Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.1
7.1 Inleiding
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS382836:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Christian Legal Society v. Martinez, 561 U.S., 130 S.Ct. 2971, 177 L.Ed.2d 838 (2010).
Zie o.a. EHRM 13 augustus 1981, appl. nrs. 7601/76 en 7806/77 (Young, James and Webster t. Verenigd Koninkrijk), § 57.
Zie bijv. EHRM 8 oktober 2009, appl. nr. 37083/03 (Cemiyyeti en Israfilov t. Azerbeidzjan): “52. The right to form an association is an inherent part of the right set forth in Article 11. That citizens should be able to form a legal entity in order to act collectively in a field of mutual interest is one of the most important aspects of the right to freedom of association, without which that right would be deprived of any meaning. The way in which national legislation enshrines this freedom and its practical application by the authorities reveal the state of democracy in the country concerned. Certainly States have a right to satisfy themselves that an association’s aim and activities are in conformity with the rules laid down in legislation, but they must do so in a manner compatible with their obligations under the Convention and subject to review by the Convention institutions (see Sidiropoulos and Others v. Greece, 10 July 1998, § 40, Reports of Judgments and Decisions 1998-IV). 53. While in the context of Article 11 the Court has often referred to the essential role played by political parties in ensuring pluralism and democracy, associations formed for other purposes are also important to the proper functioning of democracy. For pluralism is also built on the genuine recognition of, and respect for, diversity and the dynamics of cultural traditions, ethnic and cultural identities, religious beliefs, artistic, literary and socioeconomic ideas and concepts. The harmonious interaction of persons and groups with varied identities is essential for achieving social cohesion. It is only natural that, where a civil society functions in a healthy manner, the participation of citizens in the democratic process is to a large extent achieved through belonging to associations in which they may integrate with each other and pursue common objectives collectively (see Gorzelik and Others v. Poland [GC], no. 44158/98, § 92, 17 February 2004; The Moscow Branch of the Salvation Army v. Russia, no. 72881/01, § 61, ECHR 2006-…; and Zhechev v. Bulgaria, no. 57045/00, § 35, 21 June 2007).”
Zie Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 8. Het Handvest bepaalt expliciet in art. 16: “De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken.”
EHRM 12 december 2002, appl. nr. 56400/00, JOR 2003, 224 m.nt. Vossestein (Cesnieks t. Letland); “La Cour estime en premier lieu que le fait de détenir une part de capital ou des actions au sein d’une société commerciale ne constitue pas, à lui seul, un acte d’« association» telle que l’entend l’article 11 de la Convention, cette notion désignant un rassemblement de personnes plutôt qu’un rassemblement de biens (voir Chassagnou et autres précité, § 111). Par conséquent, la question de savoir si, et dans quelle mesure, le requérant peut disposer de sa part sociale, relève du droit au respect des biens garanti à l’article 1 du Protocole no 1 (cf. infra), et non du droit à la liberté d’association.”
Voor de vraag in hoeverre de statuten beperkingen mogen bevatten voor aandeelhouders verwijs ik naar § 4.3.4.
Een daaraan verwant probleem is in hoeverre van overheidswege financiële steun mag worden verleend aan een politieke partij die vrouwen het recht op een plek op de kieslijst onthoudt, zoals aan de orde was in HR 9 april 2010, NJ 2010, 388 (Staat & SGP/Clara Wickmann c.s.). Het probleem in die zaak was niet van vennootschapsrechtelijke aard. De vraag was of art. 7 van het Vrouwenverdrag zich verzette tegen een subsidieverlening door de Staat aan de SGP.
Oorspronkelijk werd van overheidswege bij een oprichting alleen gecontroleerd of de statuten van een NV en BV niet in strijd waren met de openbare orde. Later richtte de controle zich met name op de antecedenten van de beleidsbepalers. Inmiddels is per 1 juli 2011 de preventieve toets afgeschaft en vervangen door een model met doorlopend toezicht.
