Open normen in het huurrecht
Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.2.4.0:3.2.4.0 Inleiding
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.2.4.0
3.2.4.0 Inleiding
Documentgegevens:
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS493843:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bedoeld wordt het opnemen in de wet van de aanvullende en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in een apart artikellid (in tegenstelling tot de wijze waarop de ‘goede trouw’ voordien gecodificeerd was).
Kamerstukken II 1976/77, 7729, 6-7, p. 8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De redelijkheid en billijkheid vervult drie (materiële) hoofdfuncties binnen het verbintenissenrecht:
bij de uitleg van overeenkomsten;
ter aanvulling in geval van leemtes in de wet of in overeenkomsten;
beperkend (ofwel: derogerend) in de gevallen waarin een beroep op een recht onaanvaardbaar zou zijn.
De wetgever heeft met het codificeren van de verschillende uitwerkingen van de redelijkheid en billijkheid, in ieder geval ten aanzien van de aanvullende en de beperkende werking, bewust duidelijkheid willen creëren:
“Een belangrijke overweging die tot het kiezen van deze nieuwe opzet1 heeft geleid, is dat aanvullende en beperkende werking van het ongeschreven recht in de praktijk geen figuren zijn, die duidelijk van elkaar zijn af te grenzen. De vraag met welke werking men te doen heeft, hangt in de eerste plaats hiervan af, wat men als inhoud van de verbintenis ziet. Gaat het om een overeenkomst, dan speelt derhalve de waardering door de feitelijke rechter van wat partijen over en weer hebben verklaard, c.q. geacht moeten worden voor hun rekening te hebben genomen, een grote rol en is in cassatie alleen toetsing op marginale punten mogelijk; men zie H.R. 29 juni 1962, N.J. 1962, 285. Neemt de rechter aan dat er een leemte is, dan is er plaats voor aanvulling; neemt hij aan dat door partijen in de kwestie voorzien is, dan is er hoogstens plaats voor beperkende werking. Dit is een factor die zich aan de invloed van de wetgever onttrekt.”2
Als achtergrondinformatie voor hoofdstuk 4, waarin verschillende casus worden behandeld, wordt in de volgende drie subparagrafen kort geschetst op welke drie wijzen de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW en artikel 6:248 BW zijn werking heeft in het verbintenissenrecht.
Daaraan voorafgaand, vanwege de relevantie bij het sluiten van huurovereenkomsten, wordt stilgestaan bij de werking van de redelijkheid en billijkheid in de precontractuele fase (de totstandkoming van een overeenkomst).