HR, 11-03-2022, nr. 20/03684
ECLI:NL:HR:2022:344
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-03-2022
- Zaaknummer
20/03684
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:344, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑03‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:2003
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1099
ECLI:NL:PHR:2021:1099, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑11‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:344
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑03‑2021
- Vindplaatsen
NLF 2022/0576 met annotatie van Carl Luijken
FED 2022/48 met annotatie van J.H.M. ARTS
BNB 2022/72 met annotatie van P. KAVELAARS
NTFR 2022/1062 met annotatie van M.W. Krijger MB RB
Viditax (FutD) 2022031117
FutD 2022-0748
V-N 2021/55.9 met annotatie van Redactie
NLF 2021/2413 met annotatie van Carl Luijken
NTFR 2021/4386 met annotatie van M.W. Krijger MB RB
Viditax (FutD) 2021121009
FutD 2021-3779
Uitspraak 11‑03‑2022
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03684
Datum 11 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2020, nr. BK-19/005371., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/7217) betreffende een aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A. Asbreuk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 november 2021 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De rechtsvoorganger van belanghebbende, [B] Beheer B.V. (hierna: Beheer), heeft aan [A] (hierna: [A]) pensioenaanspraken toegekend. In een brief van 29 december 1989 (hierna: de pensioenbrief) is dienaangaande bepaald:
“Ingegane pensioenen en, in geval van ontslag voor de pensioendatum, rechten op nog niet ingegaan pensioen zullen door de vennootschap zoveel mogelijk worden aangepast aan de prijsontwikkeling.”
2.2
[A] heeft in 2011 Beheer verzocht de pensioenverplichting over te dragen aan een BV waarin hij alle aandelen bezat (hierna: de BV). Die overdracht is geëffectueerd op 12 maart 2012, waarbij de BV de pensioenverplichtingen van Beheer ten aanzien van [A] heeft overgenomen naar de situatie per 31 december 2011. De tekst van de pensioenbrief is niet aangepast.
De tegenprestatie voor de overdracht is, na onderhandelingen tussen Beheer en [A], vastgesteld op € 396.740. De gemachtigde van Beheer heeft over de hoogte van dat bedrag het volgende geschreven aan de gemachtigde van [A]:
“Cliënte kan zich vinden in een verhoging van het over te dragen kapitaal ad € 370.810 met een door u voorgestelde kostenopslag van € 17.125, mits [A] afziet van de wens tot indexering van zijn pensioenaanspraken vanaf datum uitdiensttreding tot en met datum ingang pensioen. Indien [A] niet van indexering wenst af te zien, zal cliënte het betreffende kapitaal niet overdragen.”
2.3
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat [A] bij de overdracht van de pensioenvoorziening zijn aanspraak op na-indexatie van het pensioen heeft prijsgegeven in de zin van artikel 19b, lid 1, letter c, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2012, hierna: Wet LB) en de waarde van de pensioenaanspraak, die hij heeft berekend op € 561.819, aangemerkt als loon. Daarvoor is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
3. De procedure voor het Hof
3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of het in 2.1 weergegeven recht van [A] op na-indexatie van het pensioen een aanspraak is als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter c, Wet LB en, zo ja, of die aanspraak in 2012 is prijsgegeven.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat het recht op (na-)indexatie van een pensioen dat gebaseerd is op een overeenkomst tussen de pensioengerechtigde en de pensioenuitvoerder, zoals in dit geval is vastgesteld in de pensioenbrief van 29 december 1989, een aanspraak op pensioen is als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter c, Wet LB. Daaraan staat niet in de weg dat de Pensioenwet c.q. de Pensioen- en spaarfondsenwet (tot 2007) niet voorschrijft dat bij de toekenning van voorwaardelijke pensioenrechten het recht op een bepaalde wijze door de pensioenuitvoerder moet zijn gedekt, aldus het Hof.
3.3
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat met de overdracht van de pensioenverplichting door Beheer aan de BV in maart 2012, waarbij geen rekening is gehouden met na-indexatie, is komen vast te staan dat de aanspraak van [A] op (na-)indexatie is vervallen. Dat recht is tenietgegaan omdat de verplichting tot (na-)indexatie niet is overgedragen aan de BV en in zoverre is de inhoud van de pensioenbrief gewijzigd. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat [A] in maart 2012 het recht op (na-)indexatie heeft prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, lid 1, letter c, Wet LB, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
Het eerste middel, dat is gericht tegen het in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof, kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.2.1
Het tweede middel is gericht tegen het in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat [A] zowel voor als na de overdracht van de pensioenverplichting aan de BV een recht heeft op na-indexatie omdat de pensioenbrief niet is gewijzigd. Het pensioen is als zodanig met alle rechten en verplichtingen overgedragen, zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat het bij het pensioen behorende kapitaal dat belanghebbende heeft overgedragen onvoldoende was om het pensioen te indexeren, aldus het middel.
4.2.2
Een pensioenaanspraak wordt geheel of gedeeltelijk prijsgegeven indien de pensioengerechtigde door een gedraging of uiting jegens de pensioenuitvoerder te kennen geeft dat hij definitief afziet van (een deel van) zijn recht op het pensioen3..
4.2.3
Het Hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het recht van [A] op na-indexatie is vervallen door de overdracht van de pensioenverplichting door Beheer aan de BV. Dat is niet zonder meer begrijpelijk omdat de enkele omstandigheid dat bij de overdracht van de pensioenverplichting door Beheer aan de BV geen rekening is gehouden met de verplichting tot na-indexatie, niet betekent dat [A] zijn recht op die na-indexatie heeft prijsgegeven. Van belang in dit verband is dat het Hof niet heeft vastgesteld of de voorwaarde gesteld in het citaat weergegeven in 2.2 van dit arrest, door [A] is geaccepteerd of dat die voorwaarde door Beheer is ingetrokken. Het oordeel van het Hof geeft daarom ofwel blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 4.2.2 is overwogen, ofwel het had nader gemotiveerd moeten worden, maar die nadere motivering is in de bestreden uitspraak niet te vinden. Het tweede middel slaagt. De uitspraak van het Hof kan daarom niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 532, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 4.554 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑03‑2022
Conclusie 23‑11‑2021
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of voor de toepassing van de loonbelasting (i) een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie een aanspraak ingevolge een pensioenregeling vormt, en zo ja, (ii) of dit recht is prijsgegeven met de overdracht van de pensioenverplichting aan een andere B.V. [A] was als directeur in dienst bij [B] Beheer B.V., de rechtsvoorganger van belanghebbende (hierna: Beheer B.V.). Beheer B.V. heeft aan [A] pensioenaanspraken toegekend, waaronder een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie van het pensioen. De pensioenaanspraken zijn ondergebracht bij Beheer B.V. [A] heeft aan Beheer B.V. verzocht de pensioenverplichting over te dragen aan [C] B.V. (hierna: [C] B.V.), waarin hij alle aandelen houdt. [C] B.V. heeft vervolgens de pensioenverplichting die Beheer B.V. heeft ten aanzien van [A], overgenomen, waarbij de indexatie niet in de overdrachtswaarde is meegenomen. Naar het oordeel van het Hof is het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie van een pensioen dat gebaseerd is op een overeenkomst tussen de pensioengerechtigde en de pensioenuitvoerder, een aanspraak op een pensioen als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Volgens het Hof is met de overdracht van de pensioenverplichting waarbij geen rekening is gehouden met een na-indexatie, vast komen te staan dat deze aanspraak is vervallen. Daarmee heeft belanghebbende dit recht op (na-)indexatie volgens het Hof prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. In cassatie klaagt belanghebbende dat het oordeel van het Hof dat het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie kan worden aangemerkt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling onjuist is. Belanghebbende betoogt dat voor de uitleg van dit begrip moet worden aangesloten bij de civielrechtelijke definitie(s). Daarnaast bestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat met de overdracht van de pensioenverplichting belanghebbende het recht op (na-)indexatie heeft prijsgegeven. Naar de mening van de A-G zijn er in de onderhavige zaak twee redenen om voor de uitleg van het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ niet zonder meer aan te sluiten bij het civiele recht. Allereerst betreft het fiscale begrip ‘aanspraak’ uit artikel 10, lid 2, Wet LB een veel ouder begrip, nu dit voor het eerst in de wet is opgenomen in 1936. Ten tweede streeft de Pensioenwet een ander doel na dan de Wet LB, als gevolg waarvan het begrip ‘aanspraak’ in beide wetten een andere, eigen context heeft. Nu het overeengekomen voorwaardelijk recht op (na-)indexatie op basis van het fiscale kader kwalificeert als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling, faalt het eerste middel. Het tweede middel betreft de vraag welke vorm van handelen precies vereist is voor het prijsgeven van een aanspraak in de zin van artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Het volledige samenstel aan rechten en verplichtingen, zoals overeengekomen in de pensioenbrief, is overgedragen door belanghebbende aan een derde, niet-gelieerde vennootschap. Met de overdracht van de pensioenverplichting heeft belanghebbende dus weliswaar niet stilgezeten, maar er zijn volgens de A-G geen feiten gesteld of gebleken waaruit blijkt dat een aanspraak is prijsgegeven. De enkele omstandigheid dat bij de overdracht van de verplichting geen afzonderlijke waarde is toegekend aan een onderdeel van de aanspraak, maakt volgens de A-G niet dat deze aanspraak is gewijzigd, dan wel dat van (een deel van) deze aanspraak is afgezien. Van enige wijziging van hetgeen is overeengekomen in de pensioenbrief is ook niet gebleken, zodat de voorwaardelijke aanspraak op (na-)indexatie van de verzekerde/begunstigde is blijven bestaan. Het middel slaagt derhalve. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03684
Datum 23 november 2021
Belastingkamer III
Onderwerp/tijdvak Loonbelasting 2012
Nr. Gerechtshof BK-19/00537
Nr. Rechtbank SGR 18/7217
CONCLUSIE
R.E.C.M. Niessen
in de zaak van
[X] B.V.
tegen
de Staatssecretaris van Financiën
In geschil is (i) of een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie een aanspraak ingevolge een pensioenregeling vormt in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), en zo ja, (ii) of dit recht is prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, lid 1, onderdeel c (oud), Wet LB met de overdracht van de pensioenverplichting.
