Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/8.5
8.5 Verticale samenwerking bij schadeafwikkeling, bespreking van het Allianz-arrest
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183629:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 14 maart 2013, C-32/11 (Allianz).
HvJ EU, 14 maart 2013, C-32/11 ro. 8 (Allianz).
Uit de feiten die zijn opgenomen in het arrest blijkt dat Generali geen raamovereenkomsten sloot met Gémosz, maar wel individuele overeenkomsten met de dealers. Daarin was weliswaar geen sprake van schriftelijke bedingen over hogere tarieven maar de Hongaarse mededingingsautoriteit stelde wel vast dat Generali in de praktijk vergelijkbare bonussen hanteerde (ro. 10).
HvJ EU 14 maart 2013, C-32/11 (Allianz), ro. 12.
HvJ EU 14 maart 2013, C-32/11 (Allianz), ro. 16.
Het Hof verwijst hierbij naar zijn arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑‑209/07, Jurispr. blz. I‑‑8637, punt 17; arrest T‑‑Mobile Netherlands e.a., punt 29, en arrest van 13 december 2012, Expedia, C‑‑226/11, punt 36.
HvJ EU 14 maart 2013, C-32/11 (Allianz), ro. 33-35.
Zie overweging 34 met verwijzing naar zie arresten van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands, C-8/08, Jur. blz. I-4529, punten 28 en 30; 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services, C-501/06 P, C-513/06 P, C-515/06 P en C-519/06 P, Jur. blz. I-9291, punt 55; 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C-403/08 en C-429/08, Jurispr. blz. I-9083, punt 135, en 13 oktober 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, C-439/09, Jurispr. blz. I-9419, punt 34.
Zie overweging 36 met verwijzing naar zie reeds aangehaalde arresten GlaxoSmithKline Services, punt 58; Football Association Premier League e.a., punt 136, en Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, punt 35). Het Hof stelt ook vast dat bij de beoordeling van die context rekening moet worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (zie arrest Expedia, reeds aangehaald, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ik ben me ervan bewust dat deze passage veel stof in de literatuur heeft doen opwaaien en dat het Hof met het latere arrest Cartes Bancaires alsmede Toshiba meer duidelijkheid heeft gegeven over het onderscheid tussen ‘inbreuken naar strekking’ en ‘inbreuken naar gevolg’. Zie voor een fraai overzicht van deze discussie de conclusie van AG de Bock bij HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354, rn. 3.4.1-3.4.18 (Stichting geborgde dierenarts en KNMvD/Agib)
Het Hof verwijst hier naar zijn arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450; 1 februari 1978, Miller International Schallplatten/Commissie, 19/77, Jurispr. blz. 131, en 3 juli 1985, Binon, 243/83, Jurispr. blz. 2015, en arrest Pierre Fabre Dermo-Cosmétique.
Uit artikel 1 lid 1 sub a van de Verordening (EU) nr. 330/2010 volgt dat onder een ‘verticale overeenkomst’ moet worden verstaan een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij twee of meer, met het oog op de toepassing van de overeenkomst of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, elk in een verschillend stadium van de productie- of distributieketen werkzame ondernemingen partij zijn en die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen of doorverkopen
Ten aanzien van de afwikkeling van schade(s) zou ten slotte de vraag gesteld kunnen worden in hoeverre het mededingingsrecht het toestaat als verzekeraars afspraken maken met ondernemingen die zich met het herstel van schade bezig houden en tegelijkertijd als assurantietussenpersoon optreden voor deze verzekeraars. Het gaat dan niet zozeer om horizontale afspraken (tussen met elkaar concurrerende verzekeraars) maar om verticale relaties (dus: met andere bedrijven in de distributie/verkoopketen) ten aanzien van de verkoop van verzekeringsproducten.
Een goed voorbeeld van de beoordeling van dergelijke afspraken onder het mededingingsrecht is te vinden in het Allianz-arrest.1 Hoewel dit arrest niet zozeer ziet op coassurantie is het in het kader van dit hoofdstuk wel het bespreken waard omdat het relevante gezichtspunten geeft voor de beoordeling van afspraken tussen ondernemingen in het verkoopproces. Ik behandel dit arrest in dit hoofdstuk omdat de afspraken die werden gemaakt betrekking hadden op schadeherstelwerkzaamheden.
