Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/1.2:1.2 Tegenover elkaar staande belangen
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/1.2
1.2 Tegenover elkaar staande belangen
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493410:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Over de gevolgen van het beslag: paragraaf 3.4.3.
Van der Kwaak brengt de status van de vordering in verband met de bevoegdheid om beslag te mogen leggen en spreekt in dit verband over een volstrekt onzekere bevoegdheid: Van der Kwaak 1990, p. 157
Zie paragraaf 11.4.2. en 11.4.3.
Het opheffingskortgeding en de gronden om opheffing te vorderen komen aan de orde in hoofdstuk zes.
HR 30 juni 2006, rov. 3.6, LJN AV1559, NJ 2007, 483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baaien c.s.), uitgebreid besproken in paragraaf 6.3.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een kenmerk van conservatoir beslag situaties is dat steeds de belangen van twee partijen tegenover elkaar staan: enerzijds het belang van de verzoeker, met een vermeende vordering, om deze voldaan te krijgen en anderzijds een partij die in beginsel recht heeft om ongehinderd over zijn vermogensbestanddelen te beschikken. Dit laatste wordt verhinderd door een beslag, dat leidt tot een blokkerende werking met betrekking tot de beslagen vermogensbestanddelen.1 In de literatuur en regelgeving wordt in dit verband vaak over schuldeiser en schuldenaar gesproken, hetgeen een onjuiste indruk kan wekken: het gaat bij conservatoir beslag immers om een vermeende schuldeiser en een vermeende schuldenaar: de rechtsverhouding tussen partijen is namelijk nog niet in rechte vastgesteld. Het is van belang om deze onzekere status scherp voor ogen te houden bij de bespreking van diverse vraagstukken die in dit boek aan de orde komen.2 Wanneer een verlof om conservatoir beslag te leggen wordt verleend dan prevaleert het belang van de beslaglegger en heeft deze zich, door het leggen en de gevolgen van het beslag, een sterke positie verworven ten opzichte van de beslagene.3
Een beoogd beslagene wordt meestal niet gehoord op een beslagverzoek en heeft daarmee geen gelegenheid om zijn belangen en argumenten naar voren te brengen bij de rechter die een oordeel moet geven over de verlofverlening. De rechter beschikt daarmee slechts over informatie die door de verzoeker van het beslag wordt verstrekt. Heeft de beoogd beslagene de vordering van de verzoeker niet betwist dan zal deze hiervan melding maken in het verzoek: er moet van worden uitgegaan dat partijen het er dan over eens zijn dat het om een terechte vordering gaat. Wordt beslag gelegd in verband met een onbetwiste of in redelijkheid niet te betwisten vordering, die niet werd voldaan, dan zullen weinigen betogen dat het onredelijk is dat met een beslag een inbreuk wordt gemaakt op het recht van de beslagene om ongehinderd over vermogensbestanddelen te kunnen beschikken, zolang er geen uitspraak in de hoofdzaak voorhanden is. Betreft het een niet vaststaande vordering waar de beoogd beslagene zich op redelijke gronden tegen verweert, dan lijkt het al minder redelijk dat deze zou moeten dulden dat hij door een beslag niet over beslagen vermogensbestanddelen kan beschikken.
Indien een beslagene tegen een beslag opkomt in een opheffingskortgeding is dit over het algemeen omdat deze de (vermeende) vordering van de beslaglegger betwist.4 Stel nu dat de bodemrechter uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak en die vordering heeft afgewezen, maar daartegen hoger beroep is ingesteld door de beslaglegger? Is het dan nog redelijk dat de beslagene niet over vermogensbestanddelen kan beschikken? De Hoge Raad heeft over dit dilemma, dat een keuze vergt tussen de belangen van de beslaglegger of die van de beslagene, een uitspraak gedaan in de zaak Bijl/Van Baalen.5 De uitspraak van de Hoge Raad, waar in de doctrine overwegend kritisch op werd gereageerd, leidde tot het voorop stellen van het belang van de beslaglegger. De verhouding tussen (de belangen van) de beslaglegger en beslagene is een belangrijk thema in dit boek.