1. Inleiding
1.1
Aan [X] B.V. is voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2012 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd van € 292.145.
1.2
Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur1.de aanslag gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de uitspraak van de Inspecteur. De Rechtbank2.heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.3.
1.4
Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof4.heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.5.
1.5
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris6.heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft belanghebbende gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft laten weten niet te zullen dupliceren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Het Hof heeft de feiten vastgesteld als volgt. [A] was tot in het jaar 2000 als directeur in dienst bij [B] Beheer B.V., de rechtsvoorganger van belanghebbende (hierna: Beheer B.V.). Beheer B.V. heeft aan [A] pensioenaanspraken toegekend, waaronder een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie van het pensioen. De pensioenaanspraken zijn ondergebracht bij Beheer B.V.7.
2.2
Van 1 april 2011 tot en met 31 oktober 2011 heeft Beheer B.V. pensioenuitkeringen aan [A] en zijn ex-partner gedaan. In datzelfde jaar heeft [A] aan Beheer B.V. verzocht de pensioenverplichting over te dragen aan [C] B.V. (hierna: [C] B.V.), waarin hij alle aandelen houdt.
2.3
Naar aanleiding van het verzoek tot overdracht van de pensioenverplichting8.hebben onderhandelingen plaatsgevonden tussen [A] en Beheer B.V. In een brief van 19 augustus 2011 van de gemachtigden van Beheer B.V. aan de gemachtigde van [A] is vermeld (citaat van het Hof):
“(...) Cliënte [Hof: Beheer B.V.] kan zich vinden in een verhoging van het over te dragen kapitaal ad € 370.810 met een door u voorgestelde kostenopslag van € 17.125, mits [A] afziet van de wens tot indexering van zijn pensioenaanspraken vanaf datum uitdiensttreding tot en met datum ingang pensioen. Indien [A] niet van indexering wenst af te zien, zal cliënte het betreffende kapitaal niet overdragen.
(...) Voorafgaand aan de daadwerkelijke waardeoverdracht wenst cliënte wel de fiscale gevolgen van een dergelijke overdracht met de belastingdienst af te stemmen.”
2.4
Vervolgens heeft tussen belanghebbende en de Inspecteur overleg plaatsgevonden over de overdrachtswaarde van de pensioenverplichtingen.9.Bij brief van 9 november 2011 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur voorgesteld bij de overdrachtswaarde geen rekening te houden met indexatie van de uitkeringen. Daarbij heeft de gemachtigde van belanghebbende opgemerkt dat de indexatie ter vrije beoordeling van het bestuur van de vennootschap staat en dat de financiële situatie het niet toelaat de uitkering te indexeren. Het overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.
2.5
Bij overeenkomst van 12 maart 2012 heeft [C] B.V. de pensioenverplichting die Beheer B.V. heeft ten aanzien van [A] , overgenomen naar de situatie per 31 oktober 2011, waarbij de indexatie niet in de overdrachtswaarde is meegenomen.
Rechtbank Den Haag
2.6
Voor de Rechtbank was tussen partijen in geschil of in 2012 pensioenaanspraken (ten dele) zijn prijsgegeven. Onder verwijzing naar de uitspraak van Hof Den Haag van 1 augustus 2018,10.komt de Rechtbank tot het oordeel dat met betrekking tot het jaar 2011 sprake is van een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie, welk recht dient te worden aangemerkt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Anders dan belanghebbende stelt, leidt de definitie in artikel 1 van de Pensioenwet er volgens de Rechtbank niet toe dat voorwaardelijke indexatie voor de belastingwet niet geldt als een aanspraak. In de Wet LB wordt voor het begrip aanspraak niet verwezen naar de Pensioenwet en uit de systematiek van de Wet LB volgt dat de Wet LB een eigen kader kent, aldus de Rechtbank.
2.7
Pas met de overdracht van de verplichting in 2012 is, gelet op de overdrachtswaarde waarbij geen rekening is gehouden met indexatie, volgens de Rechtbank vast komen te staan dat de aanspraak op (na-)indexatie is vervallen.11.De heffing in 2012 is daarom terecht naar het oordeel van de Rechtbank. Het beroep op artikel 1 van het EP van het EVRM slaagt evenmin.
Gerechtshof Den Haag
2.8
Voor het Hof was eveneens in geschil of de pensioenaanspraak van [A] (ten dele) is prijsgegeven in 2012 als bedoeld in artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of het voorwaardelijk recht op (na-)indexatie van het ouderdomspensioen van [A] een pensioen is en of dit een aanspraak is als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB.
2.9
Het Hof komt – evenals de Rechtbank – tot het oordeel dat het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie van een pensioen dat gebaseerd is op een overeenkomst tussen de pensioengerechtigde en de pensioenuitvoerder, zoals in dit geval is vastgesteld in de pensioenbrief van 29 december 1989, een aanspraak op een pensioen is als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB.
2.10
Eveneens onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 augustus 2018, oordeelt het Hof dat belanghebbende in maart 2012 het recht op (na-)indexatie heeft prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Dit gelet op de omstandigheid dat met de overdracht van de pensioenverplichting aan [C] B.V. in maart 2012, waarbij geen rekening is gehouden met een na-indexatie, is komen vast te staan dat de aanspraak van [A] op (na-)indexatie is vervallen.12.
2.11
Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat op het moment dat [A] uit dienst trad in 2000, (na-)indexatie van het ouderdomspensioen had moeten plaatsvinden en dit, nu dat niet is gebeurd, in 2001 heeft geleid tot het prijsgeven van het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie. Naar het oordeel van het Hof ziet belanghebbende eraan voorbij dat het feit dat de (na-)indexatie niet plaatsvond door Beheer B.V. in 2000 of 2001 en ook niet in latere jaren door belanghebbende, er niet aan afdoet dat [A] een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie bleef houden omdat hij dat recht niet had prijsgegeven en dat recht pas bij de overdracht in 2012 niet meer verwezenlijkt kon worden doordat het niet is overgedragen.
2.12
Het standpunt van belanghebbende dat [A] na de overdracht van de pensioenverplichting nog steeds een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie houdt omdat de pensioenbrief niet is gewijzigd, miskent volgens het Hof dat bij de overdracht van de pensioenverplichting het recht op (na-)indexatie teniet is gegaan omdat dit niet is overgedragen.13.In zoverre is wat is overeengekomen in de pensioenbrief gewijzigd, aldus het Hof.
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende voert in cassatie vier middelen aan, die ik samenvat als volgt.
Middel 1 komt op tegen het oordeel van het Hof dat het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie kan worden aangemerkt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB.
Middel 2 bestrijdt het oordeel van het Hof dat met de overdracht van de pensioenverplichting belanghebbende het recht op (na-)indexatie heeft prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB,14.als onjuist dan wel niet naar behoren gemotiveerd.
In middel 3 klaagt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft verworpen het standpunt van belanghebbende dat op het moment dat [A] uit dienst trad in 2000, (na-)indexatie had moeten plaatsvinden en dat dit – nu dit niet is gebeurd – in 2001 heeft geleid tot het prijsgeven van het voorwaardelijke recht. Ik versta dit middel als een subsidiair standpunt ten opzichte van de eerste twee middelen, nu in dit middel – in tegenstelling tot in de eerste twee middelen – ervan wordt uitgegaan dat sprake is van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die is prijsgegeven (zij het op een eerder moment).
Middel 4 betoogt tot slot dat – voor zover de eerste drie middelen niet tot cassatie kunnen leiden – het Hof ten onrechte de gehele aanspraak op pensioen in de belastingheffing heeft betrokken als gevolg van het prijsgeven van het voorwaardelijk recht op (na-)indexatie.