Feitelijke weergave
De casus is als volgt. De verzekeraars Allianz en Generali waren ieder afzonderlijk met een aantal reparatiebedrijven overeengekomen om eenmaal per jaar de voorwaarden en tarieven af te spreken die de verzekeraars zouden betalen voor de reparaties aan beschadigde voertuigen. Dit betroffen afzonderlijke overeenkomsten van Allianz en Generali met de nationale vereniging van merkdealers. Sinds eind 2002 wordt er door Gémosz, de nationale vereniging van merkdealers, in opdracht van en namens een groot aantal autodealers die tevens een reparatiebedrijf hebben met de verzekeraars onderhandeld over de raamovereenkomsten met betrekking tot de uurtarieven voor de reparatie van autoschade. De verzekeraars sloten vervolgens op grond van de raamovereenkomsten individuele overeenkomsten met de betrokken dealers. Daarin was bepaald dat de dealers voor de reparatie van autoschade een hoger tarief kregen indien de autoverzekeringen van Allianz een bepaald percentage van de door hen verkochte verzekeringen uitmaakten.
Wat dit arrest interessant maakt is dat de merkdealers tegenover de verzekeraars een dubbele rol vervulden. Enerzijds repareerden zij in geval van schade de verzekerde auto’s voor rekening van de verzekeringsmaatschappijen. 2 Anderzijds fungeerden zij als assurantietussenpersoon voor die verzekeringsmaatschappijen doordat zij in opdracht van hun eigen verzekeringsagenten – als bemiddelaar – klanten bij de verkoop of reparatie van een voertuig een autoverzekering aanboden. Zij boden dus diensten aan op zowel de markt voor verzekeringsbemiddeling/verzekeringsdiensten als de markt voor reparatiediensten.
De crux in dit arrest was het feit dat in de overeenkomsten die Allianz met de betrokken dealers sloot, was bepaald dat de dealers voor de reparatie van autoschade een hoger tarief kregen wanneer de autoverzekeringen van Allianz een bepaald percentage van de door hen verkochte verzekeringen uitmaakte. Deze individuele overeenkomsten vloeiden voort uit de raamovereenkomsten die Allianz met Gémosz sloot in 2004 en 2005.3
De Hongaarse mededingingsautoriteit (Gazdasági Versenyhivatal) stelde vast dat deze overeenkomsten ertoe strekten de mededinging te beperken op de markt voor autoverzekeringen en op de markt voor autoreparaties:
‘De GVH [De Hongaarse mededingingsautoriteit, GTB] was van mening dat dit samenstel van overeenkomsten, tezamen en afzonderlijk beschouwd, ertoe strekte de mededinging te beperken op de markt voor autoverzekeringen en op de markt voor autoreparaties. Volgens de GVH hadden deze overeenkomsten geen gevolgen voor de intracommunautaire handel, zodat artikel 101 VWEU daarop niet van toepassing was en hun onrechtmatigheid dus enkel uit het nationale mededingingsrecht volgde. Vanwege die onrechtmatigheid verbood zij de voortzetting van de betrokken praktijken en legde zij geldboeten (…) op’.4
Vanwege de onrechtmatigheid werden bij besluit geldboetes opgelegd aan Allianz, Generali, de vereniging van autodealers (Gémosz) en verschillende in de zaak betrokken autodealers (Peugeot en Opel). De zaak kwam vervolgens, nadat deze bij de rechtbank en het hof ter beoordeling was voorgelegd, uiteindelijk voor bij de hoogste Hongaarse rechter, het Hof van Cassatie. Deze achtte deze het van belang de zaak te schorsen en een prejudiciële vraag te stellen over de uitleg van het Europese kartelverbod.
De prejudiciële vraag aan het Hof
De (prejudiciële) vraag die aan het Hof werd voorgelegd luidde als volgt:
‘Kunnen bilaterale overeenkomsten tussen een verzekeringsonderneming en bepaalde autoreparatiebedrijven of tussen een verzekeringsonderneming en een vereniging van autoreparatiebedrijven, krachtens welke het door de verzekeringsonderneming aan de reparateur betaalde uurtarief voor reparaties aan bij haar verzekerde voertuigen onder meer afhankelijk is van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de verzekeringsonderneming door bemiddeling van de als haar bemiddelaar inzake verzekeringen handelende reparateur afsluit, worden beschouwd als overeenkomsten die ertoe strekken dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en derhalve als in strijd met artikel 101, lid 1, VWEU?’5
Het Hof herinnert in zijn beantwoording van de vraag eraan dat een onderscheid bestaat tussen ‘inbreuken naar strekking’ en ‘inbreuken naar gevolg’:
‘33 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat een overeenkomst slechts onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU kan vallen wanneer zij „ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst”. Volgens vaste rechtspraak (…) volgt uit het alternatieve karakter van deze voorwaarde, dat blijkt uit het voegwoord „of”, in de eerste plaats dat moet worden gelet op de strekking van de overeenkomst, rekening houdend met de economische context waarin zij moet worden toegepast.
