Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.2.4
I.2.4 Het gesloten stelsel. Overbodig?
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS582725:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gewijzigd Ontwerp vanWet, 3771, nr. 7. Zie over het gesloten stelsel ook Rapport II, Commissie Erfrecht, p. 23 e.v.
Memorie van Antwoord, 3771, nr. 6, p. 21, Voorlopig Verslag, 3771, nr. 8, p. 20. Het stelsel was destijds nog beperkt tot rechtshandelingen die in Boek 4 waren geregeld. Zo was de aanwijzing van een voogd geen uiterste wilsbeschikking. Met de Nota van Wijziging, 3771, nr. 9 werd het stelsel ook voor rechtshandelingen buiten Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geopend.
In deze zin ook Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, diss. Groningen, p. 15.
Vgl. Memorie van Antwoord I, 3771, nr. 133, p. 13 met betrekking tot het aanbod gedaan bij uiterste wilsbeschikking.
Ik ga niet in op de verhouding tussen somgerechtigden, verzorgingsvruchtgebruikers en legitimarissen. Ook wordt voorbij gegaan aan de rangorde tussen de diverse soorten crediteuren die voor het erfrecht van gelijke rang zijn (art. 4:184 lid 1 BW, art. 4:192 BW). Zie in dit kader Luijten, Mon. Nieuw BWB-18, p. 32 e.v.
Zie hierover ook mijn bijdrage in Schenking en Gift, p. 31 e.v. en Handboek Nieuw Erfrecht (2002), p. 148 e.v. De pijlers 2 en 3 heb ik thans in de beschrijving van de rangorderegeling omgedraaid, hetgeen inhoudelijk niet tot eenwijziging leidt.
Perrick, Over schulden van de nalatenschap onder Boek 4 NBW(I), WPNR 6435 (2001). Zie Nota van Wijziging, 27 021, nr. 6, p. 7 e.v.
Het aanbod dat eerst tot stand komt/aanvaard kan worden na het overlijden.
En ook eenzijdige rechtshandelingen.
Meijers hanteerde een vergelijkbare constructie, TM, p. 321 e.v. Zie par. 2.2 van dit hoofdstuk.
Zie Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, diss. Groningen, p. 15 e.v. Zie ook Handboek Nieuw Erfrecht (2002), F.W.J.M. Schols, p. 98 e.v.
Nota naar aanleiding van het Eindverslag, 17 141, nr. 20, p. 7.
Naar aanleiding van conclusies van Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, diss. Groningen, 1992.
Voorlopig Verslag I, 3771, nr. 73, p. 15 e.v.
Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, diss. Groningen, p. 16 en Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht 6, nr. 79 en 85 waar wordt gesproken van ‘verstarring’. Idem Asser-Perrick, Erfrecht en Schenking 6A, nr. 107. Zie ook Pitlo-Van der Burght-Ebben, Erfrecht, nr. 219.
Voorlopig Verslag I, 3771, nr. 73, p. 14 e.v. en Rapport II, Commissie Erfrecht, p. 33
Memorie van Antwoord I, 3771, nr. 133, p 14.
Memorie van Antwoord I, 3771, nr. 133, p 18.
Memorie van Antwoord I, 3771, nr. 133, p. 14. Zeker niet gezien het feit dat het karakter van de legitieme portie gewijzigd is met de inwerkingtreding van het huidige erfrecht. Een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW(oud)) is dan ook niet meer vereist om de legitieme in goederen opzij te zetten (HR 12 mei 1972, NJ 1973, 53 (Meerzicht)).
In deze zin Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht 6, nr. 85. Zie ook Perrick, Over giften ter zake des doods, andere fictieve legaten en verwante rechtshandelingen onder komend recht, WPNR 6422 (2000). Zo ook Asser-Perrick, Erfrecht en Schenking 6A, nr. 108, zij het wat minder stellig: ‘De praktijk dient ermee rekening te houden dat de rechter bepaalde eenzijdige rechtshandelingen die niet onder de wettelijke definitie van uiterste wilsbeschikking vallen nietig zal oordelen’.
Voor de goede orde wijs ik er nogmaals op dat rechtshandelingen die niet voldoen aan de elementen van art. 4:42 lid 1 BW niet getoetst hoeven te worden aan het gesloten stelsel en dus niet nietig zijn indien ze daar niet in passen.
