Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/8.6.3.5:8.6.3.5 Bestaande mogelijkheden
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/8.6.3.5
8.6.3.5 Bestaande mogelijkheden
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582387:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het maatschappelijk debat over de toelaatbaarheid van een resultaatgerelateerde beloning van advocaten is nog altijd niet definitief uitgekristalliseerd. Onder de huidige regelgeving is het voor advocaten wel toegestaan een lager standaard uurtarief te berekenen, dat met een bepaald percentage wordt verhoogd bij een positief resultaat. Voorwaarde is wel dat het lager standaard uurtarief in ieder geval kostendekkend is en bestaat uit een mager salaris. De verhoging bij een positief resultaat kan een percentage van de opbrengst bij een positief resultaat zijn, mits het bedrag niet buitenproportioneel is.1
In deze context is de uitspraak van de voorzieningenrecher in de zaak van de advocaten van de erven Goudstikker tegen hun cliënt opmerkelijk.2 In deze zaak had de honorariumafspraak tussen de laatst overgebleven erfgename van Jacques Goudstikker, Marei von Saher, en haar advocaat een resultaatgerelateerd karakter (no cure no pay en quota pars litis). Doordat erfgename Marei von Saher 202 schilderijen terugkreeg van de Nederlandse Staat, kwam het honorarium op basis van de no cure no pay-afspraak neer op € 12.000.000. De afspraak tussen Von Saher en haar advocaat kwam oorspronkelijk neer op een honorarium van 23 procent van de opbrengst van de juridische dienstverlening. In 2004 is dit percentage verlaagd tot 19,75 procent en uiteindelijk heeft de advocaat het totaalbedrag verlaagd tot € 12.000.000 exclusief de rente.
Von Saher wilde slechts € 1.300.000 betalen, waarop de advocaten die haar in de procedure hebben bijgestaan beslag wilde laten leggen op de kunstcollectie. Von Saher eist in kort geding een verbod op het leggen van beslag op de te verkopen werken.
De voorzieningenrechter acht de gemaakte betalingsafspraak nietig, maar converteert deze afspraak ex artikel 3:42 BW in een alternatieve afspraak. Gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder de afspraak tot stand is gekomen, acht de voorzieningenrechter een honorariumafspraak die uitgaat van een basisuurtarief gecombineerd met een resultaatafhankelijke vermenigvuldigingsfactor een geldige afspraak die in voldoende mate weerspiegelt wat partijen over en weer voor ogen heeft gestaan. Volgens de voorzieningenrechter kan in redelijkheid worden uitgegaan van 5800 uur aan bestede tijd tegen een uurtarief van € 325. Een resultaatafhankelijke vermenigvuldigingsfactor van 4 is volgens de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden, gelet ook op het financiële belang en de complexiteit van de zaak, de zware belasting die de behandeling van de zaak jarenlang op de praktijk van de advocaat heeft gelegd, alsmede de onvoorzienbaarheid van het beoogde resultaat, niet op voorhand onredelijk te noemen. Rekening houdend met de gebruikelijke 30% opslag aan rente en kosten (ten behoeve van de beslagprocedure), zal daarom voorshands worden uitgegaan van een bedrag van € 9.802.000.
De voorzieningenrechter legt het in conventie gevorderde beslagverbod op aan de advocaten onder de bepaling dat Von Saher een genoegzame bankcaire zekerheid heeft gesteld voor een bedrag van € 7.917.000. De zekerheid zal in ieder geval € 9.802.000 moeten bedragen, verminderd met een uitbetaald voorschot. Een bancaire garantie voor dit bedrag wordt onder de gegeven omstandigheden passend geacht, evenals een termijn van twee weken om deze zekerheid te stellen.
De uitspraak van de voorzieningenrechter is opmerkelijk. Via een omweg lijkt op deze wijze een no cure no pay-overeenkomst alsnog te worden toegestaan. Het converteren van de nietige no cure no pay-overeenkomst in een alternatieve overeenkomst leidt, nu de rechter het uurtarief eenvoudig met factor 4 vermenigvuldigt, tot een resultaat dat bijna hetzelfde is als het resultaat waartoe een geldige no cure no pay-overeenkomst zou hebben geleid. Technisch is het echter een andere oplossing, nu het bij de alternatieve overeenkomst (die als gevolg van de conversie van de no cure no pay-overeenkomst is ontstaan) niet direct gaat om een afgesproken percentage van de opbrengst van de juridische dienstverlening.