3.2
Hierna bespreek ik de middelen. Daarbij zet ik eerst het relevante juridische kader uiteen en behandel ik middel 1 (onderdeel 4). Vervolgens bespreek ik het juridische kader voor de overige middelen (onderdeel 5), waarna ik die middelen bespreek (onderdeel 6). Ik merk hierbij op dat aan middel 3 pas wordt toegekomen voor zover de eerste twee middelen niet tot cassatie kunnen leiden en aan middel 4 pas wordt toegekomen voor zover ook middel 3 niet tot cassatie kan leiden.
4. Is een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie een aanspraak ingevolge een pensioenregeling?
Aanspraak ingevolge een pensioenregeling
4.1
Aanspraken op uitkeringen of verstrekkingen worden reeds op grond van het ruime loonbegrip uit artikel 10, lid 1, Wet LB tot het loon gerekend. Om eventuele twijfels daarover uit te sluiten en dubbele heffing te voorkomen,15.is in artikel 10, lid 2, Wet LB expliciet opgenomen dat tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen. Artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB bepaalt vervolgens dat aanspraken ingevolge een zuivere pensioenregeling16.niet tot het loon als bedoeld in artikel 10 Wet LB worden gerekend. Deze zogenoemde omkeerregel vormt een uitzondering op de hoofdregel van artikel 10 Wet LB en heeft tot gevolg dat niet de aanspraak, maar de daaruit voortvloeiende uitkering of verstrekking wordt belast op het moment dat deze wordt genoten.
4.2
Het begrip ‘aanspraak’ is in 1936 voor het eerst in de wet opgenomen17.naar aanleiding van een tweetal arresten van de Hoge Raad over de vraag of pensioenaanspraken waren vrijgesteld van belastingheffing.18.Volgens de wetgever paste het in het systeem van de wet om niet de pensioenaanspraken, maar de later te genieten pensioenen ten volle als inkomen te belasten.19.Ter afbakening van het begrip pensioenaanspraken werd ook voor het eerst een wettelijke definitie opgenomen van pensioenen,20.nu pensioenaanspraken werden vrijgesteld van belasting.21.De bepalingen betreffende de fiscale behandeling van aanspraken op (pensioen)uitkeringen zijn vervolgens verplaatst naar het Besluit op de loonbelasting 1940 en later de Wet LB, waarbij het begrip ‘aanspraken’ dezelfde betekenis hield.22.
4.3
Een eenduidige definitie van het begrip ‘aanspraak’ bestaat tot op heden echter niet.23.In de jurisprudentie is wel een aantal kenmerken aan de orde geweest van aanspraken. Zo overwoog de Hoge Raad onder meer dat het begrip ‘aanspraak’ ziet op gevallen waarin ten behoeve van de werknemer naast de contante beloning mede een voorziening wordt getroffen waarmee die werknemer of zijn nabestaanden rechten verwerven om op een toekomstig tijdstip al dan niet onder bepaalde voorwaarden in het genot te worden gesteld van één of meer uitkeringen.24.
4.4
Kenmerkend is verder dat in het algemeen de getroffen voorziening zich ertoe leent dat de werkgever de daaruit voortvloeiende aanspraken dekt door daarvoor in eigen beheer een fonds op te bouwen of stortingen te doen bij derden.25.Dit staat ook wel bekend als ‘fondsvorming’.
4.5
In HR BNB 1954/32826.is beslist dat voor een aanspraak niet voldoende is dat bij de werknemer de verwachting bestaat dat de uitkering zal worden genoten in de toekomst, hoe stellig en gegrond die verwachting ook mag zijn. Een aanspraak is minst genomen een voorwaardelijk recht.27.
Recht op (na-)indexatie
4.6
Indexatie is de koppeling van pensioenopbouw en/of pensioenuitkeringen aan de jaarlijkse loon- of prijsstijgingen.28.Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen voorindexatie (verhoging van pensioenaanspraken) en na-indexatie (verhoging van reeds ingegane pensioenuitkeringen).29.Daarnaast kan sprake zijn van een voorwaardelijk dan wel een onvoorwaardelijk recht op indexatie. In de literatuur is in dit verband opgemerkt dat indexatie in toenemende mate voorkomt in de vorm van een voorwaardelijk recht dat jaarlijks wordt toegepast, afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds.30.
4.7
Artikel 18d, lid 1, onderdeel a, Wet LB bepaalt dat overschrijding van de fiscale grenzen voor het ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen is toegestaan voor zover dit wordt veroorzaakt door indexatie. In de Wet LB zijn verder geen bepalingen opgenomen over (na-)indexatie.31.
4.8
Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst heeft wel een aantal “Vragen & Antwoorden” op zijn website opgenomen naar aanleiding van in de praktijk opgekomen vragen, onder andere met betrekking tot (na-)indexatie.32.Zo is onder meer medegedeeld dat volgens de kennisgroep een in eerdere jaren achterwege gelaten indexatie op een later moment alsnog kan worden toegekend door een pensioenfonds (inhaalindexatie) binnen de kaders van de fiscale wet- en regelgeving.33.Deze Vragen & Antwoorden betreffen echter niet een door of namens de staatssecretaris van Financiën uitgevaardigd beleid.
4.9
In de Pensioenwet wordt voor indexatie de term ‘toeslag’ gebruikt.34.In de Memorie van Toelichting is onder meer het volgende medegedeeld over een – al dan niet voorwaardelijk – overeengekomen toeslagverlening:35.
Het begrip toeslag wordt gedefinieerd als: een verhoging van het recht op een ingegane pensioenuitkering, een verhoging van het recht op een nog niet ingegane pensioenuitkering van gewezen deelnemers (voorzover niet het gevolg van beleggingsrendement bij premieovereenkomsten of rente of winstdeling bij kapitaalovereenkomsten), of een verhoging van aanspraken van actieve deelnemers met een uitkeringsovereenkomst (met uitzondering van de deelnemer in een eindloonregeling). Elke afspraak in de pensioenovereenkomst over een toeslag, al dan niet voorwaardelijk overeengekomen, valt daarmee onder het begrip pensioen. Immers, in de definitie van de drie vormen van pensioen (ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen) wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van pensioen als er tussen werkgever en werknemer een «geldelijke, vastgestelde uitkering voor werknemer of gewezen werknemer ...» is overeengekomen. Met een al dan niet voorwaardelijk overeengekomen toeslag wordt aan die eis voldaan: voorwaardelijke toeslagverlening leidt op het moment van daadwerkelijke toekenning namelijk tot een «geldelijke, vastgestelde uitkering». Vanaf dat moment
wordt de toeslag ook onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht en krijgt dus een onvoorwaardelijk karakter. Alleen bij vooraf onvoorwaardelijk overeengekomen toeslagen is de toeslag al onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht vanaf het moment van opbouwen.
Beoordeling van het eerste middel
4.10
Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie kwalificeert als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Belanghebbende betoogt dat bij de uitleg van een begrip voor fiscale doeleinden de civielrechtelijke kwalificatie wordt gevolgd, zodat voor de uitleg van het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ moet worden aangesloten bij de definities van de begrippen ‘pensioen’, ‘pensioenregeling’ en ‘pensioenaanspraak’ uit de Pensioenwet en de toelichting daarop (zie onderdeel 4.9).
4.11
In de Pensioenwet wordt een pensioenaanspraak gedefinieerd als het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening.36.Dit brengt volgens belanghebbende mee dat een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie ook fiscaal niet kwalificeert als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.
4.12
Ook in de literatuur is het standpunt ingenomen dat – gelet op de samenhang met de Pensioenwet – een voorwaardelijk recht op indexatie niet kwalificeert als aanspraak in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB, en dat daarmee ook de sanctie van artikel 19b, lid 1, onderdeel c (oud), Wet LB niet kan intreden:37.
Indien onder het begrip pensioenaanspraak ook de voorwaardelijke indexatie dient te worden begrepen dan betekent dat feitelijk een uitbreiding van de onderbrengingsplicht van art. 23 PW. Art. 19a Wet LB 1964 schrijft dan immers voor dat, op straffe van fiscale onzuiverheid, een voorwaardelijke indexatie dient te zijn ondergebracht bij een professionele pensioenuitvoerder. Een dergelijke uitbreiding van het bepaalde in de PW is niet beoogd door de wetgever. Door onder andere in artikel 19b, lid 2, 4 en 5, Wet LB 1964 aansluiting te zoeken bij de tekst van de PW heeft de wetgever juist getracht de Wet LB 1964 zo naadloos mogelijk aan te laten sluiten op de PW. Het kwalificeren van een voorwaardelijke indexatie als een aanspraak als bedoeld in art. 19a en 19b Wet LB 1964 is aldus in strijd met de doelstelling van de wetgever. Dit is onder meer van belang bij het afkopen of afzien van een (verzekerde) voorwaardelijke indexatie. Indien een voorwaardelijke indexatie fiscaal niet wordt aangeduid als een aanspraak is bij afkoop of afzien van een voorwaardelijke indexatie de sanctie van art. 19b Wet LB 1964 niet van toepassing.
