De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/5.5:5.5 Conclusie
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/5.5
5.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392108:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De internationale verplichtingen tot het tegengaan van arbeidsuitbuiting zijn in de loop van de geschiedenis uitgebreid. Waar de aandacht in de negentiende eeuw uitging naar zware vormen van harmful exploitation, ligt de focus in de eenentwintigste eeuw op de bestrijding van veel diverser en bredere vormen van uitbuiting en betreft het ook mutually advantageous exploitation. In de negentiende eeuw stond de bestrijding van de Trans-Atlantische ‘zwarte’ slavenhandel centraal. De bestrijding hiervan heeft zich in het internationale recht afzonderlijk ontwikkeld van de strijd tegen de destijds ‘witte’ vrouwenhandel gericht op seksuele uitbuiting. Vanaf de 19e tot begin 20e eeuw werden slavenhandel en slavernij als aparte concepten beschouwd. Halverwege de 20e eeuw komen echter anti-vrouwenhandelverdragen tot stand die naast het bestrijden van de handel eveneens uitbuiting (exploitatie van prostitutie) tegengaan. De verdragen definiëren niet wat handel of uitbuiting inhouden. Het onderscheid tussen de twee concepten vertroebelt daardoor en die vertroebeling blijft voortbestaan, ook in latere verdragen. Wel wordt duidelijk dat de exploitatie van prostitutie niet alleen de meest ernstige slavernijvormen (zware vormen van harmful exploitation) betreft, maar breder van omvang is. De anti-vrouwenhandelverdragen gaan uiteindelijk over in de antimensenhandelverdragen gericht tegen seksuele uitbuiting. Vanaf de 21e eeuw wordt het mensenhandelbegrip nog verder uitgebreid. In 2000 komt het VN Protocol mensenhandel tot stand dat zowel de uitbuiting binnen als buiten de seksindustrie behelst. Ook arbeidsuitbuiting valt dus onder het bereik van dit verdrag. De Europese anti-mensenhandelverdragen die na het protocol tot stand komen, hanteren eenzelfde notie van mensenhandel. Mensenhandel betreft in deze verdragen uit de 21e eeuw – kort gezegd – het werven van een ander door middel van een beïnvloedingsmiddel met het oogmerk van uitbuiting. Het is een breed begrip waarbij het zowel kan gaan om het handelsproces als de uiteindelijke uitbuiting. Zowel handelaren in het voortraject als uitbuiters in het eindtraject vallen onder de bepaling. Uitbuiting omvat ten minste de uitbuiting van een ander in de prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of diensten, slavernij of praktijken die vergelijkbaar zijn met slavernij of dienstbaarheid of de verwijdering van organen. De verdragen bakenen het begrip niet nader af. Het gebrek aan definiëring geeft staten de mogelijkheid tot een ruime interpretatie van mensenhandel en uitbuiting. De brede waaier aan beïnvloedingsmiddelen maakt wel duidelijk dat uitbuiting niet per definitie gepaard gaat met dwang. Het kan eveneens samengaan met misbruik. Ook niet-dwangmiddelen kunnen mensenhandel en uitbuiting constitueren. Uitbuiting betreft dus niet enkel harmful exploitation, maar ook mutually advantageous exploitation.
Waar de internationale anti-mensenhandel verdragen onder meer verplichten tot het criminaliseren van mensenhandel waaronder harmful exploitation en mutually advantageous exploitation, verbieden de mensenrechten in artikel 8 IVBPR en artikel 4 EVRM expliciete vormen van uitbuiting, te weten slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid. Slavernij betreft volgens het Slavernijverdrag uit 1926 ‘de status of conditie van een persoon wiens eigendomsrecht hetzij in vollen omvang, hetzij in beperkte mate wordt uitgeoefend door een ander’. Een rechtens bezit over een ander komt tegenwoordig evenwel nauwelijks voor. De moderne slavernij heeft betrekking op praktische controle over een ander, in plaats van een de jure bezit. Die moderne vormen kunnen niet onder de traditionele definitie worden geschaard, waardoor het verbod thans weinig praktische waarde heeft. Dienstbaarheid betreft volgens het aanvullend slavernijverdrag uit 1956 ‘de verplichting van een individu om te leven en werken op andermans eigendom zonder de mogelijkheid te hebben de situatie te veranderen’. Zowel de slavernij als de dienstbaarheid behelst ‘schadelijke uitbuiting’. Gedwongen arbeid omvat blijkens het ILO verdrag uit 1930 ‘elke arbeid of dienst die van een individu wordt vereist 1) onder dreiging van een straf en 2) waarvoor het individu zich niet uit vrije wil beschikbaar heeft gesteld’. Gedwongen arbeid ziet in eerste instantie op harmful exploitation, de dreiging met een straf en de onvrijwilligheid brengt schade met zich. Maar de ruime interpretatie van de twee vereiste elementen door het EHRM maakt het mogelijk dat onder omstandigheden ook situaties van mutually advantageous exploitation onder de bepaling vallen. Voorts kunnen slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid zowel seksuele uitbuiting als arbeidsuitbuiting betreffen. De definities verschillen niet per vorm van uitbuiting.
Ook al staat mensenhandel niet expliciet vermeld in artikel 8 IVBPR en 4 EVRM, zowel het mensenrechtencomité als het EHRM schaart het fenomeen onder het bereik van de verdragen. Het mensenrechtencomité legt daarbij niet uit wat het onder mensenhandel verstaat. Het EHRM sluit in zijn definitie aan bij het VN Protocol mensenhandel. Door het fenomeen mensenhandel onder het IVBPR en het EVRM te scharen is de reikwijdte van de artikelen 8 IVBPR en 4 EVRM uitgebreid. Niet alleen geldt een verbod op de daadwerkelijke slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid, ook de rekruteringsfase voorafgaand aan deze praktijken valt onder de bepaling en het verbod op uitbuiting is niet beperkt tot situaties van slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid. De uitbuiting ziet zowel op harmful exploitation als op mutually advantageous exploitation.
Naast de negatieve verplichting om burgers niet te onderwerpen aan de gedragingen onder artikel 8 IVBPR en artikel 4 EVRM, behelzen de bepalingen positieve verplichtingen om de mensenrechten te garanderen. Staten dienen zowel op wettelijk, administratief, politieel als judicieel niveau maatregelen te nemen om uitbuitingspraktijken van burgers door private personen te voorkomen, te bestraffen en slachtoffers te beschermen. Voor dit onderzoek is met name relevant dat staten dienen te voorzien in effectieve strafbaarstellingen van slavernij, dienstbaarheid, gedwongen arbeid én mensenhandel, waaronder harmful exploitation en mutually advantageous exploitation. Tegelijkertijd is de enkele strafbaarstelling van mensenhandel conform het VN Protocol mensenhandel niet noodzakelijkerwijs voldoende om te voldoen aan de verplichtingen op grond van artikel 4 EVRM. Expliciete criminalisering van slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid is vereist indien blijkt dat een overkoepelende strafbepaling van mensenhandel de eerstgenoemde praktijken niet doeltreffend bestrijdt.