Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.7.2
4.7.2 Een terugblik op misbruikgevaar
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS597286:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Willging, Hooper & Niemic 1996, p. 60, Priest 1997, p. 522, Rubenstein 2001, p. 372 en Klonoff & Bilich 2000, p. 362.
In soortgelijke zin ook McGovem 2005, p. 1365, die van 'claims resolution facilities' spreekt als een alternatief voor het 'standard litigation model'. Zie voorts Resnik 2003, p. 186-91.
Tzankova 2005, p. 87-8.
Tzankova 2005, 99. In de literatuur wordt naast blackmail settlements en meer in het algemeen `frivolous or strike suits', nog gesproken van `nuisance-value settlements' en `negative value settlements'. Voor een recent overzicht van de belangrijkste studies over `frivolous suits' zie Kozel & Rosenberg 2004, p. 4, noot 1. Relevante rechtspraak komt aan bod bij Newberg & Conte 2004, hfd. 15, p. 97-100. Alle vier verschijnselen kunnen zich ook buiten de context van class action voordoen. Aan nuisance-value settlements liggen vorderingen ten grondslag die evident ongegrond zijn (plainly meritless), maar de verweerder niettemin tot een schikking kunnen bewegen voor een bedrag dat lager is dan de kosten gemoeid met het initiëren van een preliminaire procedure (bijvoorbeeld summary judgment), waarin de gegrondheid van de vordering summier wordt beoordeeld: Kozel & Rosenberg 2004, p. 4. Aan `negative value settlements' liggen doorgaans claims ten grondslag met een geringe kans op succes, die de verweerder tot een `positive value' schikking kunnen bewegen, omdat hij niet over de informatie beschikt om de kansen op succes van de claim te kunnen beoordelen: Bebchuk 1988. Dit model is later aangevuld in Bebchuk 1996: zie ook Kozel & Rosenberg 2004, p. 7-8, noot 11.
Tzankova 2005, p. 100-4.
Hay & Rosenberg 2000, p.1391-2, Kozel & Rosenberg 2004, p. 45 en Tzankova 2005, p. 102-4.
Onder andere door Hay & Rosenberg 2000, p. 1403-4, die erop wijzen dat de verweerders 'are not alone in gambling everything on the outcome of a single, classwide trial and that class counsel faces the same single coin flip, and that the blackmail effect distorts settlements of separate action litigation as well as settlements of class actions (...) mass producer defendants generally have the advantage in extracting `blackmail payoffs' in settling separate actions arising from mass production risks' (zie ook Kozel & Rosenberg 2004, p. 45, noot 94) en Notes Harv.L.Rev. 2005, p. 598-601: de kritiek komt hierop neer dat voorzover er al sprake is van een blackmail scenario, dat zich alleen voordoet bij 'class action that have exceedingly little merit'. Silver 2003, 1408-11 en Tzankova 2005, p. 106-10 (waarbij de laatstgenoemde iets genuanceerder is) betwijfelen op basis van een analyse van het beschikbare empirische materiaal in hoeverre van risicomijdend gedrag bij de verweerder werkelijk sprake is. Er zijn ook studies over risicopreferenties van de bij een (collectieve) schikking betrokken partijen die laten zien dat de werkelijkheid complexer is dan de traditionele economische modellen voorspellen: Notes Harv.L.Rev. 2005.
Eerder heb ik de empirische gegrondheid van deze stellingen geprobeerd vast te stellen: Tzankova 2005, p. 107-8, noten 368-9.
Bijvoorbeeld of de moeilijkheden door class action worden veroorzaakt. Denk aan het Nederlandse voorbeeld van Dexia waar financiële problemen ook bij de afwezigheid van het instrument kunnen worden verwacht. Gesteld zou kunnen worden dat class action financiële ontsporing juist zou kunnen voorkomen.
Amchem Products v. Windsor, 521 U.S. 591 (1997) en Ortiz v. Fibreboard Corp., 527 U.S. 815 (1999). De Supreme Court spreekt zich uit tegen de geschiktheid van de collectieve schikking als een afwikkelingsinstrument voor asbestclaims. Klonoff & Bilich 2000, p. 172-85, 602-19, 660-5.