34 Wanneer de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst vaststaat, behoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging niet te worden onderzocht. Wanneer echter uit de inhoud van de overeenkomst niet blijkt dat de mededinging in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht en kan de overeenkomst slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (…)
35 Het onderscheid tussen „inbreuken naar strekking” en „inbreuken naar gevolg” houdt verband met de omstandigheid dat bepaalde vormen van collusie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging6 (…)’.7
Uit vaste rechtspraak volgt dus dat als de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst vaststaat, de gevolgen daarvan voor de mededinging niet meer behoeven te worden onderzocht.8 Met verwijzing naar zijn eerdere arresten, overweegt het Hof dat bij de beoordeling of een overeenkomst ertoe strekt de mededinging te beperken moet worden gelet op de bewoordingen en de doelen ervan, alsmede de economische en juridische context.9
Na het uiteenzetten van dit algemene beoordelingskader, komt het Hof tot de beantwoording van de prejudiciële vraag.
‘39 Wat de in de prejudiciële vraag genoemde overeenkomsten betreft, moet worden vastgesteld dat zij betrekking hebben op het uurtarief dat autodealers met een reparatiebedrijf van de verzekeringsmaatschappij krijgen voor reparaties aan voertuigen in geval van schade. Volgens deze overeenkomsten wordt dat tarief verhoogd afhankelijk van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de dealer voor die verzekeringsmaatschappij heeft afgesloten.
40 Dergelijke overeenkomsten koppelen de vergoeding voor de reparatie van beschadigde voertuigen dus aan die voor de bemiddeling inzake autoverzekeringen. Die koppeling van twee verschillende diensten is mogelijk door de bijzonderheid dat de dealers tegenover de verzekeraars een dubbele rol hebben, namelijk enerzijds als tussenpersoon of bemiddelaar die zijn klanten bij de verkoop of reparatie van een voertuig een autoverzekering aanbiedt, en anderzijds als bedrijf dat beschadigde voertuigen repareert voor rekening van de verzekeraar.
41 Weliswaar houdt de omstandigheid dat twee in beginsel van elkaar losstaande activiteiten worden gekoppeld, niet automatisch in dat de betrokken overeenkomst ertoe strekt de mededinging te beperken, maar dit kan wel een belangrijke factor zijn om te bepalen of deze overeenkomst naar haar aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, hetgeen met name het geval is wanneer die werking vereist dat die activiteiten los van elkaar staan [curs, GTB].
Eerst stelt het Hof dus vast dat de afspraken zien op het uurtarief dat dealers met een reparatiebedrijf ontvangen van de verzekeraars en dat dat uurtarief wordt verhoogd afhankelijk van het aantal verzekeringsovereenkomsten die de dealer als bemiddelaar afsluit. De dubbele rol van de dealers tegenover de verzekeraars kan, zo overweegt het Hof in ro. 41, een belangrijke factor zijn om te bepalen of deze overeenkomst naar haar aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging. Wanneer de marktwerking vereist dat de activiteiten los van elkaar staan, kan de koppeling ervan dus ertoe strekken de mededinging te beperken. Vervolgens gaat het Hof in op de invloed van de afspraak op de mededinging op de twee markten: de autoverzekeringsmarkt en de autoreparatiemarkt. Voor een goed begrip van de materie heb ik deze overwegingen hieronder opgenomen.
42 Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat een dergelijke overeenkomst niet één, maar twee markten ongunstig kan beïnvloeden, in casu de autoverzekeringsmarkt en de autoreparatiemarkt, en dat haar strekking dus dient te worden beoordeeld ten aanzien van beide betrokken markten.
43 In dit verband moet er om te beginnen op worden gewezen dat, anders dan Allianz en Generali lijken aan te nemen, de omstandigheid dat het in beide gevallen om verticale relaties gaat, geenszins uitsluit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst „naar haar strekking” mededingingsbeperkend is. Ofschoon verticale overeenkomsten naar hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale overeenkomsten, kunnen zij niettemin onder bepaalde omstandigheden immers ook een zeer groot mededingingsbeperkend potentieel hebben. Het Hof heeft dan ook reeds herhaaldelijk geoordeeld dat een verticale overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking had10
De strekking van de overeenkomst moet dus worden bepaald ten aanzien van de mededinging op beide markten waar de overeenkomst invloed op heeft. Hierbij vermeld het Hof dat het feit dat het in dit arrest gaat om verticale relaties (dat wil zeggen: partijen actief in een verschillend stadium van het verkoopproces) niet wegneemt dat zij ertoe kunnen strekken de mededinging te beperken.
