Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.1.2:10.3.1.2 Gronden
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.1.2
10.3.1.2 Gronden
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragrafen 3.2.2 en 4.4.2.3. Zie ook ‘stap 3’ van het in paragraaf 10.2.1 uitgewerkte besluitvormingsschema.
Dezelfde vraag kan worden opgeworpen ten aanzien van het criterium ‘ernstige bezwaren’ in artikel 67, derde lid Sv.
Kamerstukken II 2011-2012, 33360, nr. 3, p. 1-5. Zie ook paragraaf 4.4.2.3, onder D.
Zie hoofdstukken 2 en 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede knelpunt in het wettelijke kader betreft de regeling van de gronden voor voorlopige hechtenis. De in artikel 67a, eerste en tweede lid Sv neergelegde gronden zijn, behoudens de recent geïntroduceerde ‘snelrechtgrond’, in de kern goed te verenigen met de door het EHRM aanvaarde ‘relevante en voldoende redenen’ voor voorlopige hechtenis.1 In het onderhavige onderzoek is evenwel gebleken dat in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraktijk regelmatig een aanzienlijk ruimere invulling wordt gegeven aan met name de recidivegrond en de grond van de ‘ernstig geschokte rechtsorde’ dan op basis van EHRM-rechtspraak is te rechtvaardigen. Dit kan weliswaar deels worden verklaard met verwijzing naar de systematiek van het schorsingsmodel (zie bovenstaande par. 10.3.1.1), maar kan er ook op wijzen dat de formulering van het huidige artikel 67a, eerste en tweede lid Sv onvoldoende sturing geeft aan de rechter om de gronden te interpreteren in lijn met de benadering die het EHRM in diens bestendige rechtspraak uiteen heeft gezet. Bovendien is tijdens interviews met rechters, officieren van justitie en advocaten gebleken dat de interpretaties van met name de grond van het ‘12-jaarsfeit en de ernstig geschokte rechtsorde’ sterk uiteenlopen. Dit roept ernstig de vraag op of deze grond “voldoende duidelijk en precies” is geformuleerd, zoals het rechtmatigheidsvereiste van artikel 5, eerste lid EVRM, artikel 9, eerste lid IVBPR en artikel 37(b) IVRK voorschrijft.2
Voorts is de recent door de wetgever toegevoegde ‘snelrechtgrond’, als neergelegd in artikel 67a, tweede lid, onder 4° Sv, principieel moeilijk te verenigen met de uitgangspunten die voorvloeien uit het kader van Europese en internationale kinder- en mensenrechtenstandaarden. Volgens de Memorie van Toelichting zijn de onderliggende doelstellingen van deze grond het realiseren van een “efficiënte en slagvaardige afdoening”, het voorkomen van “maatschappelijke onrust” en het voorzien in een “direct reactie (lik op stuk) om aan de verdachte en de omgeving duidelijk te maken dat het gedrag beëindigd wordt en onaanvaardbaar is”.3 Een “efficiënte en slagvaardige afdoening” is als zodanig niet erkend door het EHRM als een legitieme grond voor voorlopige hechtenis en kan binnen diens bestendige rechtspraak slechts voorlopige hechtenis rechtvaardigen als sprake is van een acuut vluchtgevaar of gevaar voor belemmering van de waarheidsvinding. Voorts is het voorkomen van maatschappelijke onrust als legitieme grond voor voorlopige hechtenis volgens het EHRM voorbehouden aan “exceptionele” gevallen waarin sprake is van een “strafbaar feit van bijzondere ernst”. Bovendien bevat de lik op stuk-doelstelling onmiskenbaar een punitief element dat zich slecht verdraagt met het uit de onschuldpresumptie voortvloeiende uitgangspunt dat met voorlopige hechtenis niet vooruit mag worden gelopen op een vrijheidsstraf. Tot slot past de uitbreiding van de gevallen en gronden, zoals die met de invoering van de ‘snelrechtgrond’ gepaard is gegaan, niet bij het kinder- en mensenrechtelijke uitgangspunt dat voorlopige hechtenis van minderjarigen een uiterste middel moet zijn.4