De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/5.7:5.7 Afronding
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/5.7
5.7 Afronding
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS391753:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bolkestein 2005, p. 129.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het later gepubliceerde dagboek dat Bolkestein gedurende zijn periode als Eurocommissaris bijhield noteerde hij bij 24 april 2001 het volgende: “Ik moet een conferentie geven over corporate governance. (...) Ik heb het onderwerp voor het eerst in 1993 aangesneden, in een toespraak voor de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid & Handel in Haarlem. (...) Daarop is een congres aan de Erasmus Universiteit gevolgd, waar ik heb gesproken. Toen liet men mij links liggen, nu is men het met me eens. Surprise surprise!”1
De opmerking van Bolkestein is begrijpelijk als deze wordt afgezet tegen de ingrijpende wijzigingen in het bestel van corporate governance bij beursvennootschappen die zich tussen 1994 en 2004 op juridisch, feitelijk en normatief niveau hebben voltrokken. Een belangrijk deel van deze wijzigingen had betrekking op de positie van aandeelhouders. Aan het einde van 2004 hadden aandeelhouders in Nederlandse beursvennootschappen veel terrein gewonnen. Zij hadden nieuwe bevoegdheden gekregen zoals het goedkeuringsrecht van artikel 2:107a BW en het agenderingsrecht van artikel 2:114a BW. Bovendien waren in de rechtspraak, de Code en in beleid op nationaal- en Europees niveau al normatieve piketpalen geslagen voor een verdere uitbreiding van hun positie, bijvoorbeeld wat betreft beschermingsconstructies. De aandeelhouder genoot in Nederland brede politieke en maatschappelijke steun en ook de Ondernemingskamer straalde een niet onwelwillende houding voor aandeelhouders uit. Ondertussen gingen bestuurders en commissarissen van beursondernemingen gebukt onder het imago van ‘graaiers’ en ‘old boys’ dat zij in de discussie rond de Code – en in zekere zin door de Code zelf – opgelegd hadden gekregen. Met deze stand van zaken sloten de Nederlandse beursondernemingen het jaar 2004 af. Wat er in de jaren erna zou gebeuren, is het onderwerp van het volgende hoofdstuk.