Handboek Nieuw Erfrecht (2002), F.W.J.M. Schols, p. 99 en Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, diss. Groningen, p. 14. Ook in deze zin Heuff, Boekbespreking, WPNR 6361 (1999). Voor een opsomming van de soorten eenzijdige rechtshandelingen die passen binnen het gesloten stelsel verwijs ik naar Breemhaar, Het begrip uiterste wilsbeschikking in het toekomstige erfrecht, WPNR 6361 (1999). Zie ook Asser-Perrick, Erfrecht en Schenking 6A, nr. 107.
Indien rechtshandelingen de elementen van art. 4:42 lid 1 BW in zich bergen, moeten deze nog getoetst worden aan het gesloten stelsel. Ontbreekt één van deze elementen dan is een toets niet aan de orde. Over deze laatste categorie hierna meer.
Het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen werd voor het eerst aangetroffen in het Gewijzigd Ontwerp.1 Met het gesloten stelsel had de wetgever met name voor ogen uiterste wilsbeschikkingen af te bakenen van andere rechtshandelingen die ook slechts de strekking hebben te werken na overlijden.2 Dit doel wordt echter al bereikt door de heldere definitie van art. 4:42 lid 1 BW en de nadere invulling daarvan, in de parlementaire geschiedenis, als ongerichte rechtshandeling.3
Een overeenkomst met het element ‘werkend na overlijden’ wordt bij voorbaat uitgesloten van het predikaat uiterste wilsbeschikking. Er wordt zelfs niet toegekomen aan de toets of een dergelijke overeenkomst past binnen het gesloten stelsel. Hetzelfde geldt voor een aanbod (gerichterechtshandeling; zie par. 2.2 en par. 2.6 van dit hoofdstuk) bestemd om pas na overlijden aanvaard te worden. Het gesloten stelsel heeft, voor wat betreft overeenkomsten en het aanbod, geen functie.
Het gesloten stelsel is ook niet het systeem dat voorkomt dat de rangorde tussen de diverse soorten schuldeisers ‘van de nalatenschap’ wordt verstoord door regelingen tijdens leven die pas na overlijden effect sorteren.4 Men denke hier aan de positie van schuldeisers van de erflater, de legitimarissen, de somgerechtigden, degene die aanspraak kan maken op het verzorgingsvruchtgebruik, de legatarissen en de schuldeisers van de erfgenamen.5 De zuiverheid van de rangorde berust op drie andere pijlers te weten art. 4:7 BW, art. 4:120 lid 1 BW en art. 4:126 BW, en niet, zoals gezegd, op het gesloten stelsel.6 De rangorderegeling is van groot belang om de regeling van de quasi-legaten, te behandelen in hoofdstuk IV, goed te kunnen begrijpen. Vandaar dat ik er hier nader op in ga.
Pijler 1: Art. 4:7 BW
In art. 4:7 lid 1 BW worden de schulden van de nalatenschap opgesomd.
Schulden van de nalatenschap zijn:
de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i;
de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene;
de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
de kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur;
de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3;
de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens artikel 80 aanspraak wordt gemaakt;
de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;
de schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als legaten.
Met deze opsomming is de eerste steen gelegd voor het bewaken van de rangorde, ook al worden schulden opgevoerd die niet schulden zijn van de erflater doch die ‘ontstaan in de erfgenamen’. Per erfrechtelijk onderdeel, bijvoorbeeld het onderdeel ‘legitieme’,7 worden schulden al dan niet meegenomen. Hiermee wordt onder meer de rangorde van de verschillende soorten crediteuren geregeld. Zo mogen schulden uit hoofde van legaten niet opgevoerd worden bij de berekening van de legitimaire massa, hetgeen impliceert dat legitimarissen een sterkere positie hebben dan legatarissen. Schulden uit hoofde van ‘sommen ineens’ van afd. 4.3.2 BW worden in mindering gebracht op de legitimaire massa, hetgeen de legitimaris ten opzichte van de somgerechtigden achterstelt. De wetgever heeft naar aanleiding van Perrick8 34 in de leden 2 en 3 van art. 4:7 BW een verfijning aangebracht met een voorrangsregeling en een gelijkstellingsregeling.
