Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/4.3.1.1
4.3.1.1 Gebondenheid aan de vordering
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS298615:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, Jur. 2007, p. I-8017 (Rampion), m.n. de noot van Mok in NJ 2008, 37, pt. 8-14.
Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet, Pb EG 1987, L 42, p. 48, gewijzigd bij Richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998, Pb EG L 101, p. 17. Inmiddels is deze Richtlijn ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad, Pb EU 2008, L 133, p. 66.
HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, Jur. 2007, p. I-8017 (Rampion), pt. 69.
HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, Jur. 2007, p. 1-8017 (Rampion), pt. 68.
LOVCK-rapport 2010, p. 9, voetnoot 25; Krans 2010, p. 43, waar hij zich afvraagt of een vordering in de praktijk vaak aan ambtshalve toepassing in de weg zal staan. Hierover ook: Poissonnier & Tricoit 2007, p. 11 e.v. en Claret 2008, p. 458 e.v.
147.
De vraag naar de houdbaarheid van het verbod op ultra- of extra petita uitspraken kwam naar voren in het Rampion-arrest. Het echtpaar Rampion had kozijnen gekocht bij een huisbezoek door een vertegenwoordiger van K par K. De koopovereenkomst vermeldde dat de koopsom zou worden voldaan middels een krediet dat werd verstrekt door Franfinance. Op de dag dat de koopovereenkomst werd gesloten, werd door het echtpaar ook een kredietovereenkomst gesloten met Franfinance. Het bedrag waarvoor krediet werd verleend, betrof precies het bedrag dat het echtpaar diende te betalen voor de kozijnen. Op het moment dat de kozijnen werden geleverd, bleek dat de regels en stijlen van de kozijnen waren aangevreten door parasieten. Het echtpaar Rampion wenste daarom niet langer gebonden te zijn aan de koop- en financieringsovereenkomst.1
Het behandelende Tribunal d’Instance merkte ambtshalve bepalingen op uit de Code de la consommation bij toepassing waarvan het echtpaar gebaat zou kunnen zijn. Deze bepalingen waren opgenomen in de Code de la consommation als gevolg van de omzetting van de Richtlijn consumentenkrediet.2 Het was voor het Tribunal d’Instance naar Frans recht niet mogelijk om deze bepalingen ambtshalve aan een nietigverklaring ten grondslag te leggen. Naar aanleiding van een voorgelegde prejudiciële vraag oordeelde het HvJ EU dat de Richtlijn consumentenkrediet aan de consument rechten tegenover de kredietgever toekent die verder gaan dan de normale contractuele rechten die hij jegens de kredietgever of leverancier van de goederen kan inroepen. Om ervoor te zorgen dat de bescherming vanuit de Richtlijn de consument werkelijk ten dele valt, stelt de Richtlijn de nationale rechter in staat om ambtshalve omzettingswetgeving toe te passen.3 De ratio voor het ambtshalve ingrijpen is dus dezelfde als in de Océano-zaak.
148.
Volgens Franfinance hing met deze wens tot ambtshalve toepassing echter een ander aspect samen. Franfinance stelde namelijk dat de verwijzende rechter in feite over wilde gaan tot het opleggen van een sanctie waarin het Franse recht in gevallen zoals het geval van het echtpaar Rampion voorziet, namelijk dat de kredietgever zijn recht op rente verliest. Dat, zo bepleitte Franfinance, mag de rechter niet doen, want dan zou hij het lijdelijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces schenden. Hier sloot de Franse rechter zich bij aan, die nog wees op het verbod op ultra petita uitspraken. De reactie van het HvJ EU kan als enigszins teleurstellend worden omschreven:
“(…) In zijn verwijzingsbeschikking rept de verwijzende rechter met geen woord over een eventuele sanctie bestaande in het verval van het recht van de kredietgever op rente. Ten overstaan van het Hof is evenmin gesteld dat deze bepalingen van de Code de la consommation in deze sanctie voorzien. Dit betekent dat de in de voorgaande punten weergegeven argumenten niet relevant zijn in het kader van de onderhavige analyse, welke analyse niet de vraag omvat of de nationale rechter bevoegd is om ambtshalve een sanctie als door Franfinance genoemd op te leggen.”4
Het probleem zal voornamelijk kunnen spelen in consumentenrechtelijke zaken. Immers, een eisende consument behoeft meestal geen procesvertegenwoordiging in te schakelen en zal sneller wat over het hoofd zien. Dan bestaat bij de aanvang eenzelfde probleem als bestaat bij het opwerpen van consumentenbeschermende bepalingen en dat laatste moet de rechter dus ambtshalve doen van het HvJ EU. Er wordt wel opgemerkt dat dit een gering probleem zou zijn.5 De Rampion-zaak toont echter aan dat de beschermingsgedachte net zozeer de eisende consument betreft. Geheel ondenkbaar is het dus geenszins dat in de toekomst nogmaals de vraag zal opkomen wat heeft te gelden ten aanzien van een consument die door onwetendheid verzuimt om zijn vordering correct toe te spitsen op de hem toekomende rechten. Dient de rechter dan meer of anders toe te wijzen dan gevorderd?
Een sluitend antwoord kan daarop niet worden gegeven. In hoofdstuk zes zullen kaders worden geschetst waarbinnen naar een oplossing kan worden gezocht voor dit probleem. Deze kaders betreffen de fundamentele positie van het verbod op het meer of anders toewijzen dan gevorderd en de mate van activiteit van de procespartij.