Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/6.3
6.3 De geschonden norm
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507341:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073, JB 2014/225 m.nt. S.A.L. van de Sande (Staat/Fabricom)
HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5552, AB 2012/215 m.nt. W. den Ouden & G.A. van der Veen (Fabricom/Staat).
Tegen het oordeel van Rb. ‘s-Gravenhage 14 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009: BH3118, r.o. 4.2 (Fabricom/Staat) dat de Staat onrechtmatig had gehandeld, heeft de Staat kennelijk geen grieven gericht, zodat dit oordeel in verband met de devolutieve werking van het appel verder vaststond tussen partijen. Zie Hof ‘s-Gravenhage 5 oktober 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN9777, r.o. 3.4 (Fabricom/Staat) vóór verwijzing en Hof Amsterdam 2 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1062, r.o. 3.1 (Fabricom/Staat) na verwijzing. Zie ook de conclusie van A-G Keus, onder 2.6, voor HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073, JB 2014/225 m.nt. S.A.L. van de Sande (Staat/Fabricom).
Hof Amsterdam 2 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:1062, r.o. 3.4 (Staat/Fabricom).
Wat betreft de onjuiste telefonische mededelingen bevat het arrest een vergelijkbaar oordeel (r.o. 3.4, slot).
HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073, JB 2014/225 m.nt. S.A.L. van de Sande (Staat/Fabricom).
Anders: A-G Keus in zijn conclusie, onder 2.4, voor HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3073, JB 2014/225 m.nt. S.A.L. van de Sande (Staat/Fabricom).
Lankhorst 1992, p. 100.
Daarnaast werd in cassatie gestreden over het causaal verband, zie paragraaf 7.2.3.3.
Zie over de redactie van de relevante geschonden norm ook Franssen & Van Tilborg 2015, p. 59-60.
Conclusie A-G Keus, onder 2.5, voor HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073, JB 2014/225 m.nt. S.A.L. van de Sande (Staat/Fabricom). Vgl. Barendrecht e.a. 2002, p. 86- 88.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 28 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10395, r.o. 5.2 (Bouwvergunning Baarn), waarin het hof oordeelt dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door een document te verzenden dat sterk op een bouwvergunning lijkt, maar door een onjuiste bekendmaking van het document geen bouwvergunning is, hetgeen een geschil tussen de aanvrager van de bouwvergunning en de Belastingdienst tot gevolg had.
Vgl. HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3253, NJ 2006/325 m.nt. M.R. Mok, AB 2006/225 m.nt. G.A. van der Veen, JB 2006/69 m.nt. R.J.N. Schlössels, r.o. 3.3.4 (Staat/ SFR).
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, r.o. 3.5.1 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Anders: Rb. ‘s-Gravenhage 1 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BV1555, r.o. 4.15 (SCS/Teylingen).
Vgl. HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9331, JB 2002/111 m.nt. E.C.H.J. van der Linden, r.o. 3.4-3.5 (Hulter/Staat).
In de volgende paragrafen wordt de betekenis van het relativiteitsvereiste in het kader van onrechtmatige informatieverstrekking besproken aan de hand van de inleidende beschouwingen uit de vorige paragrafen. Voordat hiertoe wordt overgegaan, wordt een arrest geïntroduceerd dat hierbij houvast kan bieden: het tweede Fabricom-arrest.1 Aan het eerste Fabricom-arrest is aandacht besteed in paragraaf 3.4.3.6,2 waarnaar kortheidshalve wordt verwezen voor een bespreking van de casus. In dit eerste arrest werd de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Hof Amsterdam. Ter beoordeling aan het verwijzingshof stond onder meer (nog) of de geschonden norm strekt tot bescherming van de belangen van Fabricom. Tussen partijen stond namelijk reeds vast dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door op zijn website mede te delen dat het zinloos was om een aanvraag voor een ESF-subsidie in te dienen, en door zowel telefonisch als per e-mail aan OTIB en SBK mede te delen dat het niet meer mogelijk en zelfs niet meer toegestaan was om nog een subsidieaanvraag in te dienen.3 Na verwijzing formuleert het Hof Amsterdam allereerst de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die met voeten is getreden door de Staat,4
‘namelijk de regel ‘dat overheidsorganen zich in hun officiële aankondigingen van onjuiste mededelingen dienen te onthouden’. Deze norm richt zich ter bescherming van allen tot wie de mededelingen zijn gericht.’
