Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/1.3:1.3 Methode van onderzoek en opzet van het boek
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/1.3
1.3 Methode van onderzoek en opzet van het boek
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493849:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om een antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen onderzoek ik welke antwoorden in buitenlandse rechtsstelsels op vergelijkbare vragen worden gegeven. Ik heb gekozen voor het Engelse en het Duitse recht. In zowel de Engelse als de Duitse literatuur is overvloedige aandacht voor het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking, dit in tegenstelling tot de literatuur over de Romanistische rechtsfamilie (rechtsstelsels die op de Code Civil zijn gebaseerd).
Bovendien is in het Engelse recht de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking recent (1992) aanvaard in de rechtspraak. Dit heeft tot gevolg gehad dat in de Engelse literatuur op dit moment leerzame debatten worden gevoerd over de aard van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, over de afbakening van deze vordering ten opzichte van andere vorderingen, zoals die uit onrechtmatige daad, en over de omvang van de vordering. Het Engelse recht wordt besproken in hoofdstuk 2.
Het Duitse recht is onder meer van belang omdat daarin een onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen waarin de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat vanwege de verrichting van een bepaald soort prestatie (te weten een prestatie die met een bepaalde bedoeling is verricht) en gevallen waarin de verrijking op een andere wijze is ontstaan. Dit onderscheid is ook wel voor het Nederlandse recht verdedigd. Ik onderzoek of het wenselijk is om de Duitse benadering over te nemen. Daarnaast hebben de Duitse auteurs zich uitvoerig bezig gehouden met meerpartijenverhoudingen, zodat het voor de hand ligt om te onderzoeken welke uitkomsten in dergelijke gevallen door de Duitse auteurs wenselijk worden geacht. Bovendien bestaat in de Duitse literatuur veel aandacht voor verweermiddelen die tegen de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling kunnen worden gevoerd, zodat niet alleen kan worden onderzocht in welke gevallen het wenselijk is dat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking (en onverschuldigde betaling) ontstaat, maar ook wat een wenselijke inhoud (omvang) van deze vordering is. Het Duitse recht wordt besproken in hoofdstuk 3. De bespreking van het Engelse en Duitse recht is niet uitsluitend een objectieve weergave van deze rechtsstelsels: nu en dan wordt deze weergave voorzien van korte beschouwingen over de bruikbaarheid voor het Nederlandse recht van oplossingen die in de besproken buitenlandse rechtsstelsels zijn bereikt.
Vervolgens onderzoek ik in hoofdstuk 4 welke wijzen van systematisering van artikel 6:212 in de Nederlandse literatuur zijn voorgesteld. Ik beantwoord in dat verband de eerste onderzoeksvraag (wat is de verhouding van artikel 6:212 tot artikel 6:203 en tot artikel 6:162). Gaandeweg het onderzoek worden ook deelantwoorden geformuleerd op de tweede onderzoeksvraag (welke gevallen is het wenselijk dat artikel 6:212 een recht geeft op afdracht van een verrijking en welke uitleg van artikel 6:212 past daarbij?). Ik kom tot de conclusie dat het wenselijk is om artikel 6:212 te beperken tot gevallen waarin een inbreuk wordt gemaakt op een exclusieve rechtspositie. Een dergelijke beperking brengt mee dat artikel 6:212 in beginsel niet zou zien op gevallen waarin prestaties zijn verricht. In die gevallen zou artikel 6:203 tot wenselijke uitkomsten moeten leiden. Vervolgens onderzoek ik in welke gevallen gewenst is dat de verrijkingsschuldenaar een beroep kan doen op verweermiddelen tegen de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking die betrekking hebben op de omvang van de vordering.
In hoofdstuk 5 staat de vordering uit onverschuldigde betaling centraal - het onderwerp van de derde onderzoeksvraag. Ik bespreek de heersende leer ten aanzien van deze vordering. Deze leer blijkt in veel gevallen tot wenselijke uitkomsten te leiden. Echter, in enkele meerpartijenverhoudingen leidt de gangbare uitleg van het begrip betaling in artikel 6:203 (d.w.z. een betaling in de zin van artikel 6:203 moet objectief beschouwd een prestatie zijn, waarbij de bedoeling van de presterende en ontvangende partijen niet van belang is) ertoe dat niet altijd wenselijke uitkomsten kunnen worden bereikt op grond van dat artikel. Artikel 6:212 dient dan volgens de heersende leer corrigerend te werken. Daardoor dient artikel 6:212 in de gangbare benadering van artikel 6:203 een tamelijk ruim toepassingsbereik te hebben. Ik onderzoek of de noodzaak van dergelijke correcties kan worden weggenomen met behulp van een alternatieve uitleg van artikel 6:203 waarin de bedoeling van partijen centraal staan. Deze alternatieve uitleg is aan de Duitse heersende leer ontleend en eerder voor het Nederlandse recht voorgesteld. Deze alternatieve uitleg blijkt evenmin steeds tot de wenselijke uitkomsten te voeren.
Ik onderzoek daarom vervolgens of een aanvulling van de gangbare uitleg van de begrippen ‘betaling’ en ‘zonder rechtsgrond’ het mogelijk zou maken dat wenselijke oplossingen in alle gevallen waarin prestaties zijn verricht kunnen worden bereikt op grond van artikel 6:203. De aanvulling bestaat erin dat de verrichting en de ontvangst van prestaties onder omstandigheden kunnen worden toegerekend aan anderen dan degenen die deze handelingen verrichten. Ik kom tot de conclusie dat deze benadering tot wenselijke uitkomsten leidt. Vervolgens bespreek ik in welke gevallen gewenst is dat de ontvanger een beroep kan doen op verweermiddelen tegen de vordering uit onverschuldigde betaling die betrekking hebben op de omvang van de vordering.
In hoofdstuk 6 illustreer ik aan de hand van enkele meerpartijenverhoudingen de benadering die in hoofdstuk 4 en 5 is voorgesteld. Ik onderzoek welke uitkomsten gewenst zijn en laat zien hoe die met de voorgestelde invulling van de vereisten van artikel 6:212 en 6:203 worden bereikt.
In hoofdstuk 7 rond ik het proefschrift af met een samenvatting en conclusies.
Het onderzoek is afgesloten per 31 december 2012. Met nadien verschenen jurisprudentie en literatuur kon daarom slechts beperkt rekening worden gehouden.