Vairo 2003 (een instructief artikel), Rice & Davis 1999 en White 2004, p. 196-8 (vóór collectieve schikkingen), Gibson 2000 (vóór afwikkeling via een faillissementsreorganisatie, mits de efficiëntie van de procedure wordt verbeterd).
Coffee 1995, p. 1373-5 spreekt als één van de eersten in de literatuur van `inventory settlements', Klonoff & Bilich 2000, p. 596, Bone 2006, p. 76-7.
Tzankova 2005, p. 110.
Tzankova 2005, p. 110-1 en de daar aangehaalde literatuur in het bijzonder Hensler & Rowe 2001.
Onder het Amerikaanse regime bestaan verschillende procesfiguren die een dergelijke toets mogelijk maken: `merits review on a motion for summary judgment or other standard dispositive motion', `motion to dismiss', `precertification merits review'. Zie onder andere Miller 2004, Kozel & Rosenberg 2004, Hazard 2001 en de literatuur genoemd in Kozel & Rosenberg 2004, p. 36, noot 74.
Miller 2003, p. 1132-4.
Tzankova 2005, p. 111 en de daar aangehaalde literatuur.
Zie Rule 23 (h) en bijhorende advisory committee notes, die inwerking trad met de wetswijziging van december 2003 en die de beloningsvraag normeert, en § 1711-1715 CAFA die specifieke bepalingen bevat voor de vaststelling van de beloning, indien er sprake is van zogenaamde 'coupon settlements' (daarin ontvangen de class leden in plaats van een vergoeding, tegoedbonnen). Factoren die bij de vaststelling een rol spelen zijn de concrete resultaten die door de class advocaat voor de class leden geboekt zijn en eventuele in het kader van de selectieprocedure verstrekte kostenbegrotingen. Uitvoerig over de praktische uitwerking van het beloningsvraagstuk zijn Newberg & Conte 2004, hfd. 14, p. 503-626. Daarnaast bepaalt CAFA dat van de verzoeken tot goedkeuring van een collectieve schikking in consumentenkwesties (in de regel gevallen van strooischade) kennisgeving van het verzoek ook naar 'the appropriate State and Federal officials' dient te worden gestuurd en dat de rechterlijke goedkeuring aan bepaalde motiveringseisen dient te voldoen. Zie onder andere Vairo 2005, p. 9-22, Pissott Reigh e.a. 2005, p. 1090-1.
Hensler & Rowe 2001 en Kozel & Rosenberg 2004, p. 46-7 en noot 103 met verdere verwijzingen, maar laatstgenoemden zijn sceptisch over beide toepassingsmogelijkheden en geven de voorkeur aan de verplichte preliminaire inhoudelijke beoordeling.
Voor bijzonderheden omtrent dit voorstel zie Hay & Rosenberg 2000, p. 1403-6.
Tzankova 2005, p. 87, 111-2 geeft een definitie van dit type, dat is geënt op een ander type massaschade: strooischade. Zie voorts over sell-out schikkingen Coffee 1995, p. 1347-8, Koniak 1995, p. 1055-6, Koniak & Cohen 1996, p. 1053-7, Hay & Rosenberg 2000, p. 1390-91.
Hay & Rosenberg 2000, p. 1390-1. Meer over het onderscheid tussen litigation class action' en `settlement class action': Rice & Davis 1999, p. 410-8.
Coffie 1995, p. 1370-73, Nagareda 1996, p. 960: Hay & Rosenberg 2000, p. 1391, noot 26, Rothstein & Willging 2005, p. 6-7, 14, 15-6 bespreken tevens een aantal factoren dat op een 'reverse auction' zouden kunnen duiden. Over settlement only-classes zie voorts Pissott Reigh, 2005, p. 1092-944. Hensler e.a. 2000, p. 477-81 en Rosenberg 2002, p. 860-1, Hay & Rosenberg 2000, p. 1397-402 noemen ook andere bezwaren die tegen de `settlement only-classes' kunnen worden aangevoerd. MCL 2004, p. 313-5 laat het rechterlijke perspectief zien: er worden aanwijzingen gegeven over waar de rechter op moet letten indien hij/zij met een goedkeuringsverzoek van een settlement class te maken heeft. De Supreme Court heeft de mogelijkheid van de goedkeuring van dergelijke schikkingen beperkt: zie onder meer Rutherglen 2002, p. 3. In deze visie en terminologie komt de Nederlandse regeling voor de collectieve afwikkeling van massaschade neer op de goedkeuring van een `settlement class'.
