Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/4.2.3.1
4.2.3.1 Uitkeringsfictie bij omzetting stichting?
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS497631:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
C.P.M. van Houte, De stichting in het Nederlandse belastingrecht (FM nr. 69), Deventer: Kluwer 1994, p. 138, N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Deventer: Gouda Quint, onderdeel 7.0.2, b en A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 156.
A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 156.
C.P.M. van Houte, ‘De nieuwe omzettingsregeling en haar belastingrechtelijke implicaties’, WFR 1991, 1287.
De auteur plaatst hier de volgende noot: ‘Bij uitkeringen gaat het om onverplichte prestaties, aldus o.a. A.G. Lubbers, Stichting en notariële praktijk, WPNR 1978/5439.’
N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Deventer: Gouda Quint, onderdeel 7.0.1.B, b.
De auteurs plaatsen hier de volgende noot: ‘Art. 2:285, eerste lid, BW bepaalt dat de stichting geen leden heeft. Volgens art. 2:285, derde lid, BW mag een stichting bovendien niet ten doel hebben het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen doel deel uitmaken van haar organen. In deze beide bepalingen is het wettelijke beginsel neergelegd dat de stichting geen deelgerechtigden kent. Alleen onverplichte uitkeringen (die bovendien van een ideële of sociale doelstrekking zijn) zijn aan derden zijn toegestaan. Zie J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, p. 477-481.’
A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 159.
C.P.M. van Houte, ‘Fiscale aspecten van omzetting van rechtspersonen’, Elsevier Dossier, nr. 40, 2000, p. 21-22.
De auteur plaatst hier de volgende noot: ‘Art. 2:285, derde lid, BW’.
De auteur plaatst hier de volgende noot: ‘Art. 2:18, zesde lid, BW’.
Een min of meer vergelijkbare vraag is aan de orde bij sommige juridische fusies: zie R.J. de Vries, Juridische fusie (FM nr. 84), Deventer: Kluwer 1998, p. 282-283.
Art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 bepaalt dat het vermogen wordt geacht te zijn uitgekeerd aan de deelgerechtigden naar de mate van hun deelgerechtigdheid. In de literatuur wordt overwegend ervan uitgegaan dat de uitkeringsfictie van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 op de omzetting van een stichting niet kan worden toegepast omdat de stichting geen deelgerechtigden kent.1 Met andere woorden: art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1869 stipuleert geen belastbaar feit, zoals een eventueel voor de heffing van inkomsten- dan wel vennootschapsbelasting belaste liquidatie-uitkering, omdat een relevante belastingplichtige ontbreekt, te weten een deelgerechtigde. Rijkers verwoordt dit met betrekking tot de omzetting van een stichting in een BV als volgt:2
‘Met de uitkering van het vermogen is kennelijk bedoeld de eigendomsovergang – c.q. fictieve overdracht – van alle activa en passiva. (...).
Een stichting kent echter geen deelgerechtigden, terwijl de tekst van art. 28a Wet VPB 1969 zich verzet tegen een interpretatie waarin de uiteindelijke aandeelhouders als deelgerechtigden worden aangemerkt. De wetgever heeft zich mogelijk niet gerealiseerd dat art. 28a, bedoeld voor omzettingen van rechtspersonen in het algemeen, een nuancering behoefde voor stichtingen. De summiere toelichting op het wetsartikel verschaft geen duidelijkheid in deze.’
Het ontbreken van een deelgerechtigde ligt besloten in het voor de stichting op de voet van art. 2:285 lid 1 BW geldende ledenverbod in combinatie met het op de voet van art. 2:285 lid 3 BW geldende uitkeringsverbod. Blijkens art. 2:285 lid 3 BW zijn alleen uitkeringen van ideële of sociale strekking door de stichting aan derden toegestaan. Vanwege het onverplichte karakter van deze uitkeringen kunnen degenen die daarvoor in aanmerking komen niet als deelgerechtigden worden aangemerkt. In dit verband merkt Van Houte op:3
‘Blijkens de fictiebepaling van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 dient er voor het aannemen van een fictieve liquidatie-uitkering sprake te zijn van deelgerechtigdheid tot het vermogen. Welnu, het uitkeringsverbod van art. 2:285 lid 3 BW impliceert dat er geen gerechtigdheid is tot het stichtingsvermogen. Degenen op wier belangenbehartiging het (ideële of sociale) doel van de stichting is gericht, moeten maar afwachten of zij ook metterdaad een uitkering van de stichting ontvangen.4’
Ook De Vries en De Vries kennen geen betekenis toe aan de uitkeringsfictie bij de omzetting van een stichting. Zij merken met betrekking tot de omzetting van een stichting in een NV of BV het volgende op:5
‘Het is ons inziens de vraag of de wetgever zich wat betreft de (...) de omzetting van een stichting in een NV of BV heeft gerealiseerd dat de stichting geen deelgerechtigden kent,6 zodat een uitkering aan deelgerechtigden niet denkbaar is. Bovendien schrijft art. 2:18 lid 6 BW voor dat het vermogen van de in een NV of BV omgezette stichting slechts met toestemming van de rechter voor een ander doel mag worden besteed dan vóór de omzetting. Een en ander impliceert naar onze mening dat de fictieve liquidatie-uitkering ex art. 28a lid 1 onderdeel b – bij gebreke aan dat lid genoemde ‘deelgerechtigden’ – zich niet kan voordoen bij de omzetting van een stichting in een NV of BV.’