Het hof neemt vervolgens aan dat niet alleen formele subsidieaanvragers als OTIB tot deze groep behoren, maar ook Fabricom. Het was Fabricom weliswaar niet toegestaan om zelf subsidie aan te vragen (OTIB diende dit voor haar te doen), maar de subsidie zou wel ten goede komen aan Fabricom. Zij was dus als begunstigde en materiële aanvrager aan te merken. Fabricom kon bovendien zelf kennisnemen van de betreffende mededelingen (die openbaar toegankelijk waren) en had rechtstreeks belang bij de inhoud van die mededelingen, die daarnaast rechtstreeks van invloed konden zijn op door haar te nemen beslissingen. Deze overwegingen van het hof monden uit in het oordeel dat de geschonden norm in de onderhavige situatie ook strekt ter bescherming van de belangen van Fabricom. De Staat diende ook bedacht te zijn op belangen als die van Fabricom, omdat de eigen regels van de Staat meebrachten dat er een onderscheid gold tussen de formele aanvrager en de begunstigde van subsidie. De Staat kon daarom weten dat andere belanghebbenden (de materiële aanvrager/begunstigde) achter de formele aanvrager van subsidies stonden. Door het plaatsen van de gewraakte mededelingen op de website van de Staat diende hij er rekening mee te houden dat ook materiële aanvragers/ begunstigden als Fabricom van die mededelingen kennis zouden nemen, aldus het hof.5
In cassatie richt de Staat zijn pijlen op deze oordelen van het hof, maar tevergeefs. De Hoge Raad sauveert deze oordelen in zijn tweede Fabricom-arrest als volgt:6
‘3.4 Met zijn oordelen (…) over, kort gezegd, de positie van Fabricom, waarbij het hof Fabricom als de ‘materiële aanvrager’ of ‘begunstigde’ heeft aangeduid, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat, hoewel op grond van de toepasselijke regelgeving (de Subsidieregeling ESF-3), Fabricom niet zelf gerechtigd was om een aanvraag tot de desbetreffende subsidie te doen, niettemin primair haar belang betrokken was bij (een beslissing op) die aanvraag. (…) Dat wordt niet anders doordat het begrip ‘materiële aanvrager’ niet voorkomt in art. 1 (Definities) Subsidieregeling ESF-3 en deze bepaling onder ‘begunstigde’ verstaat ‘degene aan wie krachtens deze regeling projectsubsidie is verleend’ (waarmee kennelijk de ‘succesvolle’ aanvrager wordt aangeduid).’
De Hoge Raad houdt het hof-arrest de hand boven het hoofd door dat welwillend uit te leggen. Het oordeel van het hof komt er volgens de Hoge Raad op neer dat primair het belang van Fabricom betrokken was bij een beslissing op een subsidieaanvraag. Het hof is weliswaar de terminologie van de Subsidieregeling ESF-3 uit het oog verloren, maar dat wordt door de vingers gezien. De vervolgvraag is of het primaire belang van Fabricom meebrengt dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Hierover overweegt de Hoge Raad het volgende:
‘3.5 Met zijn hierop voortbouwende oordeel dat de mededelingen van het Agentschap SZW op zijn website mede waren gericht tot Fabricom als de partij wier belangen bij de subsidie primair betrokken waren, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de Staat door het doen van die mededelingen jegens (ook) Fabricom een zorgvuldigheidsnorm heeft kunnen schenden. Dit oordeel vindt voldoende steun in hetgeen het hof vervolgens overweegt, te weten dat de Staat de mededelingen op een openbaar toegankelijke website had geplaatst en dat de Staat in verband met een door hemzelf teweeggebracht onderscheid erop bedacht diende te zijn dat achter de formele aanvrager partijen zoals Fabricom stonden. (…)’
De Staat heeft dus – door mededelingen op een openbaar toegankelijke website te plaatsen – een norm geschonden waarin (ook) het primaire belang van Fabricom bescherming vindt, omdat de Staat bedacht moest zijn op het belang van Fabricom bij die mededelingen. De Staat had nog te berde gebracht dat de mededelingen werden gedaan om het besluit tot instelling van het subsidieplafond bekend te maken, en daarmee ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3:42 en artikel 4:27 Awb, dat volgens de Staat niet strekt tot bescherming van de belangen van Fabricom als niet-aanvrager. A-G Keus was het daarmee eens, en stelde dat niet voorbij kon worden gegaan aan de strekking van de aankondiging waarin de mededelingen waren vervat.7 De Hoge Raad oordeelt anders:
‘3.5 (…) Anders dan de klachten betogen, kan aan dit een en ander niet afdoen dat de desbetreffende mededelingen werden gedaan ter voldoening aan de voorschriften van art. 4:27 en 4:42 Awb, ook niet indien die voorschriften uitsluitend betrekking hebben op de belangen van degenen die de aanvraag mochten indienen (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4-2.8). Dit verhindert immers niet dat met die mededelingen ook een zorgvuldigheidsnorm, in de zin van art. 6:162 BW, jegens anderen kan zijn geschonden.’