Coffee 1995, p. 1373, Nagareda 1996, p. 950-60, Wolfman & Morrison 1996, p. 452: Hay & Rosenberg 2000, p. 1391, noot 25.
Tzankova 2005, p. 112-4 geeft een uitleg over agency costs in de class action setting.
Tzankova 2005, p. 112 (§ 5.4.1),
Notes Harv.L.Rev. 2005, p. 602.
Tzankova 2005, p. 114-6.
Uitgebreid hierover met verdere verwijzingen Tzankova 2005, p. 116-20. En voorts Hay & Rosenberg 2000, p. 1392-8, Hay 1997, Rosenberg 2002, p. 863, die op basis van hun analyse voorstellen dat de hoogte van het honorarium van de class advocaat in een settlement class hetzelfde percentage is als dat zou zijn geweest in de class action, zou die goedgekeurd zijn geweest.
Tzankova 2005, p. 125-6: de lead plaintiff die de class advocaat selecteert en mede over zijn beloning onderhandelt. Maar recente empirische studies op het terrein van securities class actions nuanceren deze analyse: Cox & Thomas 2002, Cox & Thomas 2005, Cox & Thomas 2006, Perino 2006.
Zoals voorgesteld door Hay & Rosenberg 2000: zie hiervoor.
Notes Harv.L.Rev. 2005, p. 604-8.
Een feit is dat nagenoeg alle class actions na ontvankelijkverklaring door middel van een collectieve schikking worden beëindigd. Er is maar een handvol class actions dat daarna uitgeprocedeerd wordt.1 Ondanks het feit dat collectieve schikkingen aan rechterlijk toezicht zijn onderworpen, zou men naar mijn idee kunnen stellen dat het om een vorm van ADR gaat.2 Daarmee is ADR in het Amerikaanse systeem het belangrijkste mechanisme voor de afwikkeling van massaschade. Eén van de voornaamste gevolgen van de dynamiek die class actions in het Amerikaanse regime veroorzaken, heb ik eerder aangeduid als het `misbruikgevaar'. Dat leidt tot twee mogelijke typen collectieve schikkingen: `blackmail' of gedwongen schikkingen en de sell-out of sweetheart settlements.3
Het misbruikgevaar bij blackmail of gedwongen schikkingen heb ik omschreven als 'het creëren van volume dat voor een belangrijk deel uit ondeugdelijke vorderingen kan bestaan, maar de wederpartij wel tot een onredelijke schikking kan bewegen, omdat de wederpartij bijvoorbeeld reputatieverlies vreest of het aantrekkelijker (lees: goedkoper) vindt om iets te betalen om er maar vanaf te zijn.' 4 Ook bleek dat er verschillende theorieën hierover ontwikkeld zijn, waarvan de meest relevante, ook voor afwikkeling van substantiële massaschade, samengevat kunnen worden onder de noemers `due process' en 'risicomijdend gedrag en overpaymene.5 Met name de tweede, door Posner ontwikkelde, theorie wordt als de 'heersende' aangemerkt.6 In de literatuur is zij op verschillende gronden bekritiseerd.7 Sommige critici wijzen erop dat het instrument bedrijven en instellingen in financiële moeilijkheden brengt en tot gedwongen faillissementen leidt.8 Dat is vooral in een aantal gevallen van productaansprakelijkheid gebleken. Naast een aantal andere kanttekeningen, die men bij het causaal verband tussen class action en de gestelde moeilijkheden kan plaatsen,9 dient te worden opgemerkt dat in veel gevallen het beroep op de faillissementsprocedure en de bijhorende reorganisatiemogelijkheden doelbewust geschiedt. In de afgelopen jaren valt in Amerika, mede als gevolg van rechtspraak van de hoogste rechter die collectieve schikkingen in sommige massaschadegevallen aan banden heeft gelegd,10 een tendens te bespeuren om via een reorganisatie of faillissement `global peace' te bewerkstelligen. De meningen over de superioriteit van settlement class actions boven reorganisatie en faillissement als een afwikkelingsmechanisme van massaschade zijn verdeeld.11 Een andere tendens bij sluipende massaschade, bijvoorbeeld als gevolg van productaansprakelijkheid, betreft Inventory' of `aggregate litigation and settlements'.12 Dat komt neer op procederen als gevolmachtigde, waarbij de belangenbehartigers aan slachtofferzijde de meest kansrijke zaken voor proefprocessen selecteren en op basis daarvan schikkingsonderhandelingen met de verweerders aangaan. Voor de verweerders heeft dat als nadeel dat zij slechts met de meest kansrijke zaken worden geconfronteerd en op basis daarvan schikken. De aldus bereikte schikkingen zijn daarom niet voldoende representatief.