Ook de bedoeling van partijen is van belang voor het toetsen of een afspraak ertoe strekt de mededinging te beperken:
44 Voorts moet bij de beoordeling van de strekking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten voor de autoverzekeringsmarkt worden vastgesteld dat verzekeringsmaatschappijen zoals Allianz en Generali met dergelijke overeenkomsten ernaar streven hun marktaandeel te behouden of uit te breiden.
Daarbij geeft het Hof in ro. 45 aan dat een horizontale afspraak (dat wil zeggen: een afspraak tussen directe of potentiële concurrenten) met betrekking tot de verdeling van de markt de strekking zou hebben om de mededinging beperken.
45 Vaststaat dat indien tussen die twee verzekeringsmaatschappijen sprake zou zijn van een horizontale overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging bedoeld om de markt te verdelen, die overeenkomst of gedraging zou moeten worden aangemerkt als naar haar strekking beperkend en tevens zou leiden tot de onrechtmatigheid van de verticale afspraken die zijn gemaakt ter uitvoering van die overeenkomst of gedraging. Allianz en Generali betwisten evenwel dat tussen hen afspraken zijn gemaakt of onderlinge afstemming heeft plaatsgevonden en stellen dat volgens het litigieuze besluit niet is gebleken van een dergelijke overeenkomst of gedraging. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit juist is en, voor zover het nationale recht dat toelaat, om te beoordelen of er voldoende bewijs is om het bestaan van een overeenkomst of onderlinge afstemming tussen Allianz en Generali vast te stellen.
46 Ook al zou er tussen die verzekeringsmaatschappijen geen overeenkomst of onderlinge afstemming zijn, dan dient toch nog te worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verticale overeenkomsten, gelet op hun economische en juridische context, de mededinging op de autoverzekeringsmarkt in voldoende mate verstoren om te kunnen spreken van overeenkomsten die naar hun strekking mededingingsbeperkend zijn.
Vervolgens geeft het Hof een aantal relevante toetsingscriteria om na te gaan of de afspraak ertoe strekt dat de mededinging wordt beperkt:
47 Dat zou met name het geval kunnen zijn indien, zoals de Hongaarse regering stelt, de roldie het nationale recht toebedeelt aan als tussenpersoon of bemiddelaar inzake verzekeringen handelende dealers, vereist dat zij onafhankelijk zijn van de verzekeringsmaatschappijen [curs, GTB]. Deze regering merkt in dit verband op dat die dealers niet namens een verzekeraar, maar namens de verzekeringnemer handelen en hem uit het aanbod van verschillende verzekeringsmaatschappijen de verzekering die het beste bij hem past, moeten aanbieden. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of, in die omstandigheden en gelet op de verwachtingen van die verzekeringnemers, de goede werking van de autoverzekeringsmarkt aanzienlijk kan worden verstoord door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten.
48 Bovendien zouden die overeenkomsten ook naar hun strekking mededingingsbeperkend zijn indien de verwijzende rechter zou vaststellen dat het, gelet op de economische context, waarschijnlijk is dat de mededinging op die markt als gevolg van het sluiten van die overeenkomsten zou worden uitgeschakeld of ernstig zou worden verzwakt [curs, GTB]. Ter beoordeling van het risico van een dergelijke uitkomst dient de verwijzende rechter met name de structuur van die markt, de beschikbaarheid van alternatieve distributiekanalen en hun relatieve belang, alsmede de marktmacht van de betrokken verzekeringsmaatschappijen in aanmerking te nemen.
49 Ten slotte moet bij de beoordeling van de strekking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten voor de autoreparatiemarkt rekening worden gehouden met het feit dat deze overeenkomsten blijkbaar zijn gesloten op basis van „adviesprijzen” [curs, GTB] die waren vastgesteld in drie door GÉMOSZ in de periode van 2003 tot 2005 genomen beslissingen. Tegen deze achtergrond staat het aan de verwijzende rechter om de aard en precieze reikwijdte van die beslissingen te bepalen (zie in die zin arrest van 2 april 2009, Pedro IV Servicios, C 260/07, Jurispr. blz. I 2437, punten 78 en 79).
