De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.3.1.2:17.3.1.2 De ratio van de stuiting
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.3.1.2
17.3.1.2 De ratio van de stuiting
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370162:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid het eerste deel van dit boek.
1-112 14 februari 1997, NJ 1997, 244, r.o. 3.5.
De Hoge Raad heeft deze lijn bestendigd in o.a. HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169 en BR 1 december 2000, NJ 2001, 46.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij beantwoording van bovenstaande vragen zal belangrijke betekenis toekomen aan de ratio van de stuitingshandeling. Wat valt daarover te zeggen?
Als gevolg van tijdsverloop wordt de positie van een debiteur in tweeërlei opzicht aangetast. (i) zijn bewijspositie verzwakt en (ii) zijn vermogenspositie is steeds minder op nakoming ingesteld. Om die reden is er de bevrijdende verjaring: op enig moment prevaleert het belang dat de debiteur erbij heeft dat de vordering tegen hem niet meer in rechte kan worden afgedwongen, boven het belang van de crediteur bij voortdurende afdwingbaarheid van zijn vordering.1
Nu biedt de stuiting de mogelijkheid de voltooiing van de verjaring af te wenden. Naar Nederlands recht kan stuiting plaatsvinden door: (i) het instellen van een rechtsvordering, alsmede door iedere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde (art. 3:316 BW), door (ii) een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 BW) of door (iii) erkenning (art. 3:318 BW). Deze gebeurtenissen doen de crediteur weten dat de debiteur nog nakoming verlangt. De gedachte is dat als de debiteur dat weet, hij zijn bewijspositie kan verzekeren en zijn vermogenspositie op nakoming kan inrichten. De stuiting stelt hem als het ware in staat de nadelige gevolgen van tijdsverloop af te wenden.
Over het voorgaande lijkt maar nauwelijks verschil van mening te kunnen bestaan. De Hoge Raad overwoog in zijn standaardarrest over stuiting van 14 februari 1997:2
"[Opmerking verdient] dat die woorden ["een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt'] moeten worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke blijkens Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1408, slot tweede alinea, neerkomt op een — voldoende duidelijke — waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren."3
Dit arrest ging in het bijzonder over de vereisten die aan de stuitingshandeling van art. 3:317 BW moeten worden gesteld, maar de gedachte is over de volle breedte van het leerstuk van de stuiting van toepassing.
Wat wel opvalt, is dat uitsluitend wordt gesproken over de functie van het verzekeren van bewijs en niet over de mogelijkheid de vermogenspositie op nakoming in te richten. Ik kan mij echter niet goed voorstellen dat die laatste functie van de stuiting door Hoge Raad en wetgever niet tevens zou worden onderschreven; als men aanvaardt dat de verjaring ertoe dient de schuldenaar te behoeden voor én een afgekalfde bewijspositie én een niet meer op nakoming ingerichte vermogenspositie, dan lijkt mij min of meer te zijn gegeven dat de stuiting ertoe strekt én de schuldenaar in staat te stellen zijn bewijspositie veilig te stellen én zijn vermogenspositie op nakoming in te richten. Het niet noemen van het motief van anticiperend vermogensbeheer lijkt mij dus geen bewuste keuze, maar een onopzettelijke omissie.
Bij beantwoording van de vijf voornoemde vragen, zal steeds de hier verwoorde ratio tot uitgangspunt worden genomen.