4.13
Hoewel in algemene zin geldt dat voor de uitleg van een civielrechtelijk begrip in het fiscale recht in beginsel wordt aangesloten bij het civiele recht,38.bestaan er naar mijn mening twee redenen om dat in het onderhavige geval voor de uitleg van het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ niet zonder meer te doen.
4.14
Allereerst betreft het fiscale begrip ‘aanspraak’ uit artikel 10, lid 2, Wet LB een veel ouder begrip, nu dit voor het eerst in de wet is opgenomen in 1936 (zie onderdeel 4.2). In de totstandkomingsgeschiedenis is daarbij ook ingegaan op de definitie van het begrip ‘pensioenregeling’ om af te kunnen bakenen wanneer sprake is van een pensioenaanspraak die is vrijgesteld (zie eveneens onderdeel 4.2). Het ligt naar mijn mening dan ook voor de hand dat de per 1 januari 1953 ingevoerde Pensioen- en spaarfondsenwet en de per 1 januari 2007 ingevoerde Pensioenwet en de daarin opgenomen begrippen zijn geënt op deze begrippen uit de Wet LB,39.waaronder het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’.40.
4.15
Ten tweede streeft de Pensioenwet een ander doel na dan de Wet LB, als gevolg waarvan het begrip ‘aanspraak’ in beide wetten een andere, eigen context heeft. De Pensioenwet heeft als hoofddoel het wettelijk verankeren van de waarborgen voor financiële, individuele en uitvoeringszekerheid omtrent de pensioenafspraken en pensioenrechten van werknemers.41.Kortom, het doel is om zeker te stellen dat gedane pensioentoezeggingen worden nagekomen.42.De Wet LB daarentegen heeft een ander doel. Het hoofddoel is het heffen van belasting (als voorheffing dan wel eindheffing) over het loon van werknemers.43.Het begrip ‘aanspraak’ heeft in de Wet LB als functie om vast te leggen op welk tijdstip fiscaal gezien sprake is van een belastbaar moment (namelijk het tijdstip waarop de aanspraak ontstaat en niet het tijdstip waarop de uit de aanspraak voortvloeiende uitkering of verstrekking wordt genoten)44., en hoe de aanspraak op dat tijdstip dient te worden gewaardeerd voor deze doeleinden.45.In die context heeft het begrip ‘aanspraak’ dan ook een eigen betekenis.
4.16
Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat er een zeker verwantschap bestaat tussen het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ in de Wet LB en het begrip ‘pensioenaanspraak’ uit de Pensioenwet.46.Tegelijkertijd geldt dat het begrip ‘aanspraak’ in de Wet LB een eigen kader heeft, op basis waarvan een specifieke invulling aan dit begrip wordt gegeven (onderdeel 4.1 e.v.). Gelet hierop, ligt het naar mijn mening voor de hand om bij de uitleg van het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ zoveel mogelijk aan te sluiten bij dit fiscale kader in plaats van aan te sluiten bij de definities uit de Pensioenwet.47.Nu het overeengekomen voorwaardelijk recht op (na-)indexatie op basis van het fiscale kader (zie onderdeel 4.1 tot en met 4.5) kwalificeert als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB, faalt het eerste middel.
5. Het prijsgeven van een aanspraak
5.1
Indien op enig moment niet meer wordt voldaan aan de bepalingen van of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet LB, wordt de pensioenaanspraak onzuiver en leidt dit tot verlies van de fiscale faciliteiten. De belangrijkste sanctiebepaling in dit kader is artikel 19b Wet LB. In dit artikel wordt opgesomd welke handelingen met betrekking tot de pensioenaanspraak ‘verboden’ handelingen zijn en aldus leiden tot het in aanmerking nemen van de aanspraak als loon. Het gaat hierbij onder meer om de afkoop en vervreemding van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.
5.2
Artikel 19b, lid 1, onderdeel c (oud), Wet LB, zoals dat tot 1 april 2017 luidde,48.ziet op het geval waarin een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in eigen beheer geheel of gedeeltelijk wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is.49.Het gaat zowel om het prijsgeven van een reeds ingegaan pensioen als het prijsgeven van een nog niet ingegaan pensioen.50.Deze bepaling vindt zijn oorsprong in artikel 11c, lid 1, onderdeel c (oud), Wet LB.51.Het doel van die bepaling was om oneigenlijke handelingen met betrekking tot pensioenaanspraken die zijn verzekerd bij een eigen pensioenlichaam of een werkmaatschappij tegen te gaan.52.Artikel 19b Wet LB heeft eveneens het karakter van een antimisbruikbepaling.
5.3
Indien sprake is van het prijsgeven van een pensioenaanspraak, wordt de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip in de heffing betrokken als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer of de gewezen werknemer.53.Daarnaast is in die situatie 20% revisierente verschuldigd over de waarde van de onzuiver geworden pensioenaanspraak.54.De verzekeraar wordt aansprakelijk gesteld voor zowel de verschuldigde belasting als de verschuldigde revisierente.55.
5.4
Het begrip ‘prijsgeven’ is niet (nader) gedefinieerd in de Wet LB.56.Kenmerkend voor het prijsgeven van aanspraken is dat de aanspraken zijn komen te vervallen.57.Daarbij is van belang dat bij de uitvoering van pensioenaanspraken in eigen beheer in beginsel altijd een grotere onzekerheid bestaat of het volledige pensioen zal worden uitgekeerd dan bij de uitvoering door een professionele verzekeraar.
5.5
In de literatuur wordt wel betoogd dat onder prijsgeven moet worden verstaan het afzien van het pensioen dan wel een gedeelte van het pensioen, zonder dat daar een prestatie tegenover staat.58.Dit kan ook op een indirecte wijze plaatsvinden.
5.6
Uit HR BNB 2019/67 volgt dat het stilzitten van een belastingplichtige onvoldoende is om aan te nemen dat de betreffende belastingplichtige de pensioenaanspraak heeft prijsgegeven.59.De enkele omstandigheid dat de betreffende DGA geen actie heeft ondernomen toen de B.V. de aan hem verschuldigde pensioenuitkeringen van het ingegane pensioen niet had betaald, bracht volgens de Hoge Raad niet mee dat hij zijn gehele pensioenaanspraak had prijsgegeven.
5.7
Weerepas annoteert bij dit arrest dat het prijsgeven van een aanspraak naar haar mening enigszins vergelijkbaar is met het weigeren van een recht op een inkomst.60.De redactie van FutD merkt op dat nog altijd niet helder is waar de grenzen van prijsgeven precies liggen: enige actie lijkt op basis van het arrest van de Hoge Raad geboden, maar hoeveel actie en wat voor actie is volgens de redactie nog steeds onduidelijk.61.Dit standpunt wordt breder gedeeld in de literatuur.62.
5.8
In de onderhavige zaak speelt de vraag of het overdragen van een pensioenverplichting zonder afzonderlijke waarde toe te kennen aan een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie kwalificeert als het prijsgeven van een aanspraak in de zin van artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB. Uit de pensioenbrief van 29 december 1989 volgt dat met betrekking tot de (na-)indexatie is afgesproken dat ingegane pensioenen door de vennootschap zoveel mogelijk zullen worden aangepast aan de prijsontwikkeling.63.In de literatuur is hierover het volgende opgemerkt:64.
De term 'zo veel mogelijk' in veel indexatiebepalingen (…) geeft ons inziens de flexibiliteit om uiterlijk op de pensioendatum te beslissen of het pensioen wel of niet wordt geïndexeerd. In de praktijk wordt het pensioen na ingang echter veelal niet geïndexeerd, ook niet als daarvoor ruim voldoende dekking aanwezig is. Niet indexeren bij voldoende dekking brengt ons inziens twee fiscale risico's met zich mee. (…)
Een fiscaal risico met veel grotere gevolgen is de mogelijkheid dat de fiscus het standpunt inneemt dat sprake is van afzien van indexatie. In dat geval is de gehele aanspraak belast; inclusief revisierente kan de aanslag dan oplopen tot 72% van de waarde in het economisch verkeer van het fictief geïndexeerde pensioen.
(…)
Naar onze mening zou het begrip 'zo veel mogelijk' kunnen worden ingevuld door te kijken naar de wijze waarop pensioenfondsen hun indexatiebeleid vormgeven. Een centrale rol hierbij speelt de dekkingsgraad. Kortweg is dit de verhouding tussen de waarde van de activa (lees: beleggingen) en de pensioenverplichting.
6. Beoordeling van de overige middelen
Middel 2
6.1
Met het tweede middel snijdt belanghebbende de vraag aan welke vorm van handelen precies vereist is voor het prijsgeven van een aanspraak in de zin van artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB.
6.2
Artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB ziet op situaties waarin een pensioenaanspraak in eigen beheer feitelijk wordt afgekocht of vervreemd. Hoewel het begrip ‘prijsgeven’ niet is gedefinieerd in de Wet LB, kan op basis van de wettekst en de ratio van deze bepaling (onderdeel 5.2) worden betoogd dat dit begrip breed moet worden opgevat. Dit brengt mee dat elke vorm van het afzien van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in eigen beheer – behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is – onder de sanctiebepaling van artikel 19b Wet LB valt.