Het Hof geeft hiermee dus een aantal relevante toetsingsfactoren mee die bepalend kunnen zijn voor de vraag of een verticale afspraak tussen ondernemingen de mededinging (naar haar aard) beperkt. Het belang is groot omdat, zoals gezegd, het antwoord op de vraag of er sprake is van een ‘inbreuk naar strekking’ belangrijke bewijsrechtelijke consequenties heeft. Van dergelijke vormen van collusie zijn de beperkende gevolgen immers gegeven.
Uiteindelijk komt het Hof tot het volgende antwoord op de aan hem gestelde vraag:
‘51 Gelet op al het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat overeenkomsten waarbij autoverzekeraars bilaterale afspraken maken met autodealers die een reparatiebedrijf hebben, of met een vereniging die deze autodealers vertegenwoordigt, over het door de verzekeringsmaatschappij te betalen uurtarief voor reparaties aan bij haar verzekerde voertuigen en dat tarief onder meer afhankelijk maken van het aantal en het percentage verzekeringsovereenkomsten dat de dealer als tussenpersoon voor die verzekeringsmaatschappij heeft afgesloten, kunnen worden aangemerkt als „naar hun strekking” mededingingsbeperkend in de zin van deze bepaling wanneer na een individueel en concreet onderzoek van de inhoud en het doel van deze overeenkomsten en hun economische en juridische context blijkt dat zij naar hun aard schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging op een van de twee betrokken markten.’
Commentaar
Wat betekent dit nu voor de beoordeling van verticale samenwerking in het verkoop- en schaderegelingsproces in de (zakelijke) verzekeringssector? Het arrest geeft een fraai overzicht van de factoren die mededingingsrechtelijk relevant zullen zijn bij de vraag of verticale samenwerking in de verzekeringssector is toegestaan. Samenwerkingsvormen kunnen daaraan getoetst worden. Dit geldt ook voor de beoordeling van verticale samenwerking ten aanzien van schadeafwikkeling en/of het verkoopproces. Uit de hierboven opgenomen overwegingen kunnen daarmee de volgende factoren worden afgeleid:
De koppeling van twee in beginsel van elkaar losstaande activiteiten. Dit houdt niet automatisch in dat de betrokken overeenkomst ertoe strekt de mededinging te beperken, maar dit kan wel een belangrijke factor zijn om te bepalen of deze overeenkomst naar haar aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, hetgeen met name het geval is wanneer die werking vereist dat die activiteiten los van elkaar staan (rn. 41);
Vanwege de invloed op de mededinging op twee markten moet de strekking van de overeenkomsten ten aanzien van de autoverzekeringsmarkt als de autoreparatiemarkt worden beoordeeld (rn. 42);
Ook verticale samenwerkingsvormen kunnen de strekking hebben de mededinging te beperken (rn. 43), om dat vast te stellen is het doel van de gesloten overeenkomsten van belang (rn. 44);
De onafhankelijke positie van de assurantietussenpersoon. Daarbij spelen de verwachtingen van de verzekeringnemers een rol en de vraag of deze aanzienlijk worden verstoord door de gesloten overeenkomsten (rn. 47);
De restconcurrentie. Factoren die daarbij een rol spelen zijn: de structuur van de markt, de beschikbaarheid van alternatieve distributiekanalen en hun relatieve belang, alsmede de marktmacht van de betrokken verzekeringsmaatschappijen (rn. 48).
Deze factoren zullen van belang zijn bij de beoordeling van samenwerking in verticale verhoudingen. Op verschillende manieren zou daarvan sprake kunnen zijn. Te denken valt aan samenwerking in de distributieketen, bijvoorbeeld met gevolmachtigden of makelaars. Steeds is dan geen sprake van samenwerking op horizontaal niveau (tussen verzekeraars) maar met een onderneming die in een verticale relatie staat tot de verzekeraar. Denkbaar is dat er bij schadeafwikkeling door verzekeraars afspraken gemaakt kunnen worden met opvolgende ondernemingen in de distributieketen zoals schadehersteldiensten of schade-expertisebedrijven. Ook voor verticale samenwerking geldt, zoals ik dat ook al onder 8.4 al opmerkte, dat het mededingingsrecht daarop van toepassing is.11 Dat betekent dat bovengenoemde factoren relevant zijn bij een beoordeling van samenwerking aan het mededingingsrecht.