Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.4.3
7.4.3 Uitgifte winstbewijzen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458985:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.6.A,b, Gouda Quint, Deventer.
Art. 20c, vierde lid, tweede volzin, laatste gedeelte, Wet IB is blijkens de tekst niet van toepassing op een uitgifte van winstbewijzen.
Besluit staatssecretaris van Financiën d.d. 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.4).
In dezelfde zin R.H. de Vries, Over technische wijzigingen, aflossingen om niet en andere vragen van aanmerkelijk belang, WFR 1998/6275, blz. 68. Zie tevens mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 27-30, Kluwer, Deventer, 1998 en mijn: Het vervreemdingsbegrip in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling. Tijdschrift Fiscaal Ondernemings- recht april 1998, nr. 36, blz. 81-83, alwaar ik aangeef dat in mijn opvatting geen aanmerkelijkbelangclaim verloren gaat, zodat het ook vanuit een sluitende aanmerkelijkbelangheffing niet noodzakelijk is om de uitgifte van winstbewijzen als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling te beschouwen.
Voorts is mijns inziens ook geen sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de winstbewijzen een zakelijke vergoeding voor een prestatie vormen.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer alsmede toelichting (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 61 en nr. 8, blz. 13.
De uitgifte van winstbewijzen door de vennootschap is eveneens een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de winstbewijzen worden uitgegeven aan een ander dan de zittende aandeelhouders. Evenzo is sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de winstbewijzen worden uitgegeven aan de zittende aandeelhouder(s), maar niet overeenkomstig ieders aandelenbezit in de vennootschap. In zoverre gaan immers rechten die in de aandelen of winstbewijzen liggen besloten, uit het vermogen van de aandeelhouder over in dat van een ander. Dit betekent tevens dat geen sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de winstbewijzen worden uitgegeven aan een enig aandeelhouder dan wel aan alle aandeelhouders gezamenlijk overeenkomstig ieders aandelenbezit in de vennootschap. Alsdan gaan immers geen rechten over vanuit het vermogen van de ene aandeelhouder in dat van een ander.1
De staatssecretaris van Financiën daarentegen is van mening dat wel sprake is van een vervreemding (van een gedeelte van de in de aandelen besloten liggende rechten) in de zin van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB, nu winstrechten verschuiven van de aandelen naar de winstbewijzen. Vervolgens wordt op grond van art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB2 de tegenprestatie bij de overdracht - de staatssecretaris van Financiën spreekt onzuiver over de overdrachtsprijs - gesteld op de waarde in het economische verkeer van de winstbewijzen.3 Mijns inziens is deze op de objectieve leer gebaseerde opvatting van de staatssecretaris van Financiën in strijd met de terzake geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. In de formule van de Hoge Raad is immers pas sprake van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de aandeelhouder rechten doet overgaan uit zijn vermogen in dat van een ander. Door de uitgifte van winstbewijzen aan een enig aandeelhouder is hiervan geen sprake. Het enige gevolg van de uitgifte van winstbewijzen aan de enig aandeelhouder of aan alle aandeelhouders overeenkomstig ieders aandelenbezit is dat de winstrechten die aan het aandelenbezit zijn verbonden, worden verdeeld over de aandelen én de winstbewijzen gezamenlijk. In totaliteit bezien verarm(t)(en) de aandeelhouder(s) echter niet. Nu de uitgifte van winstbewijzen niet in art. 20a, zesde lid, Wet IB uitdrukkelijk als een vervreemding is aangemerkt, kan mijns inziens op basis van de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad niet worden geconcludeerd tot een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling.4 Voor alle duidelijkheid merk ik op dat mijns inziens wel sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de winstbewijzen niet worden uitgereikt aan een enig aandeelhouder of aan alle aandeelhouders overeenkomstig ieders aandelenbezit, maar bijvoorbeeld slechts aan één of enkele aandeelhouders of aan personen die niet tevens aandeelhouder zijn in de vennootschap.5 De visie van de staatssecretaris van Financiën dat kennelijk relevant is of er winstrechten verschuiven van de aandelen naar de winstbewijzen, wordt vooralsnog niet gestaafd door de jurisprudentie, maar is overigens wel consistent met hetgeen hij in de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer en in de toelichting op de (eerste) nota van wijziging heeft opgemerkt.6