Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/11.4.1:11.4.1 De eerste pijler van verlofverlening (Beslagsyllabus)
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/11.4.1
11.4.1 De eerste pijler van verlofverlening (Beslagsyllabus)
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499480:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechtersregelingen, zoals de Beslagsyllabus, kennen geen grondslag in de wet. Het is een vorm van rechterlijke samenwerking welke in de praktijk is ontstaan ter bevordering van de rechtseenheid en rechtszekerheid. Rechtersregelingen geven in feite een (openbaar) intern advies aan rechters hoe met veel voorkomende vraagstukken om te gaan. Anders dan een uitspraak in het kader van een concrete zaak betreft een rechtersregeling het stellen van algemene regels, een taak die aan de wetgever is voorbehouden. De veranderingen in de Beslagsyllabus van juni 2011, zijn van fundamentele aard. Het was een snelle en efficiënte weg om op korte termijn een verandering in de evenwichtigheid binnen de eerste pijler te bewerkstelligen en daarmee een impuls te geven aan de evenwichtigheid van het systeem van conservatoir beslag als geheel. De vraag die zich daarbij aandient is of een werkgroep, samengesteld uit rechters en een vergadering van sectorvoorzitters (het LOVCK), hier zonder verantwoording, consultering of inbreng van belanghebbenden en/of politiek de mogelijkheid zouden moeten hebben om dergelijke fundamentele veranderingen door te voeren. Op grond van de bevindingen over de werkgroep Beslagrecht en de rol van het LOVCK meen ik dat de keuze om langs deze weg op korte termijn een verandering te bewerkstelligen in termen van resultaat beslist een goede is geweest. Het proces gevolgd hebbende meen ik evenwel dat meer transparantie betracht zou moeten worden met betrekking tot initiatiefnemers, samenstelling en de wijze waarop de inhoud van de regeling tot stand is gekomen. Mijn stellige indruk, dat bij de veranderingen in de Beslagsyllabus zeer bevlogen en deskundige rechters betrokken waren, doet hier niet aan af: daar waar algemene regels worden vastgesteld dient in mijn ogen (publiek) verantwoording te worden afgelegd. Dit betekent niet alleen openheid van zaken over de hierbij betrokkenen en overwegingen voorafgaand aan en/of leidend tot besluitvorming, maar ook consultatie (vooraf) van belanghebbenden en deskundigen buiten de Rechtspraak en inhoudelijke communicatie (berichtgeving) hierover. Het lijkt mij niet voor de hand liggend om een dergelijke takenpakket (geheel) binnen de operationele rechtspraak organisatie te beleggen: de taak van rechters is immers om recht te spreken. De onmisbare toegevoegde waarde van rechters bestaat hierin dat zij terzake deskundig zijn om over specifieke onderwerpen, die onderwerp zijn van een rechtersregeling, te adviseren: men kan zich voorstellen dat dergelijke adviezen in de toekomst binnen de Rechtspraak mede via internet consultatie tot stand kunnen komen. Met name het bepalen van de noodzaak tot initiatieven voor het ontwikkelen of herzien van rechtersregelingen, uiteraard in samenspraak met de Rechtspraak,1 het consulteren van belanghebbende partijen buiten de Rechtspraak en de administratieve last van het vastleggen van de processen die tot een (gewijzigde) rechtersregeling hebben geleid, lijkt in een stafbureau beter ondergebracht. Dit zou goed kunnen passen binnen de ondersteunende taak van de Raad voor de rechtspraak.
Tevens is de positie van het LOVCK, dat de hoedanigheid van vaststellend orgaan voor de Beslagsyllabus aan zich heeft getrokken, aan een herziening toe. Deze vergadering heeft geen bevoegdheid tot het vaststellen van rechtersregelingen en de toegevoegde waarde voor het bindingseffect is afwezig: horizontale en verticale precedentwerking leiden uiteindelijk tot binding van rechters aan een dergelijke regeling, niet de vaststelling door het LOVCK.
Tenslotte speelt het legitimatie aspect. Het zou een vooruitgang betekenen indien in de wet een grondslag voor het ontwikkelen en vaststellen van rechtersregelingen wordt opgenomen. Dit geeft tevens gelegenheid tot een politiek maatschappelijk debat over de grenzen die hieraan gesteld zouden moeten worden. Ik realiseer mij na de vele gesprekken die ik over dit onderwerp binnen de Rechtspraak heb gevoerd dat een politiek vetorecht voor rechtersregelingen over het algemeen niet als wenselijk wordt beschouwd, omdat rechtersregelingen als ‘eigen’ worden gezien. Ik ben met betrekking tot een dergelijke vorm van milde politieke betrokkenheid minder terughoudend om redenen van legitimerende werking, en omdat het bescherming kan bieden tegen rechtersregelingen die zich (mede) begeven op onderdelen die aan de politiek dienen te zijn voorbehouden.
De nieuwe richtlijnen in de gewijzigde Beslagsyllabus van juni 2011 hebben geleid tot uitspraken in eerste instantie die ervan blijk geven dat de noodzaak tot het verstrekken van volledige en juiste informatie om een intensievere beoordeling van beslagrekesten mogelijk te maken, de noodzakelijke aandacht krijgt (horizontale werking). In hoger beroep is deze werkwijze vooralsnog in stand gelaten (verticale werking).2 Ondanks de niet optimale totstandkomingsprocedure van rechtersregelingen hebben de aanpassingen in de Beslagsyllabus dus een werkelijke verandering bewerkstelligd. Gezien de achterstandspositie van de beslagene met een redelijk verweer ben ik van oordeel dat dit een goede ontwikkeling is. Dit alles niettegenstaande de grondslag van, alsmede het totstandkomingsproces van (wijzigingen in) rechtersregelingen, waar in mijn visie nog het nodige verbeterd kan worden.