6.3
Op basis van HR BNB 2019/67 (onderdeel 5.6) zou eveneens kunnen worden betoogd dat in de onderhavige zaak belanghebbende het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie heeft prijsgegeven in de zin van artikel 19b, lid 1, onderdeel c, Wet LB, nu belanghebbende meer heeft gedaan dan enkel stilzitten (te weten, het overdragen van de pensioenverplichting zonder een afzonderlijke waarde toe te kennen aan het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie).
6.4
Aan de andere kant merk ik op dat uit HR BNB 2019/67 slechts volgt dat het enkele stilzitten of passief zijn onvoldoende is, en dat aldus enig handelen vereist is om te kunnen kwalificeren als het prijsgeven van een aanspraak. Hoeveel en welk handelen precies vereist is, is echter niet duidelijk (zie ook onderdeel 5.7).
6.5
In de onderhavige zaak is het volledige samenstel aan rechten en verplichtingen, zoals overeengekomen in de pensioenbrief van 29 december 1989, overgedragen van belanghebbende aan een derde, niet-gelieerde vennootschap. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de vennootschap waaraan de pensioenverplichting is overgedragen, een toegestane pensioenverzekeraar is. Met de overdracht van de pensioenverplichting heeft belanghebbende dus weliswaar niet stilgezeten, maar er zijn ook geen feiten gesteld of gebleken waaruit blijkt dat een aanspraak is prijsgegeven.
6.6
Het Hof lijkt echter uit te gaan van een (zeer) ruime uitleg van het begrip ‘prijsgeven’. Naar het oordeel van het Hof is namelijk met de overdracht van de pensioenverplichting in maart 2012, waarbij geen rekening is gehouden met een (na-)indexatie, vast komen te staan dat de aanspraak op (na-)indexatie is vervallen.65.Gelet daarop, moet volgens het Hof worden geoordeeld dat belanghebbende in maart 2012 het recht op (na-)indexatie heeft prijsgegeven. Belanghebbende betoogt dat dit oordeel van het Hof onbegrijpelijk is, nu de pensioenbrief niet is gewijzigd bij de overdracht zodat zowel voor als na de overdracht van het pensioen een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie bestond.
6.7
De enkele omstandigheid dat bij de overdracht van de verplichting geen afzonderlijke waarde is toegekend aan een onderdeel van die aanspraak - namelijk het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie - maakt naar mijn mening niet dat deze aanspraak is gewijzigd, dan wel dat van (een deel van) deze aanspraak is afgezien. Het voorwaardelijke recht op (na-)indexatie kan immers – ook zonder dat daar afzonderlijke waarde aan is toegekend bij de overdracht van de verplichting – wel degelijk voortbestaan bij de overnemende vennootschap op grond van de pensioenbrief en op een later moment alsnog worden toegepast.
6.8
Van enige wijziging van hetgeen is overeengekomen in de pensioenbrief is ook niet gebleken, zodat de voorwaardelijke aanspraak op (na-)indexatie van de verzekerde/begunstigde is blijven bestaan. Het Hof is hier ten onrechte aan voorbij gegaan door te oordelen dat (i) het recht op (na-)indexatie teniet is gegaan omdat dit recht niet is overgedragen en (ii) het overeengekomene in de pensioenbrief in zoverre dus wel is gewijzigd.66.Het middel slaagt derhalve.
Ten overvloede
6.9
Ten overvloede merk ik op dat bovenstaande mogelijk anders had kunnen zijn indien op voorhand duidelijk zou zijn geweest dat de overnemende vennootschap – gelet op haar financiële situatie – niet in staat zou zijn om de pensioenaanspraak zo veel mogelijk te indexeren (conform wat is overeengekomen in de pensioenbrief). De Inspecteur heeft dit echter niet gesteld en aannemelijk gemaakt.
Middelen 3 en 4
6.10
Nu middel 2 slaagt, behoeven de middelen 3 en 4 geen behandeling (zie ook onderdeel 3.2).
7. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑11‑2021
De inspecteur van de Belastingdienst / kantoor Rotterdam.
Rechtbank Den Haag.
Rechtbank Den Haag 18 juli 2019, nr. SGR 18/7217, ECLI:NL:RBDHA:2019:7989 (niet gepubliceerd).
Gerechtshof Den Haag.
Gerechtshof Den Haag 2 oktober 2020, nr. BK-19/00537, ECLI:NL:GHDHA:2020:2003, NTFR 2020/3414 met noot Swaving Dijkstra, NLF 2020/2437 met noot Luijken.
De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.
[A] was tot en met 31 december 2002 aandeelhouder van Beheer B.V. De aandelen van Beheer B.V. zijn na die datum overgenomen door andere vennootschappen binnen het concern waartoe belanghebbende behoort.
Het gaat om overdracht van de verplichting. Weliswaar is de aanspraak van de begunstigde daarmee verbonden, maar deze wordt niet overgedragen. Rechtbank en Hof schrijven op enkele plaatsen – klaarblijkelijk bij vergissing - ‘pensioenaanspraak’ in plaats van ‘pensioenverplichting’. In de weergave van het feitenrelaas in deze conclusie gebruik ik telkens de naar ik meen juiste term, telkens onder vermelding van de rechtsoverweging van Rechtbank dan wel Hof.
Vgl. r.o. 2.7.1. van de bestreden uitspraak.
Hof Den Haag 1 augustus 2018, nr. BK-17/00903, ECLI:NL:GHDHA:2018:1971, NLF 2018/1845 met noot Luijken. Deze zaak betrof hetzelfde geschil, maar dan voor het jaar 2011.
Vgl. r.o. 18 van de uitspraak van de Rechtbank.
Vgl. r.o. 5.6. van de bestreden uitspraak.
Vgl. r.o. 5.8. van de bestreden uitspraak.
Vgl. r.o. 5.6. van de bestreden uitspraak.
C.W.M. van Ballegooijen, Het fiscale loonbegrip, Deventer: Wolters Kluwer 1989, p. 68 e.v.
Het gaat hierbij om pensioenregelingen die voldoen aan alle bepalingen van of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet LB.
In art. 7 Wet IB 1914 bij de Wet van 10 december 1936, Stb. 1936, 405. Onder het begrip ‘aanspraak op uitkeringen’ werd verstaan: “aanspraken om, na verloop van tijd of onder eene voorwaarde, één of meer uitkeeringen te ontvangen, onverschillig wie de gerechtigde is.”. Dit begrip is ontleend aan het arbeidsovereenkomstenrecht, zie C.W.M. van Ballegooijen, Het fiscale loonbegrip, Deventer: Wolters Kluwer 1989, p. 73.
HR 13 maart 1935, B. 5806 en B. 5807.
Kamerstukken II 1935/36, 146, nr. 5, p. 15. Op grond van deze definitie werd onder pensioenregeling verstaan: “iedere regeling welke uitsluitend ten doel heeft de verzorging van den ouden dag van werknemers of gewezen werknemers en voorziening in het levensonderhoud van hunne weduwen en minderjarige kinderen, een en ander door middel van pensioen.”. Inmiddels is de definitie van het begrip ‘pensioenregeling’ opgenomen in artikel 18, lid 1 en 2, Wet LB. Op basis van deze bepalingen wordt onder een pensioenregeling verstaan een regeling die uitsluitend of, met het oog op uitzonderlijke gevallen van restbegunstiging, nagenoeg uitsluitend ten doel heeft het treffen van verschillende pensioenvormen.
Zie C.W.M. van Ballegooijen, Het fiscale loonbegrip, Deventer: Wolters Kluwer 1989, p. 69-70 en de daarin opgenomen verwijzingen naar de parlementaire geschiedenis. Zie ook A.H.H. Bollen-Vandenboorn, M.E.C. Boumans en E.H.M. Janssen, ‘Drieluik ‘De fiscale behandeling van pensioensparen’ – Deel I: 100 jaar omkeerregel’, MBB 2014/4, p. 147 t/m 154.
C.W.M. van Ballegooijen, Het fiscale loonbegrip, Deventer: Wolters Kluwer 1989, p. 71 en de daarin opgenomen verwijzingen naar de parlementaire geschiedenis. Bij het wetsvoorstel Brede Herwaardering II in 1995 is de definitie van het begrip ‘aanspraak’ aangepast. De bedoeling was om een duidelijke structuur van het regime voor aanspraken in de loonbelasting te creëren, en niet om de definitie inhoudelijk te wijzigen. Zie hierover onder meer B.G.J. Schuurman, Pensioen in de loonsfeer (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 103 en J.J.M. Jansen, ‘Wat is er overgebleven van de Brede Herwaardering II’, WFR 1995/5.
Zie onder meer H.C. Verploegh, L.C.E. Jentink & K. Taouil, Loonheffingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 198 en de daarin opgenomen verwijzingen en M.J.G.A.M. Weerepas, Het fiscale loonbegrip, Den Haag: Sdu Uitgevers 2021, p. 159.