Art. 2: 20 lid 1 luidt als volgt: “1 Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.” Indien gebleken is van werkzaamheid in strijd met de openbare orde, is de rechter derhalve verplicht tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan. De leden 2 en 3 bepalen: “2 Een rechtspersoon waarvan het doel in strijd is met de openbare orde, wordt door rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie ontbonden. Alvorens de ontbinding uit te spreken kan de rechtbank de rechtspersoon in de gelegenheid stellen binnen een door haar te bepalen termijn zijn doel zodanig te wijzigen dat het niet meer in strijd is met de openbare orde. 3 Een rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344), in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 (PbEG L 139) of is vermeld en met een ster aangemerkt in de Bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2001/931 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) is van rechtswege verboden en niet bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.”
Aan het begin van het academische jaar 2004-2005 verzocht de Christian Legal Society aan Hastings College om erkenning als een ‘Registered Student Organisation’ (RSO). De RSO-status geeft onder meer recht op het gebruik van universitaire fondsen en faciliteiten.
Om voor de RSO-status in aanmerking te kunnen komen dient de organisatie te verklaren akkoord te gaan met een nondiscrimination policy. Op basis daarvan moet een vereniging met een RSO-status een ieder als lid toelaten, zonder onderscheid naar ras, religieuze overtuiging en seksuele geaardheid.
De Christian Legal Society (CLS) vraagt haar leden om een Statement of Faith te ondertekenen. Daarin verklaren de leden onder meer dat zij leven volgens het beginsel dat seksuele relaties tussen man en vrouw niet buiten het huwelijk dienen plaats te vinden. Van lidmaatschap worden uitgesloten personen die zich bezig houden met unrepentant homosexual conduct of religieuze overtuigingen aanhangen die verschillen van de Statement of Faith.
Op grond van deze eis weigert de universiteit de CLS te erkennen en de RSO-status te verlenen. De CLS voldoet niet aan de open access-eisen, nu zij in haar toelatingsbeleid onderscheid maakt op basis van religie en seksuele geaardheid.
De CLS meent dat Hastings College, door haar niet te erkennen, inbreuk maakt op haar recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vrijheid van godsdienst. De district court verwerpt deze claim met als reden dat het Hastings College in beginsel vrij stond om bepaalde voorwaarden te verbinden aan het mogen gebruiken van haar fondsen en faciliteiten. De voorwaarden waren redelijk en neutraal, aldus de district court. In hoger beroep werd de uitspraak bevestigd.
De Supreme Court verwierp uiteindelijk – met vijf stemmen tegen vier – het beroep van de CLS.1 De eis die Hastings College stelde voor erkenning als RSO achtte de meerderheid een redelijke eis, die ook niet als discriminatoir kon worden aangemerkt.