Uit het bovenstaande citaat blijkt dat De Vries en De Vries in de vermogensklem van art. 2:18 lid 6 BW mede een argument zien om de uitkeringsfictie van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 bij de omzetting van een stichting buiten toepassing te laten. Dit dus in combinatie met het feit dat de stichting geen deelgerechtigden kent. Het lijkt er daarmee op dat zij ook de situatie ná de omzetting van de stichting in ogenschouw nemen voor de beoordeling of er een deelgerechtigde is tot het (voormalige stichtings-)vermogen, thans BV. Ik begrijp dat wel, hetgeen ik zal toelichten, maar het is mijns inziens een overbodig argument.
Ik vermoed dat De Vries en De Vries in het bovenstaande citaat vooral de gang van zaken in Rb. Arnhem van 14 mei 1992, NJkort 1992, 45 (Stichting Werkpool Nijmegen II) en Rb. Zwolle van 12 november 2003, nr. HARK03-61, JOR 2004/68 (Stichting het Gastouderbureau) voor ogen hebben gehad. In deze twee uitspraken, die ik uitvoerig heb behandeld in paragraaf 2.8.7.3 hiervóór, oordeelde de rechter dat het in strijd is met het uitkeringsverbod van art. 2:285 lid 3 BW alsmede de vermogensklem van art. 2:18 lid 6 BW om in het kader van de omzetting van een stichting in een BV aandelen uit te geven aan de bestuurder(s) van de stichting aan wie vervolgens de winst en bij vereffening het vermogen toekom(t)(en). De rechter bleek echter bereid de omzetting goed te keuren indien bij de BV een statutaire reserve zou worden aangehouden, bestemd voor het doel waarvoor de stichting in het leven was geroepen. In een dergelijke situatie is de aandeelhouder (ook) na de omzetting niet gerechtigd tot het voormalige stichtingsvermogen. Dat is de reden waarom ik vermoed dat De Vries en De Vries menen dat mede vanwege de vermogensklem de uitkeringsfictie niet kan worden toegepast bij de omzetting van een stichting in een BV. Immers, in deze situatie ontbreekt zowel voor als ná de omzetting een deelgerechtigde tot het stichtingsvermogen. Zoals gezegd, acht ik dit argument overbodig. Want ook in het – overigens naar het mij voorkomt zeldzame – geval waarin de in het kader van de omzetting van een stichting in een BV uitgegeven aandelen wél recht geven op het (voormalige) stichtingsvermogen, kan de uitkeringsfictie mijns inziens niet worden toegepast. Uit dezelfde zojuist genoemde jurisprudentie alsmede uit de uitspraak van Rechtbank Zwolle van 7 februari 2003, nr. HARK02-78, JOR 2004/2 (BV Icare Thuiszorgwinkels Flevoland) kan worden afgeleid dat dergelijke aandelen in beginsel alleen kunnen worden uitgegeven aan degenen die behoorden tot de ‘doelgroep’ van de stichting (zie uitgebreid par. 2.8.7.3 hiervóór). Mijns inziens kunnen de verkrijgers van dergelijke aandelen niet met de uitkeringsfictie worden geconfronteerd vanwege het in art. 28a lid 1 Wet VPB 1969 besloten liggende fictieve kasrondje: de deelgerechtigden in de geliquideerde rechtspersoon brengen het aan hen uitgekeerde vermogen in een nieuwe rechtspersoon. Een dergelijk kasrondje is niet mogelijk indien de deelgerechtigdheid in de rechtspersoon pas ná de omzetting ontstaat. Rijkers verwoordt dit (treffend) als volgt:7
‘Welke zijn nu de gevolgen voor de verkrijgers van de aandelen indien we aannemen dat géén sprake is van een vermogensklem ingvolge art. 2:18, zesde lid, BW en de stichting juridisch en economisch eigenaresse is van alle vermogensbestanddelen en het gehele stichtingsvermogen wordt gestort op de aandelen?
