dat ook dit in geschil is en geeft ook daarover zelf geen oordeel. In cassatie moet er daarom veronderstellenderwijs vanuit worden gegaan dat het gelijk ook op dit punt aan de zijde van AB en Heineken ligt en dus dat Heineken en AB niet één onderneming in de zin van art. 102 VWEU vormen. Zie voor de desbetreffende stellingen van AB en Heineken onder meer: Incidentele Conclusie AB en Heineken van 21 juni 2017, nrs. 99–110; MvA, nrs. 124–167 en 195–189 en Pleitnota AB en Heineken hoger beroep, nrs. 35–47.