Indien een geval als hiervoor geschetst zich in Nederland zou voordoen, zou art. 11 EVRM van belang zijn. Art. 11 EVRM luidt als volgt:
Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
Art. 11 EVRM beschermt twee rechten, de ‘vrijheid van vergadering’ en de ‘vrijheid van vereniging’.2 Deze vrijheden liggen in het verlengde van de vrijheid van godsdienst (art. 9 EVRM) en de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM). Art. 11 EVRM wordt ook wel aangemerkt als een lex specialis ten opzichte van de lex generalis zoals neergelegd in de artikelen 9 en 10 EVRM. Art. 11 EVRM dient dan ook te worden begrepen in het licht daarvan.3 Het EHRM ziet de vrijheid van vereniging als een essentieel onderdeel voor het functioneren van de democratie.4
De ‘vrijheid van vereniging’ kan ook worden aangewend om gezamenlijk met anderen commercieel succes na te streven. Het is mogelijk om in art. 11 EVRM ook een waarborg op de vrijheid van associatie en ondernemerschap te lezen.5 In zekere zin vormen ook de aandeelhouders in een vennootschap een ‘vereniging’. Vooralsnog lijkt het EHRM echter weinig genegen art. 11 in deze zin te verstaan.6 In Cesnieks t. Letland heeft het EHRM overwogen dat een belemmering om een aandeel te kunnen overdragen in een société commerciale, op zich (nog) geen belemmering van de vrijheid van vereniging oplevert als bedoeld in art. 11 EVRM, aangezien dat begrip eerder ziet op een verband van personen dan van goederen. Belemmeringen om aandelen over te dragen en dergelijke, betreffen eigenlijk klachten over een belemmering van het recht op eigendom, aldus het EHRM. Hetgeen het EHRM heeft overwogen in Cesnieks t. Letland sluit niet uit dat het EHRM in een voorkomend geval ook bereid zal zijn een (commerciële) rechtspersoon als een ‘vereniging’ in de zin van art. 11 aan te merken. Duidelijk is evenwel de vingerwijzing dat bij geschillen met een meer zakelijke of commerciële achtergrond in beginsel art. 1 EP het relevante artikel is.7 Wanneer de Ondernemingskamer bijvoorbeeld een onmiddellijke voorziening treft waarbij zij een extra bestuurder benoemt en daarmee de rechten van de algemene vergadering van aandeelhouders doorkruist zal het EHRM naar mij voorkomt daarin geen belemmering van de vrijheid van vereniging zien, maar een belemmering van aan aandelen verbonden zeggenschapsrechten.
Ik keer terug naar het in de inleiding gegeven voorbeeld. Het illustreert dat de vrijheid van vereniging soms een problematisch recht is vanuit het oogpunt dat dit recht het ook mogelijk maakt om andere personen of groepen buiten te sluiten. Dat doet de vraag rijzen in hoeverre statuten mogen ‘discrimineren’.
In CLS t. Martinez lag de vraag voor in hoeverre een publieke instelling (een universiteit) middelen mag weigeren aan een vereniging die onderscheid maakt naar geloof en seksuele geaardheid. Naar Nederlands recht lijdt het weinig twijfel dat enerzijds een studentenvereniging dezelfde eisen mag stellen als de CLS. De vrijheid van vereniging omvat niet alleen het recht om zich te verenigen, maar ook de vrijheid zelf te kiezen met wie zich men wil verenigen. Een vereniging is in beginsel ook vrij bepaalde personen uit te sluiten. Anderzijds is een universiteit vrij dezelfde eisen te stellen als Hastings College heeft gedaan, om voor financiering en andere faciliteiten in aanmerking te komen.8 Kortom, ook een universiteit is tot een bepaalde hoogte weer vrij om bepaalde clubs ‘uit te sluiten’.
Geen vrijheid zonder grenzen. De grens voor de vrijheid van vereniging – de vrijheid van vergadering kan hier onbehandeld blijven – ligt bij een doelstelling of feitelijke gedragingen waarmee de openbare orde wordt overschreden.9 Deze gedachte is neergelegd in art. 2: 20 BW. Art. 2: 20 BW is het artikel waarin art. 11 EVRM en het ondernemingsrecht elkaar raken.
Het eerste lid van art. 2: 20 BW bepaalt dat een rechtspersoon waarvan de werkzaamheden in strijd zijn met de openbare orde door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie wordt verboden en ontbonden.10 Het tweede lid van art. 2: 20 BW bepaalt dat een rechtspersoon waarvan het doel in strijd is met de openbare orde, door rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie wordt ontbonden. Het derde lid bepaalt dat rechtspersonen die op een zogenoemde Europese lijst van terroristische organisaties worden geplaatst van rechtswege zijn verboden en niet bevoegd zijn tot het verrichten van rechtshandelingen. In dit hoofdstuk onderzoek ik de verhouding van deze bepalingen tot art. 11 EVRM, aan de hand van de in art. 2: 20 BW genoemde drie gronden voor ontbinding.