Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.10.2.3:10.10.2.3 Na de voorlopige voorziening
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.10.2.3
10.10.2.3 Na de voorlopige voorziening
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS450524:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BGBl. II 2012, nr. 30, p. 1086 (1 oktober 2012).
BGBl. II 2012, nr. 30, p. 1087 (1 oktober 2012).
BVerfG 26 september 2012, 2 BvR 1390/12 (niet gepubliceerd in BVerfGE; naar verwezen in BVerfGE 135, 350).
BVerfG 17 april 2013, 2 BvQ 17/13 (niet gepubliceerd in BVerfGE; naar verwezen in BVerfGE 135, 345; te raadplegen via NVwZ 2013, 858).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar aanleiding van de voorlopige beslissing van het Bundesverfassungsgericht over het ESM stelden de ESM-leden nog in dezelfde maand, bij de inwerkingtreding van het ESM-verdrag, een verklaring op, met daarin precies de kanttekeningen van het Hof.1 De ESM-leden verklaarden dat de afgesproken verdeelsleutel de maximale betalingsverplichtingen weergaf en dat de bepalingen uit het ESM-verdrag over immuniteit van rechtsvervolging en het beroepsgeheim voor personeel van het ESM niet verhinderden dat nationale parlementen geïnformeerd worden over het ESM. De Duitse regering stelde vervolgens tevens een eenzijdige verklaring op, met een vrijwel identieke inhoud.2 Een van de eisers in de ESM-zaak was hiermee niet tevreden en stapte, nog voordat het Bundesverfassungsgericht een oordeel had gegeven in de hoofdzaak, opnieuw naar het Hof. Het Hof overwoog echter dat een nieuwe beslissing niet nodig was om de voorwaarden uit de eerdere uitspraak af te dwingen.3
Daarnaast moest het Hof zich nog voor zijn oordeel in de hoofdzaak uitlaten over de concrete inzet van het ESM. Bij de steun aan Cyprus in 2013 werd het ESMFinG toegepast. Een van de andere klagers die zich in het kader van het ESM tot het Bundesverfassungsgericht had gewend, wilde de steun aan Cyprus tegenhouden en vroeg het Hof om een voorlopige voorziening. Ook dit verzoek schoof het Hof terzijde.4 Volgens het Hof was niet duidelijk waarom in dit geval sprake zou zijn van een schending van artikel 38 GG, zoals de klager aanvoerde, nu de Bondsdag juist een instemmingsrecht had bij het besluit tot steunverlening.