Bij de voldoening van de schulden ten laste van de nalatenschap worden achtereenvolgens met voorrang voldaan:
de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;
de schulden, bedoeld in lid 1 onder f;
de schulden, bedoeld in lid 1 onder g;
Ontbreken schulden als bedoeld in lid 1 onder f, dan worden eerst de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met c, en vervolgens de schulden, bedoeld in lid 1 onder d, e en g met voorrang voldaan.
In de nalatenschap van de langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en de stiefouder, bedoeld in artikel 22, wordt een verplichting tot overdracht van goederen als bedoeld in die artikelen met een schuld als bedoeld in lid 1 onder a gelijkgesteld.’
Pijler 2: Art. 4:120 lid 2 BW
Aanspraken uit hoofde van een legaat zijn weliswaar schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 1 onder h BW), maar worden pas ten laste van de nalatenschap voldaan indien alle andere schulden van de nalatenschap voldaan zijn, aldus art. 4:120 lid 1 BW. Dit blijkt thans ook uit lid 2 van art. 4:7 BW.
Als gevolg van een legaat kunnen bijvoorbeeld noch schuldeisers van de erflater noch de legitimarissen, de somgerechtigden of degene die aanspraak maakt op een verzorgingsvruchtgebruik, wat hun verhaalspositie betreft, in slechtere omstandigheden geraken. Ik kom nog kort terug op het aanbod zoals in par. 2.3 van dit hoofdstuk bedoeld.9 Hoe zit het met de rangorde indien een aanbod niet valt onder het bereik van de definitie van een uiterste wilsbeschikking, omdat niet voldaan is aan de materiële criteria danwel omdat, ondanks dat is voldaan aan de materiële criteria, het aanbod als zodanig niet past binnen het gesloten stelsel? Hoe het antwoord ook luidt, hierna zal blijken, dat het gesloten stelsel niet nodig is om dit aanbod, waarbij de aanbieder verklaard heeft dat het aanbod eerst tot stand komt/aanvaard kan worden bij het overlijden, wat betreft de rangorde, erfrechtelijk in te kapselen casu quo te verbieden. Voor een nadere behandeling van deze problematiek wordt verwezen naar par. 2.6 van dit hoofdstuk.
Pijler 3: Art. 4:126 BW
De art. 4:126 BW e.v. vormen het sluitstuk op de rangorderegeling en zijn nodig als gevolg van de omschrijving van het begrip uiterste wilsbeschikking als een eenzijdige rechtshandeling. Overeenkomsten10 met werking na overlijden of die de strekking hebben dat zij pas na overlijden worden uitgevoerd, worden onder omstandigheden aangemerkt als waren het uiterste wilsbeschikkingen. De aanspraken voortvloeiend uit dergelijke overeenkomsten worden behandeld als aanspraken die voorvloeien uit legaten. Het betreft de zogenoemde quasi-legaten. Door fictie worden bepaalde overeenkomsten waarvan de uitwerking lijkt op een legaat, maar welke niet te vangen zijn onder het begrip uiterste wilsbeschikking, onder omstandigheden behandeld als een legaat. Het betreft rechtshandelingen, niet zijnde uiterste wilsbeschikking, waarvoor erflater feitelijk pas bij zijn overlijden een offer hoeft te brengen.11 Hierover uitgebreid in hoofdstuk IV. Het gesloten stelsel heeft ook hier geen functie; het stelsel ziet immers slechts op eenzijdige rechtshandelingen; een regeling als art. 4:126 BW is onmisbaar.
Met de pijlers 1 en 2 wordt een juiste rangorde bewaakt, zonder dat hiervoor een gesloten stelsel vereist is. Pijler 3 betrekt aanvullend bepaalde rechtshandelingen die niet vallen onder art. 4:42 lid 1 BW in het systeem. Het ‘sluiten’ van het stelsel van uiterste wilsbeschikkingen kan in dit kader als overbodig worden aangemerkt.12 Ziet men om welke reden dan ook toch een functie in het kader van de rangorde, dan moet de conclusie worden getrokken dat het gesloten stelsel zeker niet afdoende is: de aanvullende regeling van art. 4:126 BW e.v. is immers nodig.
In de visie dat het gesloten stelsel overbodig is daar waar het de bescherming van de diversen soorten schuldeisers betreft, vind ik steun bij niemand minder dan de minister13 die opmerkt over het gesloten stelsel:14
‘Voor de wetgever vormt een definitie in de wet in de eerste plaats een hulpmiddel voor een goed begrip en de juiste toepassing van de wet. Om die reden kan het zinvol zijn om aanwijzingen te bezigen zoals de beperking tot beschikkingen die “in dit Boek zijn geregeld of in de wet als zodanig worden aangemerkt”, ook als die uit wetenschappelijk oogpunt misschien gemist konden worden.’ (Curs. FS).
