Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/1.2:1.2 Opbouw
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/1.2
1.2 Opbouw
Documentgegevens:
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS299549:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hoofdstukken 2 tot en met 5 vormen een inleiding op de hoofdstukken 6 tot en met 14. In hoofdstuk 2 wordt bezien of de verschillende behandeling van rente en dividend valt te verklaren vanuit de historie en de rechtsgrond van de vennootschapsbelasting. Vervolgens wordt nagegaan of het mogelijk is om eigen en vreemd vermogen voor de vennootschapsbelasting gelijk te behandelen. Zowel het systeem waarin dividend in aftrek komt op de winst (hoofdstuk 3) als een stelsel waarin de rente niet aftrekbaar is (hoofdstuk 4), komen aan de orde. In hoofdstuk 5 worden vervolgens de beperkingen van de aftrek van de rente in de Nederlandse vennootschapsbelasting op hoofdlijnen beschreven.
In hoofdstuk 6 wordt het probleem van de onderkapitalisatie bezien in het licht van het arm’s length-beginsel zoals dat is neergelegd in art. 9 OESO-modelverdrag. Welke eisen stelt art. 9 OESO-modelverdrag aan regels tegen onderkapitalisatie? Ook wordt nagegaan of art. 10d Wet VPB 1969 aan deze voorwaarden voldoet. Bovendien wordt onderzocht hoe Nederland zijn regels tegen onderkapitalisatie zou kunnen vormgeven in het licht van het arm’s length-beginsel.
In hoofdstuk 7 gaat het over de vraag in hoeverre regels tegen onderkapitalisatie een onderscheid mogen maken tussen de rente die is verschuldigd aan een binnenlandse dan wel aan een buitenlandse crediteur. Het onderwerp van hoofdstuk 8 is of de Moeder-dochterrichtlijn in de weg kan staan aan de beperking van de aftrek van de rente op grond van de Nederlandse regeling tegen onderkapitalisatie. Ook komt aan de orde of deze regeling in strijd kan zijn met de Rente- en royaltyrichtlijn.
De eisen die de bepaling over winst uit onderneming uit het OESO-model-verdrag stelt aan de kapitalisatie van een vaste inrichting komen aan bod in hoofdstuk 9. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of de rente op een ‘interne’ lening tussen het hoofdhuis en de vaste inrichting in aanmerking kan komen. In de tweede plaats wordt onderzocht welke eisen art. 7 OESO-modelverdrag stelt aan de verhouding tussen het eigen en het vreemd vermogen van de vaste inrichting. In de derde plaats komt aan de orde of art. 7, lid 3, OESO-modelverdrag voorschrijft dat de rente op schulden die toerekenbaar zijn aan een vaste inrichting ook daadwerkelijk in aftrek moeten komen bij het berekenen van de fiscale winst. Ook komt aan bod of de jurisprudentie van de Hoge Raad over de kapitalisatie van een vaste inrichting in overeenstemming is met de onderzochte internationale regels. Bovendien wordt besproken of de Nederlandse regeling tegen onderkapitalisatie voor zover zij van toepassing is bij de berekening van de winst van een vaste inrichting aan deze regels voldoet. Ten slotte wordt het wenselijk recht behandeld.
Hoofdstuk 10 behandelt de beperking van de aftrek van de rente op een lening in verband met een deelneming die gold tot 2004. Daarna wordt besproken of de Nederlandse regeling met betrekking tot de aftrek van deelnemingskosten na het schrappen van deze aftrekbeperking in overeenstemming is met de vrijheid van vestiging.
In hoofdstuk 11 worden de beperking van de aftrek van de rente op hybride leningen en de heffing van vennootschapsbelasting over deze rente bij de crediteur getoetst aan de vrijheden, de Moeder-dochterrichtlijn, de Rente- en royaltyrichtlijn en de belastingverdragen. Ook wordt ingegaan op de vraag hoe Nederland de beperking van de aftrek van de rente op hybride leningen in het licht van de onderzochte internationale regels kan vormgeven. Hoofdstuk 12 beziet de heffing van de dividendbelasting over de rente op hybride leningen vanuit het perspectief van de Nederlandse belastingverdragen, de Moeder-dochterrichtlijn en de Rente- en royaltyrichtlijn. De vraag in welke gevallen de heffing van de dividendbelasting in strijd is met de vrijheden, komt niet aan de orde aangezien deze kwestie niet specifiek betrekking heeft op de rente op hybride leningen.
In hoofdstuk 13 wordt eerst nagegaan welke eisen de vrijheden respectievelijk de belastingverdragen stellen aan een beperking van de aftrek van de rente vanwege het ontbreken van een zakelijk motief dan wel een compenserende heffing bij de crediteur. Vervolgens wordt onderzocht of art. 10a Wet VPB 1969 in overeenstemming is met deze regels.
Het onderwerp van hoofdstuk 14 is of uit de regelingen over onderling overleg en arbitrage in de belastingverdragen en het arbitrageverdrag een verplichting kan voortvloeien om de juridisch of economisch dubbele belastingheffing over de rente weg te nemen. In hoofdstuk 15 zijn de samenvatting en de conclusies opgenomen.