Aangezien de stichting geen deelgerechtigden kent kan de fictie van art. 28a, eerste lid, onderdeel b, Wet VPB 1969, te weten het kasrondje van uitkering aan deelgerechtigden gevolgd door inbreng door de deelgerechtigden, geen toepassing vinden.’
De conclusie moet zijn dat de uitkeringsfictie van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 bij de omzetting van een stichting een anomalie is. Om tot een sluitend systeem te komen, zal over deze anomalie moeten worden heengestapt. Omdat de uitkering zich in werkelijkheid niet voordoet, ligt het voor de hand om de uitkeringsfictie vooral door middel van een teleologische interpretatie in te passen in het systeem van art. 28a Wet VPPB 1969. Van Houte heeft hiertoe een aanzet gedaan. Hij merkt op:8
‘De omzetting [van een stichting, JLS] leidt eveneens tot een fictieve uitkering aan de deelgerechtigden tot het (...) stichtingsvermogen. Aangezien het stichtingsvermogen in beginsel beklemd is9 doet zich op dit punt eveneens een strijd voor met het civiele recht. Deze klem blijft na omzetting in een NV of BV in beginsel bestaan.10 Indien over deze anomalie wordt heengestapt en een liquidatie-uitkering wordt aangenomen, rijst de vraag of aan die fictie fiscale consequenties kunnen worden verbonden voor de vennootschaps-, dividend- of inkomstenbelasting. Naar mijn idee is daarvan geen sprake. De fictieve liquidatie-uitkeringen aan personen (bijvoorbeeld betrokkenen bij een stichting) die geen ondernemer zijn, is niet op een van de in de Wet IB 1964 opgesomde bronnen terug te voeren. Er ontbreekt een vermogensrechtelijke betrekking op grond waarvan de betrokkenen een met het aandeelhouderschap vergelijkbare aanspraak jegens de stichting hebben. Bij gebrek aan een dergelijke betrekking kan noch winst uit aanmerkelijk belang, noch inkomsten uit vermogen worden aangenomen. Een andere bron van inkomsten is evenmin aan te wijzen.’
De benadering van Van Houte spreekt mij niet aan omdat hij niet werkelijk over de anomalie heen stapt. In plaats daarvan bedient hij zich van een doelredenering. Weliswaar neemt hij een fictieve liquidatie-uitkering aan, maar die sorteert zijns inziens geen fiscaal effect omdat een deelgerechtigde tot die uitkering ontbreekt. Dit is mijns inziens hetzelfde als het buiten toepassing laten van de uitkeringsfictie omdat een deelgerechtigde ontbreekt, waarmee we weer terug zijn bij ‘af’.
Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van art. 28a Wet VPB 1969 is mijns inziens een eenvoudig en sluitend systeem te creëren waarin de uitkeringsfictie van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 kan worden toegepast indien een stichting zich omzet in een andere rechtsvorm, zoals een BV. Volgens de parlementaire toelichting beogen de liquidatie, uitkering – en inbrengfictie van art. 28a Wet VPB 1969 de status quo te handhaven, te weten de fiscale gang van zaken onder de omzettingsregeling van art. 2:19 en art. 2:20 BW (oud). De omzetting op de voet van art. 2:19 en art. 2:20 BW (oud) van een stichting in een BV hield naast de ontbinding van de stichting en de oprichting van de BV een overgang van het vermogen onder algemene titel in van de stichting naar de BV. Het ligt daarom mijns inziens voor de hand ook onder art. 28a lid 1 Wet VPB 1969 een rechtstreekse vermogensovergang aan te nemen van de stichting aan de BV, en wel door middel van de uitkeringsfictie van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969. De vraag rijst dan natuurlijk of het overgegane vermogen bij de BV is belast. Onder de omzettingsregeling van art. 2:19 en art. 2:20 BW was dat waarschijnlijk niet het geval omdat de onder algemene titel verkregen vermogensbestanddelen niet konden worden aangemerkt als voordelen verkregen uit onderneming ex art. 7 Wet IB 1964 (thans art. 3.8 Wet IB 2001) juncto art. 8 lid 1 Wet VPB 1969.11 Bovendien zou dat naar mijn mening uit een redelijke wetstoepassing zijn voortgevloeid. Onder art. 28a lid 1 Wet VPB 1969 is de fictieve uitkering van het vermogen door de stichting aan de BV evenmin bij de BV belast. Dit vloeit mijns inziens reeds voort uit de inbrengfictie van art. 28a lid 1 onderdeel c Wet VPB 1969. In feite vallen de uitkeringsfictie en de inbrengfictie samen bij de omzetting van een stichting. Zoals gezegd in paragraaf 4.2.2.1 hiervóór, impliceert de inbrengfictie dat de fictieve vermogenstoename bij de BV zich afspeelt in de kapitaalsfeer, en derhalve onbelast is.