Zie onder meer HR 27 november 1957, nr. 13 296, ECLI:NL:HR:1957:AY1053, BNB 1958/7 en HR 23 maart 1983, nr. 21 518, ECLI:NL:HR:1983:AW8940, BNB 1983/190 met noot Van Brunschot, V-N 1983/848,30 met noot redactie.
Zie onder meer HR 12 juni 1991, nr. 27 223, ECLI:NL:HR:1991:BH8169, BNB 1991/267 met noot Brunt, FED 1992/59 met noot Dutmer, V-N 1991/1925,20 met noot redactie en HR 19 maart 1997, nr. 31 549, ECLI:NL:HR:1997:AA2131, BNB 1997/139, V-N 1997/1559,19 met noot redactie, FED 1997/457 met noot Overduin.
HR 30 september 1953, nr. 11 506, ECLI:NL:HR:1953:AY2959, BNB 1954/328 met noot Doedens.
Zie onder meer HR 27 november 1957, nr. 13 296, ECLI:NL:HR:1957:AY1053, BNB 1958/7, HR 12 maart 1969, nr. 16 081, ECLI:NL:HR:1969:AX5877, BNB 1969/102 met noot Hollander en HR 5 april 1978, nr. 18 549, ECLI:NL:HR:1978:AX3010, BNB 1978/180 met noot Hofstra.
H.C. Verploegh, L.C.E. Jentink & K. Taouil, Loonheffingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 228.
Vakstudie Loonbelasting en premieheffingen, art. 18d Wet LB, aantekening 2.1.
Vergelijk B.G.J. Schuurman, Pensioen in de loonsfeer (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 70.
Zie ook C.A.H. Luijken, ‘Fiscaal kader voor indexatie van pensioenen’, NTFR-B 2015/28.
Zie ook onderdeel 4.13 van mijn conclusie bij HR 8 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2018:1215.
Zie V&A 16-001 Inhaalindexatie.
Zie onder meer artikel 1, 13 en 95 van deze wet. In de praktijk worden de begrippen “toeslag” en “indexatie” vaak als synoniemen gebruikt, zie Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 175.
Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 17. Een vergelijkbare toelichting is opgenomen bij de definitie van het begrip “pensioenaanspraak” op p. 170-171.
Zie artikel 1 Pensioenwet. Zie ook Asser/Lutjens 7-XI 2019/119 en Asser/Lutjens 7-XI 2019/23.
C.A.H. Luijken, ‘Fiscaal kader voor indexatie van pensioenen’, NTFR-B 2015/28.
Zie onder meer R.E.C.M. Niessen, Rechtsvinding in belastingzaken: legitimatie en motivering, Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 36, J.H.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid: Een onderzoek naar de betekenis van drie spanningsvelden bij het bepalen van de fiscale werkelijkheid, Deventer: Wolters Kluwer 2010, p. 137 en C. Bruijsten, Waarschijnlijkheid van fiscale rechtsgevolgen: Een onderzoek naar onzekerheid bij het afleiden van fiscale rechtsgevolgen en naar de waarschijnlijkheid van de mogelijke uitkomsten van onzekere fiscale rechtsvindingsvraagstukken, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 149-150.
Vergelijk ook L.G.M. Stevens (red.), Pensioen en andere toekomstvoorzieningen, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. III.H.2.1 en B.G.J. Schuurman, Pensioen in de loonsfeer (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 45.
Op andere punten sluit de Pensioenwet ook aan bij de Wet LB; zie bijvoorbeeld artikel 63 Pensioenwet, waarin voor de variaties in de hoogte van de pensioenuitkeringen is aangesloten bij de fiscale normen voor de hoogte van een pensioen. Zie ook Vakstudie Loonbelasting en premieheffingen, art. 18d Wet LB, aantekening 3.6.
A.H.H. Bollen-Vandenboorn (red.) e.a., Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen, Den Haag: Sdu Uitgevers 2021, p. 141.
Hoewel de Wet LB ook is gebruikt om andere doeleinden na te streven, zoals het genereren van inkomsten in crisistijd of het beïnvloeden van bepaald gedrag. Zie onder meer H.C. Verploegh, L.C.E. Jentink & K. Taouil, Loonheffingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 14.
J.E.A.M. van Dijck en I.J.F.A. van Vijfeijken, Het fiscale loonbegrip na 2000, Deventer: Wolters Kluwer 2007, p. 70.
Artikel 13a Wet LB.
Hoewel er ook de nodige verschillen bestaan (zoals hiervoor uiteengezet).
Vergelijk A.H.H. Bollen-Vandenboorn (red.) e.a., Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen, Den Haag: Sdu Uitgevers 2021, p. 76 en L.G.M. Stevens, Pensioen in de loonsfeer, Deventer: Wolters Kluwer 2005, p. 29.
Deze bepaling is met de inwerkingtreding van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige pensioenmaatregelen per 1 april 2017 vervallen.
Kamerstukken II 1994/95, 23 046, nr. 14, p. 6-7. Het moet gaan om bijzondere situaties waarin sprake is van dwingende maatschappelijke redenen om af te zien van de aanspraken, waarbij doorgaans de financiële middelen van het lichaam waar de aanspraken zijn ondergebracht niet toereikend zijn. Dit kan onder meer het geval zijn bij faillissement, surseance van betaling en schuldsanering.
Vakstudie Loonbelasting en premieheffingen, art. 19b Wet LB, aantekening 2.5.6.
Zie onder meer Kamerstukken II 1997/98, 26 020, nr. 3, p. 33 en Kamerstukken II 1998/99, 26 020, nr. 6, p. 38.
Zie onder meer Kamerstukken II 1994/95, 23 046, nr. 14, p. 6-7.
Artikel 44b Invorderingswet 1990.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel van artikel 11c Wet LB kwam het begrip ‘prijsgeven’ niet voor; zie Kamerstukken II 1992/93, 23 046, nr. 2. Dit begrip is pas later onderdeel geworden van het wetsvoorstel. De toelichting op dit begrip is eveneens erg summier.
Zie mijn conclusie bij HR 8 februari 2019, nr. 17/03827, ECLI:NL:PHR:2018:1214, NTFR 2018/2733 met noot Bitter, NLF 2018/2557 met noot Kappelle.
Vakstudie Loonbelasting en premieheffingen, art. 19b Wet LB, aantekening 2.5.1.
HR 8 februari 2019, nr. 17/03827, ECLI:NL:HR:2019:189, BNB 2019/67 met noot Meussen, FED 2019/60 met noot Weerepas, NTFR 2019/351 met noot Westerman, V-N 2019/9.10 met noot redactie, FutD 2019-0353 met noot redactie, NTFRB 2019/17 met noot Luijken, NLF 2019/0404 met noot Kappelle.
FutD 2019-0353.
Zie onder meer F.H. Lugt, ‘Niet-uitbetaald pensioen toch belast’, Pensioenbrief 2019/27.
Zie onderdeel 2.2 van de bestreden uitspraak.
J.A.L. Borremans en C. Beishuizen, ‘Indexatie van het dga-pensioen: lust of last?’, Pensioen Magazine 2009/166.
Vgl. r.o. 5.6. van de bestreden uitspraak.
R.o. 5.8. van de bestreden uitspraak.
Beroepschrift 31‑03‑2021
VAN | mr. J.H. Asbreuk — advocaat-belastingkundige |
REFERENTIE | […] |
DATUM | 31 maart 2021 |
UW KENMERK | 20/03684 |
BETREFT | Aanvulling van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2020, zaaknummer BK-SRG 19/00537, Betreffende [X] B.V.; |
Edelhoogachtbaar college,
Namens [X] B.V., loonheffingennummer [0001], (hierna belanghebbende), is op 9 november 2020 beroep in cassatie ingesteld tegen de in de aanhef genoemde uitspraak van Gerechtshof Den Haag. Hierbij zend ik u namens belanghebbende de cassatiemiddelen, toelichting en conclusie toe.
Namens belanghebbende worden vier middelen van cassatie voorgesteld. Alvorens deze worden toegelicht, worden de relevante feiten en de geschilpunten kort uiteengezet in de inleiding.
Inleiding
Middels pensioenbrief van 29 december 1989 heeft belanghebbende pensioen toegezegd aan [A]. In deze pensioenbrief is met betrekking tot indexatie opgenomen: ‘ingegane pensioenen en, in geval van ontslag voor de pensioendatum, rechten op nog niet ingegaan pensioen zullen door de vennootschap zoveel mogelijk worden aangepast aan de prijsontwikkeling’. [A] heeft tot en met uitdiensttreding in 2000 pensioen opgebouwd conform de pensioenbrief. Het pensioen is sindsdien niet geïndexeerd.
