Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.3.2.2
9.3.2.2 Het product en de periodieke herziening ervan
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495812:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ter vergelijking: de werkgroep alimentatienormen bestaat uit vertegenwoordigers van alle (toen) 19 rechtbanken en 5 hoven. Zij worden ofwel ‘gestuurd’ dan wel geven zelf aan hiervoor belangstelling te hebben: Dijksterhuis 2008, p. 73.
Zie uitgebreider paragraaf 4.7.1 en 4.7.2 en in het bijzonder paragraaf 4.7.2.2.2.
Nader hierover: het verslag van de voorjaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht op 6 juni 2008, waaruit blijkt dat A.J. van der Meer reeds toen pleitte voor meer bescherming van de beoogd beslagene: Van Dam-Lely & Tuil 2009.
Zie omtrent de door mij voorgestane transparantie bij de totstandkoming van rechtersregelingen (waar hier geen sprake van is geweest): paragraaf 4.9.
Het product van de werkgroep Beslagrecht is de herziene Beslagsyllabus juni 2011. Normaliter werden periodieke herzieningen van de Beslagsyllabus geïnitieerd door de redacteur van de Beslagsyllabus en voorgelegd aan het DB van het LOVCK. Aanleiding voor periodieke herzieningen konden zijn gelegen in suggesties van zowel binnen als buiten de Rechtspraak, welke aan de eindredactie van de Beslagsyllabus werden toegezonden, alsmede ontwikkelingen in literatuur en jurisprudentie.
De aanbevelingen in het Research Memorandum waren echter van fundamentele aard, hetgeen het LOVCK ertoe heeft gebracht om een werkgroep Beslagrecht in te stellen, opdat de materie in een breder verband van rechters kon worden besproken. Dit lijkt mij, gezien de status van de Beslagsyllabus (zijnde een niet-artikel 79 Wet RO rechtersregeling), een goede beslissing. Omdat deze status met zich brengt dat geen sprake kan zijn van voorafgaande binding van rechters aan de regeling, ligt het in de rede om de procedure van totstandkoming van de regeling binnen een zo breed mogelijk kader te plaatsen.1 Op deze wijze zijn zo min mogelijk problemen in de sfeer van de rechterlijke onafhankelijkheid en binding aan rechtersregelingen te verwachten.2 De Beslagsyllabus is immers afhankelijk van de werking van horizontale (en deels verticale) precedentwerking en ligt daarmee meer in de sfeer van goede argumenten voor door deskundige vakgenoten aangebrachte wijzigingen, dan dat de vaststelling door het LOVCK op zichzelf een reden voor binding kan zijn.
De Tremanormen als product worden door Dijksterhuis als ‘succesvol’ getypeerd omdat over de jaren heen steeds weer herziene versies worden gerealiseerd. Vanaf 1975 zijn meer dan honderd Tremanormen tot stand gekomen, waarbij de regeling in de loop der jaren complexer en uitgebreider is geworden. De werkgroep heeft een autonome en zelfstandige positie.
De Beslagsyllabus kent een minder lange historie, maar ook hier is sprake van een regeling die vanaf 1991 en in steeds grotere mate van detail een nadere invulling geeft aan de beoordeling van beslagrekesten. De rechters die mede bepalen hoe de Beslagsyllabus eruit ziet, hebben echter geen autonome en zelfstandige positie: het LOVCK heeft het laatste woord over de inhoud van de Beslagsyllabus en bepaalt wie bij de samenstelling ervan betrokken zijn. De Beslagsyllabus is, zo meen ik, in de termen van Dijksterhuis, als succesvol te betitelen vanuit het oogpunt van de realisatie en ontwikkeling ervan.
Minder positief is Dijksterhuis over de capaciteit van de werkgroep alimentatienormen om te komen tot een radicale stelselwijziging: deze zou worden belemmerd doordat oudgedienden binnen de werkgroep niet open staan voor verandering. Er bleek druk van de wetgever nodig te zijn om essentiële wijzigingen tot stand te brengen. Voor de Beslagsyllabus is het moeilijker om te beoordelen wat er de oorzaak van is geweest dat fundamentele wijzigingen, welke wel degelijk werden voorgestaan door de toenmalige eindredacteur van de Beslagsyllabus, het niet hebben gehaald.3 Wel is duidelijk dat eerst na publicatie van de resultaten van het door de Raad voor rechtspraak ondersteund, onafhankelijk onderzoek door ‘buitenstaanders’, door het LOVCK de handschoen is opgenomen en werd besloten tot het initiëren van een fundamentele herziening van de beoordeling van beslagrekesten. De (voorzieningen)rechters die meewerkten aan de Expert-Interviews waren desgevraagd niet in staat om voorbeelden geven van een majeure inhoudelijke verandering in de Beslagsyllabus die in het verleden hebben plaatsgevonden, hetgeen voor zover ik heb kunnen vaststellen ook in overeenstemming met de gang van zaken is. De eindredacteur van de Beslagsyllabus noemde wel een belangrijke verandering, namelijk dat de Beslagsyllabus rond het jaar 2000 in zijn geheel ‘openbaar’ werd. Het voorstel tot deze verandering stuitte op de nodige weerstand binnen het (toen) LOVC. Van der Meer zegt hierover tijdens een Expert-Interview:
‘Het tweede deel van de Beslagsyllabus was een geheim stuk. Het was toen moeilijk om te krijgen, ook voor de rechtbanken. Ik heb het nut van openbaarmaking binnen het LOVC echt moeten bepleiten’.
Belangrijke veranderingen zijn voor de Beslagsyllabus dus niet onmogelijk gebleken; zij komen echter niet gemakkelijk tot stand. Dit laatste is in beginsel niet kwalijk, zo meen ik, omdat het van belang is om bij essentiële wijzigingen niet over één nacht ijs te gaan: door bijzonder gewicht aan de voorgestelde wijzigingen in het Research Memorandum toe te kennen, heeft het LOVCK ervoor gezorgd dat, weliswaar binnen de beperkingen van een LOVCK werkgroep, een weloverwogen besluitvorming kon plaatsvinden.4