Hiermee valt het doek voor het relativiteitsverweer van de Staat. Fabricom is niet de subsidieaanvrager OTIB, maar dat is niet bezwaarlijk. De grondslag van haar vordering was namelijk niet dat de Staat in strijd met artikel 3:42 en artikel 4:27 Awb had gehandeld jegens een aanvraaggerechtigde, maar dat de Staat in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid jegens haar had gehandeld. De Hoge Raad kan in de hiervoor weergegeven overweging dan ook in het midden laten of deze voorschriften uitsluitend de belangen van ‘formele aanvragers’ beschermen.
Tegen de achtergrond van het tweede Fabricom-arrest valt in te zien dat de formulering van de geschonden zorgvuldigheidsnorm van eminent belang is bij de beantwoording van de relativiteitsvraag. Een (te) ruime formulering van die norm berooft het relativiteitsvereiste goeddeels van zijn aansprakelijkheidsbeperkende betekenis, nu daarmee op voorhand de kans wordt vergroot dat de benadeelde en het getroffen belang daardoor worden beschermd.8 Een (te) enge formulering daarentegen beperkt de aansprakelijkheid van de pleger van de betreffende onrechtmatige daad te zeer, tenzij de norm op voorhand zo wordt geformuleerd dat de betreffende benadeelde daaraan in concreto wél bescherming kan ontlenen, maar dan treedt weer normverbrokkeling op (paragraaf 6.2.3).
Voor een goed begrip van het tweede Fabricom-arrest is allereerst vereist dat inzicht bestaat in de uitgangspunten die aan dat arrest ten grondslag liggen. De vordering in de betreffende zaak was erop gebaseerd dat de Staat een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm had geschonden jegens Fabricom door onjuiste mededelingen over de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag om ESF-subsidie op een openbaar toegankelijke website te plaatsen. Het gaat dus om een vorm van informatieverstrekking uit eigen beweging; zonder dat hieraan een verzoek voorafging. In cassatie was niet in frage dát de Staat onrechtmatig had gehandeld door de betreffende mededelingen te doen. In geschil was of de Staat ook onrechtmatig jegens Fabricom – en niet alleen jegens de daadwerkelijke subsidieaanvrager – had gehandeld door die mededelingen te doen.9 Nu de onrechtmatigheid van het verstrekken van de betreffende mededelingen vaststond tussen partijen, biedt het arrest van de Hoge Raad – als het goed is – onbelemmerd zicht op de wijze van relativering van het beschermingsbereik van de geschonden zorgvuldigheidsnorm. Het hof had die norm geëxpliciteerd door te overwegen dat de regel was geschonden dat overheidsorganen zich in hun officiële aankondigingen van onjuiste mededelingen dienen te onthouden. Nog daargelaten wat ‘officiële aankondigingen’ zijn en of een mededeling op een website als zodanig kan worden aangemerkt, moet worden vastgesteld dat deze norm zo abstract is geformuleerd dat zij (te) weinig houvast biedt voor een onderzoek naar het beschermingsbereik daarvan.10 Een andere redactie van de geschonden norm dan waarvoor het hof heeft geopteerd, laat zich bovendien eenvoudig denken. Dit blijkt reeds uit de conclusie van advocaat-generaal Keus voor het tweede Fabricom-arrest:11
‘2.5 (…) De voorstelling van zaken dat de door de Staat geschonden norm ertoe zou strekken ’dat overheidsorganen zich in hun officiële aankondigingen van onjuiste mededelingen dienen te onthouden’, zou overigens ten onrechte kunnen suggereren dat in de onderhavige zaak aan de orde was dat het Agentschap SZW (juiste) informatie over de sluiting van het subsidieloket had moeten verstrekken. (…) De volgens het hof geschonden norm, wat daarvan overigens zij, laat zich naar mijn mening dan ook beter aldus formuleren dat overheidsorganen zich ervan dienen te onthouden te pretenderen dat een besluit in werking is getreden, zonder dat het betrokken besluit op toereikende wijze is bekendgemaakt.’