[A] heeft kort voor het bereiken van de voor hem geldende pensioendatum, zijnde 1 april 2011, belanghebbende verzocht om het aan hem toegezegde pensioen inclusief bijbehorend kapitaal, over te dragen aan [C] B.V. Van 1 april 2011 tot 31 oktober 2011 heeft Eiseres maandelijks pensioenuitkeringen gedaan aan [A]. Bij overeenkomst met dagtekening 12 maart 2012 is de waarde van het pensioen, vastgesteld op EUR 396.740 per 31 oktober 2011. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele indexatie in de periode van uitdiensttreding tot en met overdracht, of eventuele indexatie na overdracht. Het pensioen en het bijbehorend kapitaal zijn enkele dagen na dagtekening van deze overeenkomst overgedragen.
In geschil is of er in het jaar 2012 sprake is van het prijsgeven van pensioenaanspraken zoals bedoeld in artikel 19b Wet LB 1964, omdat bij de overdracht van het pensioen geen rekening is gehouden met voorwaardelijke indexatie. Het Hof heeft, in navolging van het standpunt van de Belastingdienst, geoordeeld dat sprake is van prijsgeven van pensioenaanspraken. Belanghebbende is van mening dat hiervan geen sprake is.
Cassatiemiddel 1
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 11 lid 1 onderdeel c en artikel 19b Wet LB 1964 en/ of verzuim van vormen, in het bijzonder het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste, doordat het Hof in onderdeel 5.4.2 van de uitspraak heeft geoordeeld dat het onderhavige voorwaardelijke recht op (na-)indexatie een pensioen is als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, Wet LB en het Hof evenals de Rechtbank in onderdeel 5.4.3 heeft geoordeeld dat een voorwaardelijk recht op (na-)indexatie een aanspraak op pensioen is in de zin van artikel 11 lid 1 lid, onderdeel c, van de Wet LB, zulks ten onrechte en/of op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen om een of meer van de volgende redenen.
Toelichting
1.
Het Hof oordeelt in onderdeel 5.4.2 dat het voorwaardelijke recht op (na-) indexatie van een pensioen dat gebaseerd is op een overeenkomst tussen de pensioengerechtigde en de pensioenuitvoerder, zoals in dit geval is vastgesteld in de pensioenbrief van 29 december 1989, een pensioen is als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, Wet LB. Naar de mening van belanghebbende is dit oordeel, dat overigens niet (naar de eisen der wet) is gemotiveerd, onjuist.
2.
Vervolgens gaat het Hof in op de vraag of een ‘voorwaardelijk recht op pensioen’ kan worden aangemerkt als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, Wet LB. Daarbij merkt het Hof in overweging 5.4.3 op, dat er voor een aanspraak ingevolge een pensioenregeling, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 30 september 1953, ECLI:NL:HR:1953: AY2959, BNB 1954/328), niet voldoende is dat de verwachting bestaat voor de werknemer, dat in de toekomst uitkeringen worden gedaan ingeval voorwaarden worden vervuld, maar dat nodig is dat op de uitkeringen enig recht is ontstaan, hoezeer zulk een recht van de vervulling van bepaalde voorwaarden afhankelijk kan zijn gesteld. Vervolgens volgt het Hof het oordeel van de Rechtbank dat het voorwaardelijk recht op indexatie een aanspraak op pensioen is, in de zin van art.11 lid 1T onderdeel c, Wet LB. Het Hof overweegt dat de omstandigheid dat de Pensioenwet c.q. de Pensioen- en spaarfondsenwet (tot 2007), niet voorschrijft dat bij de toekenning van voorwaardelijke pensioenrechten het recht op een bepaalde wijze door de pensioenuitvoerder moet zijn gedekt, niet betekent dat de werknemer als hem eenmaal een voorwaardelijk recht op ouderdomspensioen is toegekend, daarop juridisch (civielrechtelijk) wanneer de voorwaarde is vervuld geen recht kan doen gelden.
3.
Dit oordeel van het Hof gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en gaat ten onrechte geheel voorbij aan de stellingen die belanghebbende heeft ingebracht voor zowel de Rechtbank als het Hof. Belanghebbende heeft aangegeven dat het ‘voorwaardelijke recht op indexatie’ van het pensioen alleen een aanspraak ingevolge een pensioenregeling in de zin van artikel 11, onderdeel c Wet LB kan zijn, indien er sprake is van ‘een aanspraak’ en (een) ‘pensioen(regeling)’. Naar de mening van belanghebbende is bij voorwaardelijke indexatie geen sprake van pensioen (regeling) zoals bedoeld in de Wet LB 1964 en geen sprake van een aanspraak (op pensioen); zie onder meer onderdeel 5.1.4 e.v. van de aanvulling van het (hoger) beroepschrift voor het Gerechtshof. Daarmee is ook geen ‘recht op uitkeringen’ (aanspraak op een uitkering) ontstaan als bedoeld in BNB 1954/328.
4.
De Wet LB 1964 kent geen eigen wettelijk kader voor het begrip voorwaardelijke indexatie en ook is niet in de Loonbelastingwet vastgelegd of een voorwaardelijk recht op indexatie een aanspraak ingevolge een pensioenregeling is. De fiscale kwalificatie van een begrip volgt de civielrechtelijke kwalificatie zodat gekeken moet worden naar de civielrechtelijke kwalificatie van begrippen in de Pensioenwet.
5.
In artikel 1 van de Pensioenwet zijn niet alleen de begrippen pensioen (ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of nabestaandenpensioen, zoals tussen werkgever en werknemer overeengekomen) en pensioenregeling (een pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst) gedefinieerd, maar ook de termen aanspraakgerechtigde, pensioenaanspraak en pensioenrecht. Verder wordt in de Pensioenwet de term toeslagverlening gebruikt om ‘indexatie’ aan te duiden; ‘een verhoging van een pensioenrecht of een pensioenaanspraak…In artikel 1 van de Pensioenwet is de volgende definitie van aanspraakgerechtigde opgenomen: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen’, en de definitie van pensioenaanspraak; ‘recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening.’ In hetzelfde artikel is de volgende definitie van pensioenrecht opgenomen: 1 het recht op een ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening’. Duidelijk is dat bij een pensioenaanspraak en pensioenrecht, de ‘voorwaardelijk toeslagverlening’ oftewel ‘voorwaardelijke indexatie’ is uitgezonderd en derhalve niet kwalificeert als een ‘aanspraak op pensioen’ en daarmee ook niet als een ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ als bedoeld in artikel 19b Wet LB.
6.
In de Memorie van Toelichting van de Pensioenwet ( Kamerstukken II 2005–2006, 30 413, MvT, p. 17) wordt het bovenstaande bevestigd. Er is aangegeven dat zolang sprake is van een voorwaardelijk recht op indexatie, er geen sprake is van ‘pensioen’: ‘Elke afspraak in de pensioenovereenkomst over een toeslag, al dan niet voorwaardelijk overeengekomen, valt daarmee onder het begrip pensioen. Immers, in de definitie van pensioen (ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen) wordt ervan uitgegaan dat er sprake is van pensioen als er tussen werkgever en werknemer een «geldelijke, vastgestelde uitkering voor werknemer of gewezen werknemer …» is overeengekomen. Met een al dan niet voorwaardelijk overeengekomen toeslag wordt aan die eis voldaan: voorwaardelijke toeslagverlening leidt op het moment van daadwerkelijke toekenning namelijk tot een «geldelijke, vastgestelde uitkering». Vanaf dat moment wordt de toeslag ook onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht en krijgt dus een onvoorwaardelijk karakter. Alleen bij vooraf onvoorwaardelijk overeengekomen toeslagen is de toeslag al onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht vanaf het moment van opbouwen’. In de MvT wordt op bladzijde 171 aangegeven: ‘Het begrip pensioenaanspraak ziet ook op de aanspraak op onvoorwaardelijke toeslagen, maar niet op voorwaardelijk overeengekomen toeslagverlening.’.
7.
Uit voornoemde definities en toelichting in de wetsgeschiedenis blijkt dat een voorwaardelijk recht op indexatie (voorwaardelijke toeslag) geen pensioen in de zin van de Pensioenwet is, tot de ‘daadwerkelijke toekenning’. In onderhavig geschil is het (voorwaardelijke) recht op indexatie nimmer toegekend zodat dus ook geen aanspraak (op uitkering) bestaat of is ontstaan.
8.
Het Hof overweegt in onderdeel 5.4.4 dat de wijze waarop indexatie moet worden gefinancierd, niet relevant is voor de vraag of voorwaardelijke indexatie als pensioen in de zin van de Pensioenwet moet worden aangemerkt. Gezien het vorengaande is deze overweging onjuist. De voorwaardelijke indexatie is geen pensioen en dit heeft gevolgen voor onder meer het onderbrengen van pensioen bij een pensioenuitvoerder en de ‘financiering’ daarvan. Op bladzijde 174 van de MvT wordt hierover opgemerkt: ‘Op grond van dit wetsvoorstel moet een werkgever een overeengekomen pensioen onderbrengen bij een pensioenuitvoerder: daardoor ontstaan er pensioenaanspraken en -rechten jegens de pensioenuitvoerder. De verplichtingen die hier voor de pensioenuitvoerder uit volgen, worden pensioenverplichtingen genoemd. De term pensioenverplichtingen wordt in relatie tot het financieel toetsingskader (hoofdstuk 6) van dit wetsvoorstel gehanteerd. Gezien de definities van pensioenaanspraak en pensioenrecht vallen voorwaardelijke toeslagen niet onder het begrip pensioenverplichtingen. Op bladzijde 175 wordt daaraan toegevoegd: ‘Overeengekomen onvoorwaardelijke toeslagverlening is onderdeel van het pensioenrecht en/of de pensioenaanspraak, en moet dus voorzien worden van een technische voorziening (zie artikel 114). Voor overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening gelden weliswaar ook eisen ten aanzien van de wijze van financiering, echter hierbij geldt niet de plicht dat een technische voorziening wordt getroffen (zie artikel 125). Reeds toegekende toeslagen (mits structureel) zijn onderdeel geworden van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht en moeten dus ook volledig gefinancierd zijn conform artikel 114.’