De voorstellen die geopperd worden om het lichtvaardig instellen van class actions en daarmee de totstandkoming van `blackmail settlements' tegen te gaan, variëren van de toepassing van maatregelen die beogen om de inhoudelijke gegrondheid van class actions aan de poort te screenen (front end)13 tot maatregelen die dat achteraf beogen te doen (back end).14 Tot de eerste groep behoren de voorstellen om alle collectieve schikkingen te onderwerpen aan een (meer of minder) summiere preliminaire inhoudelijke beoordeling.15 In de literatuur wordt echter gewaarschuwd voor het toegenomen gebruik van instrumenten als summary judgment. Deze tendens doet zich niet specifiek in de setting van class actions voor, maar ook bij traditionele procedures in het kader van `managerial judging' en case management door de rechter. Ze wordt ingegeven door efficiëntie overwegingen. Het gevolg is dat bij de rechter een te grote macht wordt neergelegd, hetgeen een onaanvaardbare inbreuk zou opleveren op de voor het Amerikaanse regime klassieke uitgangspunten zoals het recht op een juryrechtspraak en de day in court.16
Tot de tweede groep (back end)17 behoren de voorstellen om de inhoud van de bereikte collectieve schikking aan een integrale toetsing of aan een meer intensieve screening te onderwerpen en de verplichting voor de rechter om dezelfde actieve houding aan te nemen bij de vaststelling van de beloning van de class advocaat. Met de wetswijziging van december 2003 en CAFA is een aantal maatregelen dat in de lijn van deze 'back end voorstellen' ligt, geïmplementeerd.18 Andere mogelijke opties die genoemd worden, betreffen het gebruik van beschikbare sanctiemogelijkheden en de introductie van de zogenaamde `English rule' , die inhoudt dat de verliezer de proceskosten van de wederpartij betaalt.19 Ten slotte stellen sommige auteurs een 'tussenoplossing' voor, waarbij partijen de mogelijkheid krijgen om de totale waarde van een class action niet te bepalen op basis van de uitkomst in een enkel geval, maar aan de hand van een representatief aantal gevallen.20
De sell-out of sweetheart-settlements bij substantiële massaschade kunnen worden omschreven als schikkingen die niet de meest optimale uitkomst voor de individuele schadelijders bevatten, maar de class advocaat wel van een riant honorarium verzekeren.21 In de Amerikaanse rechtspraak en literatuur is hier de laatste tijd veel belangstelling voor en dat blijkt te maken te hebben met twee ontwikkelingen in de class action praktijk die volgens sommigen dit type schikkingen in de hand werken, namelijk de ontvankelijkverklaring (certificatie) van `settlement-only classes' en van class actions ten aanzien van sluipende massaschade, waarin ook de aanspraken van toekomstige benadeelden worden meegenomen.22 In het eerste geval wordt een class ontvankelijk verklaard uitsluitend met als doel om een collectieve schikking goed te keuren en verbindend te verklaren. Als dat niet lukt, valt de class uit elkaar en volgen eventueel afzonderlijke procedures. De onderhandelingen tussen de class advocaat en de verweerder zijn afgerond voordat het verzoek bij de rechter wordt ingediend. Dat geeft de verweerder de mogelijkheid voor een zogenaamde 'reverse auction': een zoektocht naar een class advocaat die bereid zal zijn om voor het laagste bedrag te schikken. In deze visie betekent dat automatisch dat de class leden hierdoor gedupeerd zullen worden.23 Het probleem bij schikkingen die ook toekomstige benadeelden betreffen, is dat het lastig is om de waarde van hun vorderingen realistisch te begroten en dat daarom genoegen wordt genomen met ontoereikende schikkingen 24