De formulering die A-G Keus hier voorstelt, slaagt er niet in om zich geheel te ontdoen van de abstractie die de norm van het hof kenmerkt. Waar in de formulering van het hof wél tot uitdrukking komt dat het erom gaat dat het betrokken overheidsorgaan onjuiste mededelingen heeft gedaan, wordt de kern van de norm van de A-G gevormd door de misplaatste pretentie van inwerkingtreding van een besluit. Hiermee verliest de A-G uit het oog dat niet de (interne) pretentie van inwerkingtreding van een besluit onrechtmatig is. Relevant is het doen van (externe) mededelingen daarover, waarvan de burger kennisneemt, en waarop hij mag afgaan.12 De Hoge Raad laat deze etikettenstrijd voor wat zij is, en besteedt geen kenbare aandacht aan de redactie van de geschonden zorgvuldigheidsnorm. Ingebakken wordt de relativiteit ook niet, omdat de geschonden zorgvuldigheidsnorm niet (meer) in geschil was en evenmin wordt aangehaald. De Hoge Raad stelt slechts vast dat het hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat de Staat door het doen van mededelingen (ook) jegens Fabricom een zorgvuldigheidsnorm heeft kunnen schenden. Waarom is dat het geval? Omdat de onjuiste mededelingen, die op een openbaar toegankelijke website waren geplaatst, mede waren gericht tot Fabricom als de partij wiens belangen primair bij de subsidie betrokken waren, en de Staat erop bedacht diende te zijn dat partijen als Fabricom achter de formele aanvrager stonden in verband met een onderscheid dat hij zelf had teweeggebracht.13 Het belang van Fabricom – waarmee de Staat bekend was – was in zodanige mate betrokken bij de betreffende mededelingen – waarvan Fabricom zelf kennis kon nemen – dat de Staat ook onrechtmatig jegens Fabricom heeft kunnen handelen door die mededelingen te doen. Dat is de kern, teruggebracht naar de abstracte termen uit de arresten die in paragraaf 6.2.2 zijn besproken.
Met het voorgaande is nog steeds niet duidelijk waarom het doen van onjuiste mededelingen in strijd kan zijn met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Het antwoord op deze vraag kan wel worden afgeleid uit het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel,14 dat – in tegenstelling tot het tweede Fabricom-arrest – ziet op een geval van informatieverstrekking op verzoek. In het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel werd hiervoor een eenvormige maatstaf geformuleerd (paragraaf 4.7.2), waarvan het slot als volgt luidt:
‘3.5.1 (…) Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.’
Uit deze rechtsoverweging blijkt dat de grondslag van de aansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking niet zozeer is gelegen in het verstrekken van onjuiste inlichtingen an sich, maar veeleer in het gevolg van de informatieverstrekking. Het verwijt aan het adres van de overheid komt immers erop neer dat zij de burger op het verkeerde been heeft gezet. Hiervan kan alleen sprake zijn indien de burger redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven.15 Hiermee is niet de onjuistheid van de informatie reden om aansprakelijkheid aan te nemen, maar het gevolg daarvan: het ontstaan van een ongerechtvaardigd vertrouwen dat met die informatie wordt gewekt. De aansprakelijkheid van de overheid berust dus daarop, dat het betrokken overheidslichaam ten onrechte het vertrouwen heeft gewekt dat de verzoeker juist werd geïnformeerd, en niet op een schending van dat vertrouwen. Hiermee is tevens duidelijk dat niet kan worden gezegd dat de overheid aansprakelijk is omdat zij een rechtsnorm heeft geschonden die erop neerkomt dat zij de burger moet informeren, of een rechtsnorm die inhoudt dat zij de burger juist en volledig moet informeren (zie ook paragraaf 2.2 en paragraaf 4.7.5).16 Mijns inziens omvat het ongeschreven recht geen algemene verplichting voor een bestuursorgaan om uit eigen beweging of desgevraagd juiste en volledige informatie over de inhoud van zijn regelgeving te verschaffen aan de burger op straffe van schadevergoeding indien dit wordt nagelaten, nog daargelaten of een dergelijke verplichting zou strekken tot bescherming van de schade die wordt geleden doordat wordt afgegaan op het uitblijven van die (juiste en volledige) informatieverstrekking,17 en daargelaten de eventuele eigen schuld van de burger aan het ontstaan van de schade in dat verband (hoofdstuk 7). Wel bestaat een – negatief geformuleerde – ongeschreven zorgvuldigheidsverplichting die voorschrijft dat de overheid zich, wanneer zij overgaat tot informatieverstrekking, dient te onthouden van het verstrekken van onjuiste informatie waarop de burger redelijkerwijs mag vertrouwen (vgl. paragraaf 4.7.4). Het element van vertrouwen is essentieel voor het aannemen van een dergelijke verplichting. Het is weliswaar onwenselijk dat de overheid zich niet onthoudt van het verstrekken van onjuiste informatie, maar dat verkrijgt eerst schadevergoedingsrechtelijke relevantie wanneer daarmee een gerechtvaardigd vertrouwen wordt gewekt (waarnaar ook daadwerkelijk wordt gehandeld door de burger, zie paragraaf 7.2.3).