De vraag kwam zelfs op of met het gesloten stelsel de testeervrijheid aan banden werd gelegd en de rechtsontwikkeling onnodig werd tegen gehouden.15 Deze vraag is met name terecht indien men zou concluderen dat het gesloten stelsel geen functie heeft. Breemhaar ziet het gesloten stelsel als belemmerend voor de rechtsontwikkeling. De praktijk kan immers in de toekomst behoefte hebben aan niet uitdrukkelijk in de wet geregelde uiterste wilsbeschikkingen, zo redeneert hij.16 Ook de Eerste Kamer en de Commissie Erfrecht toonden zich bevreesd.17 De minister verweerde zich kranig en merkte op dat men het gesloten systeem in het erfrecht anders moest zien dan het gesloten systeem van het zakenrecht. Met legaten en lasten zou immers veel mogelijk zijn en het wezen van het nieuwe stelsel zou dichter bij het contractenrecht liggen dan bij het zakenrecht.18 De minister maakt verder gewag van het volgende:19
‘Artikel 4.3.1.2 lid 1 vereist voorts dat de beschikking in Boek 4 is geregeld (of in de wet als zodanig wordt aangemerkt). Hiermede wordt, afgezien van de in §15 te bespreken ouderlijke boedelverdeling en het zo dadelijk te noemen legatum per vindicationem, generlei uiterste wilsbeschikking uitgesloten die onder het geldende wetboek kan worden gemaakt […]. Bij wege van legaat of last – in titel 4.4 geregelde uiterste wilsbeschikkingen – kunnen aan erfgenamen en legatarissen in beginsel alle mogelijke verplichtingen worden opgelegd.’
Ik kan mij in deze opmerkingen vinden. De testeervrijheid wordt mijns inziens niet aan banden gelegd en bij de belemmering van de rechtsontwikkeling kan ik mij thans niets voorstellen.20 Alles is bereikbaar, zij het echter dat de wijze waarop enigszins ingedamd is. Men zal om het gewenste resultaat te bereiken zichweliswaar moeten bedienen van de voorhanden zijnde beschikkingen, maar dit vind ik niet belemmerend, doch slechts ordenend. Als in de toekomst behoefte is aan een nieuwe figuur, is het een koud ‘wetgeverskunstje’ om een beschikking aan het stelsel toe te voegen.
De enige functie van het gesloten stelsel is mijns inziens, gelet op de bovenstaande mededelingen van de minister, dan ook gelegen in de repressie van bijvoorbeeld de ‘ouderlijke boedelverdeling’, het ‘legatum per vindicationem’ en eventuele andere vreemde erfrechtelijke eenden in de bijt, zoals het aanbod neergelegd in een uiterste wil. In dit kader lijkt het gesloten stelsel, anders dan de minister betoogt, toch op het gesloten stelsel dat geldt in het zakenrecht. De vergelijking kan dan gemaakt worden met de Duitse ‘erbrechtlicher Typenzwang’, zoals in par. 4 van dit hoofdstuk aan de orde komt. Het gesloten stelsel heeft dan een ‘ordenende functie’. De vraag komt overigens op wat de sanctie is indien sprake is van een rechtshandeling die voldoet aan de elementen van art. 4:42 lid 1 BW, maar die niet in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is geregeld of als zodanig in de wet is aangemerkt. Bijvoorbeeld: de verdeling van de nalatenschap is eenzijdig vastgelegd door de erflater. Is deze rechtshandeling nietig? Of brengt dit met zich dat degene die de rechtshandeling verricht zich bijvoorbeeld niets aan de vormvoorschriften gelegen hoeft te laten liggen?21 Uit de strekking van het gesloten stelsel moet de conclusie getrokken worden dat sprake is van nietigheid.22 Het doet echter vreemd aan dat de wet de sanctie niet uitdrukkelijk geeft. Wel zal een in eerste instantie niet in het stelsel passende, en dus nietige, beschikking zoveel mogelijk geconverteerd dienen te worden in een binnen het stelsel passende beschikking (art. 3:42 BW).23