9.
Ten aanzien van een voorwaardelijke toeslagregeling geldt er geen plicht om een voorziening te treffen. Het vorengaande brengt mee dat de voorwaardelijke toeslagregeling (voorwaardelijk recht op na-indexatie) dus ook niet afgekocht kan worden omdat het geen aanspraak of recht betreft. Bij (collectieve) waardeoverdracht blijft het indexatieperspectief (daarom) ook buiten beschouwing. Het betreft geen over te dragen verplichting.
10.
Voor de uitleg van de het begrip ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ in artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet LB dienen de definities van de Pensioenwet gevolgd te worden. Op grond van de bovenstaande overwegingen dient naar de mening van belanghebbende te worden geconcludeerd dat een voorwaardelijke indexatie geen pensioen in de zin van de Wet LB is. In die situatie kan geen sprake zijn van een ‘aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ als bedoeld in artikel 11, lid 1 onderdeel c, Wet LB en artikel 19b Wet LB. Het Hof is met zijn oordeel uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Cassatiemiddel 2
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 19b Wet LB 1964 en/of verzuim van vormen, in het bijzonder het in artikel 8:77 Awb opgenomen motiveringsvereiste, doordat het Hof heeft geoordeeld dat met de overdracht van de pensioenaanspraak in maart 2012 is komen vast te staan dat de aanspraak is vervallen en dat belanghebbende in maart 2012 het recht op (na-) indexatie heeft prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB. , zulks ten onrechte en/of op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen om een of meer van de volgende redenen.
11.
Belanghebbende verwijst ten eerste naar de toelichting onder cassatiemiddel 1. Er is geen sprake van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling en daarmee kan geen sprake zijn van het prijsgeven van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling.
12.
Daaraan kan het volgende worden toegevoegd. Bij overeenkomst met dagtekening 12 maart 2012 is de waarde van het pensioen vastgesteld op EUR 396.740 per 31 oktober 2011. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele indexatie in de periode van uitdiensttreding tot en met overdracht, of eventuele indexatie na overdracht. Het pensioen en het bijbehorend kapitaal zijn enkele dagen na dagtekening van deze overeenkomst overgedragen aan [C] B.V. De pensioenbrief uit 1989 is niet gewijzigd bij de overdracht van het pensioen. Zoals belanghebbende heeft aangegeven in de procedure voor het Hof heeft [A] zowel voor als na de overdracht van het pensioen, een voorwaardelijk recht op indexatie op grond van de pensioenbrief. Onbegrijpelijk is dan ook de overweging van het Hof in onderdeel 5.8 van de uitspraak dat ‘het recht op (na)-indexatie teniet is gedaan omdat dit niet is overgedragen. In zoverre is het overeengekomene in de pensioenbrief dus wel gewijzigd.’ Het Hof heeft ook niet gemotiveerd waarop deze constatering is gebaseerd.
13.
Mogelijk dat het oordeel van het Hof verband houdt met de omstandigheid dat bij de overdracht van het pensioen voor wat betreft de waarde van het pensioen geen rekening is gehouden met eventuele indexatie voor en na overdracht. Dit doet er echter niet aan af dat het pensioen als zodanig inclusief de rechten en verplichtingen blijkend uit de pensioenbrief is overgedragen. Zelfs indien aangenomen moet worden dat het bij het pensioen behorende kapitaal dat belanghebbende heeft overgedragen, onvoldoende was om het pensioen te kunnen indexeren, wordt dit niet anders. Maar overigens meent belanghebbende dat geen sprake is het overdragen van onvoldoende kapitaal. Er was ten tijde van de overdracht immers geen reden om aan te nemen dat het bij het pensioen behorende kapitaal, dat gelijk was aan de waarde van het pensioen zonder eventuele voorwaardelijke indexatie, niet kon renderen met een percentage dat ongeveer gelijk is aan de inflatie. Er kan naar de mening van belanghebbende dus niet worden gesteld dat een eventuele indexatie van het pensioen in de jaren na de overdracht van het pensioen niet mogelijk was, omdat hiervoor bij voorbaat te weinig financiële middelen waren.
14.
Uit openbare informatie van DNB blijkt dat de afgelopen jaren honderden pensioenfondsen zijn overgegaan tot liquidatie met een bijbehorende overdracht van de door hun beheerde collectieve pensioenregeling en het bijbehorende kapitaal. Voor zover belanghebbende bekend, is bij dergelijke overdrachten, voor wat betreft de vaststelling van de overdrachtswaarde van het pensioen, over het algemeen ook geen rekening gehouden met voorwaardelijke indexatie.
Cassatiemiddel 3
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 19b Wet LB 1964 en/of verzuim van vormen, in het bijzonder het in artikel 8:77 Awb opgenomen motiveringsvereiste, doordat het Hof in onderdeel 5.7 van de uitspraak het standpunt van belanghebbende dat op het moment dat [A] uit dienst trad in 2000 na-indexatie van het ouderdomspensioen had moeten plaatsvinden en nu dat niet is gebeurd dit in 2001 heeft geleid tot het prijsgeven van het voorwaardelijke recht op na-indexatie, heeft verworpen, zulks ten onrechte en/of op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen om een of meer van de volgende redenen.
15.
Dit cassatiemiddel behoeft behandeling ingeval uw Raad oordeelt dat de cassatiemiddelen 1 en 2 er niet toe leiden dat de naheffingsaanslag over 2012 dient te worden vernietigd. In de pensioenbrief is een voorwaardelijke indexatie van het pensioen vanaf datum uitdiensttreding opgenomen en [A] is in het jaar 2000 uit dienst getreden. In de jaren 2001 e.v. heeft geen indexering plaatsgevonden. Belanghebbende heeft voor het Hof aangegeven dat als aangenomen moet worden dat sprake zou zijn een 'aanspraak ingevolge een pensioenregeling’ die is prijsgeven, dit prijsgeven is gebeurd door het niet indexeren van het pensioen in de jaren vanaf 2001 en niet eerst in 2012.
Cassatiemiddel 4
Schending van het recht, in het bijzonder artikel 11 lid 1 onderdeel c en artikel 19b Wet LB 1964 en/of verzuim van vormen, in het bijzonder het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste, doordat het Hof in onderdeel 5.6 van de uitspraak oordeelt dat de aanspraak op (na-) indexatie is vervallen, de belanghebbende in maart 2012 het recht op (na-) indexatie heeft prijs gegeven als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB en de uitspraak van de Rechtbank heeft bevestigd waardoor niet alleen de ‘aanspraak op indexatie’, maar ook de gehele aanspraak (/alle aansparken) op pensioen in de belastingheffing is betrokken, zulks ten onrechte en/of op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen om een of meer van de volgende redenen.
16.
Dit cassatiemiddel behoeft behandeling ingeval uw Raad oordeelt dat de cassatiemiddelen 1, 2 en 3 er niet toe leiden dat de naheffingsaanslag over 2012 dient te worden vernietigd. Uit de overweging 5.6 is af te leiden dat het Hof de aanspraak op (na-) indexatie apart behandelt van de aanspraak op pensioen. Het Hof oordeelt immers dat belanghebbende het ‘recht op (na-) indexatie’ heeft prijsgegeven als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB. Daaraan moet dan wel het gevolg worden verbonden dat alleen de aanspraak op (na-) indexatie als loon uit vroegere dienstbetrekking wordt aangemerkt; artikel 19b eerste lid, onderdeel c Wet LB bepaalde immers: ‘ingeval op enig tijdstip….een aanspraak ingevolge een pensioenregeling …… wordt prijsgegeven….wordt de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking’. Het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans de door het Hof aangevoerde gronden kunnen niet de beslissing, om de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen, dragen, aangezien daardoor ten onrechte de gehele aanspraak op pensioen (/alle aanspraken) in de belastingheffing is betrokken.
Conclusie
Belanghebbende verzoekt Uw Raad op grond van de bovenstaande middelen, of door Uw Raad ambtshalve aanwezig bevonden gronden, de uitspraak van het Hof te vernietigen met zodanige verdere beslissing als Uw Raad juist acht. Belanghebbende verzoekt Uw Raad voorts de Staat te veroordelen tot vergoeding van belanghebbendes proceskosten.
Met verschuldigde hoogachting,