Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/10.3.3.1:10.3.3.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/10.3.3.1
10.3.3.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607842:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000/01, 27 030, nr. 6, p. 23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 4 lid 6 WBR wordt als een met een aandeelhouder/natuurlijk persoon ‘verbonden lichaam’ beschouwd, een lichaam waarin de belastingplichtige, zijn echtgenoot of bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn een derde gedeelte ‘belang’ heeft. In de parlementaire toelichting is de keuze voor de grens van ‘ten minste een derde gedeelte’ toegelicht. Er is niet gekozen voor het machtscriterium van ten minste 50%, zoals dat geldt in het jaarrekeningenrecht, omdat de grens van ‘ten minste een derde gedeelte’ beter weergeeft dat er een eenduidig belang moet bestaan bij de vervreemding en verkrijging van onroerende zaken in de vorm van aandelenoverdrachten.1 Hierbij is overigens bevestigd dat een vordering onder omstandigheden ook een ‘belang van een derde gedeelte of meer’ kan vormen, indien deze ook voor de vennootschapsbelasting als fiscaal kapitaal kan worden aangemerkt. Voorts is opgemerkt dat rechtspersonen zonder een in aandelen verdeeld kapitaal, zoals stichtingen, en samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid ook onder het begrip ‘verbonden lichaam’ vallen.
Overigens zijn in art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 modernere omschrijvingen gehanteerd. Zo omvat het begrip ‘echtgenoot’ ook de ongehuwde meerderjarige die ingevolge art. 1.2 Wet IB 2001 kan kwalificeren als ‘partner’. Bovendien worden pleegkinderen ook tot het begrip ‘kind’ gerekend. Daarentegen worden voor de toepassing van art. 4 lid 3 WBR alleen belangen van de echtgenoot of geregistreerde partner meegeteld, en niet die van de partner met wie men ongehuwd samenwoont.
Het begrip ‘verbonden lichaam’ in art. 4 lid 7 WBR is eveneens ontleend aan art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Dit is een lichaam:
waarin de verkrijger/rechtspersoon voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;
dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de verkrijger/rechtspersoon;
waarin een derde, zijn echtgenoot of bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde al dan niet samen met zijn echtgenoot of bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de verkrijger/rechtspersoon.
Ten aanzien van het derde element in deze definitie worden dus eveneens belangen van verbonden personen meegeteld.
Op vergelijkbare wijze is het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ in art. 4 lid 8 WBR omschreven als de natuurlijk persoon die, al dan niet samen met zijn echtgenoot of bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de verkrijger of in een met de verkrijger ‘verbonden lichaam’. Ook de echtgenoot van deze ‘verbonden persoon’, en zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn, worden voor het begrip aanmerkelijk belang in art. 4 lid 3 onderdeel b WBR als een ‘verbonden persoon’ aangemerkt.
Deze definitie is vrijwel gelijk aan die van het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 5 Wet VPB 1969, zij het dat de belangen van ongehuwde samenwoners niet worden samengeteld.