Het misbruikgevaar bij sell-out of sweet-heart schikkingen wordt in de rechtseconomische literatuur in verband gebracht met twee mogelijke interne belangenconflicten. Het eerste is dat tussen de class vertegenwoordiger en de overige class leden. Dat kwam reeds aan bod in 4.5.2, waar ik tevens erop wees dat een eventueel conflict ook gevolgen kan hebben voor de geschiktheid van de class advocaat: hij mag niet voor cliënten optreden die tegenstrijdige belangen hebben. Het belangenconflict dat zich bij sell-out schikkingen tussen de class advocaat en de class leden kan voordoen, is echter van een andere aard. Het houdt verband met een probleem dat rechtseconomen aanduiden als `agency costs' en waarvoor ze een theorie hebben ontwikkeld.25 Dat probleem komt eenvoudig gesteld hierop neer dat het voor derden heel lastig is om de kwaliteit en daarmee de aanvaardbaarheid van het uiteindelijk bereikte schikkingsresultaat te beoordelen. Een vertegenwoordigingsmechanisme als class action, dat een hoeveelheid aanspraken bij een aantal partijen concentreert, heeft, zoals ook in 4.3 bleek, veel voordelen, maar vergroot tegelijkertijd de agency costs ofwel de mogelijkheid dat een intern belangenconflict de kans krijgt om zich te manifesteren.26 Er is ook een groep schrijvers die dat conflict relativeert door het in verband te brengen met eventuele uiteenlopende risicopreferenties van de class leden (risicomijdend of risicozoekend) en de class advocaat (risiconeutraal).27
Elders28 heb ik getracht om na te gaan hoe reëel het gevaar voor sell-out settlements is. Er bleken indicaties te zijn dat dergelijke schikkingen incidenteel voorkomen, maar in welke mate bleef onduidelijk. Dit blijkt ook te maken te hebben met methodologische problemen bij het empirisch onderzoeken van het verschijnsel.
De voorstellen om sell-out schikkingen tegen te gaan, kunnen globaal worden ingedeeld in twee categorieën: `monitoring' en 'incentives' 29 In het eerste geval wordt toezicht gehouden op de handelwijze van de class advocaat. Dat kan op verschillende manieren: via het tuchtrecht of het inschakelen van 'toezichthouders', zoals de rechter, deskundigen of 'invloedrijke' class leden (lead plaintiffs: doorgaans organisaties en instituties). In het tweede geval probeert men adequate financiële incentives voor de class advocaat te creëren, zodat een eventuele belangentegenstelling met de class zo minimaal mogelijk is. Dat zou de veel kostbaardere `monitoring' overbodig maken. Beide type maatregelen hebben voor- en nadelen. Er bestaat geen overeenstemming over de vraag welk type maatregelen te prefereren is. Wel is het zo dat er maatregelen zijn die vanuit beide perspectieven aantrekkelijk lijken.30 Bovendien zou men voor een combinatie van maatregelen kunnen kiezen: bijvoorbeeld voor een monitoring door de rechter of een externe deskundige in combinatie met een fee structuur.31
Een laatste groep voorstellen richt zich niet op voorkoming of vermindering van agency costs, maar op regulering van de risicopreferenties van de feitelijke partijen aangezien vooral asymmetrieën in de risicopreferenties van die partijen en hun advocaat in de weg staan aan een in rechtseconomische zin optimale schikking. In die voorstellen wordt juist ervoor gepleit om meer controle op de procedure te geven aan de class advocaat, omdat deze eerder risiconeutraal zal optreden. Verder worden onder meer genoemd het stimuleren van risiconeutraal gedrag bij de class leden door ze mede de kosten van de procedure te laten dragen.32